Uitspraak 201605590/2/R2

Datum van uitspraak: woensdag 7 november 2018
Tegen: de raad van de gemeente Oirschot
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3609

201605590/2/R2.
Datum uitspraak: 7 november 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Oirschot (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]),
2.    [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Oirschot,
3.    [appellante sub 3A] en anderen, gevestigd onderscheidenlijk wonend te Oirschot),
4.    [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Oirschot,
5.    [appellante sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Oirschot (hierna: tezamen en in enkelvoud [appellante sub 5]),

en

de raad van de gemeente Oirschot,
verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1816, op het beroep van [appellante sub 1], heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit van 21 juni 2016, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie] Oostelbeers" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 19 december 2017 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie] Oostelbeers" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

[appellante sub 1] heeft over het herstelbesluit haar zienswijze naar voren gebracht.

[appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] hebben tegen het herstelbesluit beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister van BZK) hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2018, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door ing. P.J.M van Leest, rechtsbijstandverlener te Biest-Houtakker, [appellante sub 3A] en anderen, bijgestaan door mr. D. Heuker of Hoek, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, [appellant sub 4] en anderen, bijgestaan door ing. P. van Leest voornoemd, en de raad, vertegenwoordigd door drs. L. Giesen en mr. S. Rotman, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.
Voorts zijn ter zitting het college, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos en ir. A.J.H. van Lent, en de minister van BZK, vertegenwoordigd door S.N.S. de Mol Moncourt, bijgestaan door mr. I.M. van der Heijden, advocaat te Den Haag, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1.    De relevante regelgeving en planregels waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen staan in de bijlage.

De tussenuitspraak

2.    In onderdeel 4.3. van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat uit het besluit van 21 juni 2016 niet valt af te leiden in welk opzicht de planologische inzichten voor het perceel [locatie] Oostelbeers sinds het voorheen geldende bestemmingsplan zijn gewijzigd. Gelet hierop kan de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor de agrarische bebouwing op dit perceel ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan niet worden gedragen door de aan dit besluit ten grondslag gelegde motivering.

    In onderdeel 4.4. van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, door geen rekening te houden met een concreet initiatief van [appellante sub 1] voor de vergroting van de oppervlakte van de agrarische bebouwing, het plan is voorbereid in strijd met de zorgvuldigheid.

    In onderdeel 5.1. van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 21 juni 2016 onvoldoende is gemotiveerd, omdat het geen inzicht geeft in de verwachting van de raad dat de door [appellante sub 1] gestelde waardevermindering als gevolg van het plan niet zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om de beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan draagkrachtig te motiveren, dan wel te bezien of er, rekening houdend met de aanvraag voor een omgevingsvergunning van 2 december 2014, aanleiding is om het plan wat betreft de bouwmogelijkheden aan te passen en het plan zo nodig te wijzigen.

Het besluit van 21 juni 2016

3.    Gelet op de onderdelen 4.3., 4.4. en 5.1. van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 21 juni 2016 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het beroep van [appellante sub 1] tegen dit besluit is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd.

Het herstelbesluit

4.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij het herstelbesluit de beperking van de toegestane oppervlakte van bedrijfsgebouwen tot de bestaande bebouwing van 350 m2, zoals opgenomen in het op 21 juni 2016 vastgestelde bestemmingsplan, opgeheven. In het gewijzigde plan is, binnen het bestaande bouwvlak van circa 1.800 m2, met een omgevingsvergunning voor afwijken vergroting van de legaal aanwezige of in uitvoering zijnde oppervlakte van dierenverblijven, dan wel vergroting van de oppervlakte van dierenverblijven die gebouwd mogen worden krachtens een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning, onder voorwaarden toegestaan. In de planregels over deze omgevingsvergunning voor afwijken zijn, in verband met de inwerkingtreding van de op 15 juli 2017 gewijzigde "Verordening ruimte 2014" van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening), voorwaarden opgenomen voor het vergroten van de legaal aanwezige oppervlakte van dierenverblijven en het in gebruik nemen van bebouwing als dierenverblijf. Deze zogeheten stalderingsregeling houdt in dat binnen een in de Verordening aangeduid stalderingsgebied de toename van de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij binnen een bouwperceel uitsluitend wordt toegestaan als elders in dat gebied de oppervlakte dierenverblijf van een hokdierhouderij is afgenomen met tenminste 110%.

    Daarnaast is in het herstelbesluit een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het agrarisch bouwvlak onder voorwaarden te vergroten tot 1,5 ha.

    [appellante sub 1] heeft op 2 december 2014 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de vergroting van de oppervlakte aan agrarische bedrijfsbebouwing van 350 m2 naar 925 m2. De daarvoor op 7 november 2015 verleende omgevingsvergunning is na de vaststelling van het herstelbesluit in heroverweging alsnog geweigerd. Daartegen heeft [appellante sub 1] beroep ingesteld.

Het beroep van [appellante sub 1] tegen het herstelbesluit

5.    Het beroep van [appellante sub 1] wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het herstelbesluit.

    Ter zitting heeft [appellante sub 1] de beroepsgrond met betrekking tot artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder b, en lid 3.5.8, aanhef en onder b, van de planregels over maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, ingetrokken.

6.    [appellante sub 1] stelt dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek weliswaar is hersteld, maar dat met de toevoeging aan de planregels van artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder g, en lid 3.5.8, aanhef en onder g, de zogeheten stalderingsregeling, nieuwe beperkingen zijn opgenomen voor uitbreiding van een intensieve veehouderij waarmee zij zich niet kan verenigen.

Verbindendheid artikel 26.1 van de Verordening

7.    Primair stelt [appellante sub 1] dat de stalderingsregeling in artikel 26.1 van de Verordening, waaraan met de planregels toepassing is gegeven, niet noodzakelijk is met het oog op een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Artikel 26.1 van de Verordening kan dan ook niet op deze bepaling in de Wro worden gebaseerd.

    Daartoe voert [appellante sub 1] aan dat een causaal verband ontbreekt tussen een planontwikkeling enerzijds en de in de stalderingsregeling vereiste sloop of herbestemming van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij anderzijds, omdat die sloop of herbestemming op een geheel andere locatie mag plaatsvinden dan de planontwikkeling. Daardoor ligt aan de stalderingsregeling geen ruimtelijk belang ten grondslag. Bovendien kan volgens de stalderingsregeling ook worden volstaan met een herbestemming van de intensieve veehouderij, waardoor de regeling een milieuhygiënisch belang dient en niet een ruimtelijk belang. Ook valt niet in te zien waarom er meer oppervlak aan bedrijfsbebouwing gesloopt of herbestemd moet worden dan waarin de beoogde ontwikkeling voorziet. Volgens [appellante sub 1] is ook de noodzaak van de stalderingsregeling niet onderbouwd, omdat de bestaande sectorale regelgeving voor de intensieve veehouderij afdoende is en staldering daar niets aan toevoegt.  

    [appellante sub 1] stelt verder dat artikel 26.1 van de Verordening onevenredig bezwarend is, omdat de stalderingsregeling een vergaande financiële wissel trekt op de door haar beoogde ontwikkeling en deze regeling veehouderijen in Noord-Brabant zonder noodzaak bedrijfseconomisch op achterstand zet ten opzichte van andere veehouderijen.

    Bovendien ontbreekt in de stalderingsregeling toereikend overgangsrecht voor de reeds vóór de inwerkingtreding van die regeling ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor de uitbreiding van haar bedrijfsbebouwing, aldus [appellante sub 1].

7.1.    Voor zover [appellante sub 1] stelt dat artikel 26.1 van de Verordening, waaraan met artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder g, en lid 3.5.8, aanhef en onder g, van de planregels toepassing is gegeven, niet op artikel 4.1, eerste lid, van de Wro kan worden gebaseerd en daardoor onverbindend is, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb kan tegen een algemeen verbindend voorschrift, zoals artikel 26.1 van de Verordening, geen beroep worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing.

7.2.    De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 26.1 van de Verordening kan worden gebaseerd op artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. Ingevolge deze bepaling kunnen bij of krachtens een provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie.

7.3.    In de toelichting bij artikel 26.1 van de Verordening staat over de stalderingsregeling het volgende:

"Er zijn twee belangrijke overwegingen om tot staldering over te gaan. Dit zijn:

- Tegengaan van verdere regionale concentratie: De veehouderij, het sterkst de varkenshouderij, heeft zich de afgelopen jaren geconcentreerd in delen van Oost- en Midden-Brabant. Hierdoor is, ondanks de afgenomen emissies en overlast per dier, de druk op mens en natuur in deze delen van Brabant onvoldoende afgenomen. Om een verdere concentratie van de veehouderij tegen te gaan, is het nodig om op regionale schaal de omvang van de veestapel te begrenzen, zodat de inspanningen om te komen tot de gewenste transitie naar zorgvuldige veehouderij effectiever zijn. Het is in het belang van de veehouderij en van andere economische sectoren dat de impact op de omgeving van de veehouderij snel en effectief verlaagd wordt. Dan kan de maatschappelijke waardering terugkeren en ontstaat er fysieke en sociale ruimte voor ontwikkeling van bedrijven. Om dit proces te versnellen, is het wenselijk om meer dierenverblijven op te heffen dan er bij komen. Hiervoor stellen wij nu in de regels een percentage voor van 10 %. Dit versnelt het proces.

- Tegengaan van leegstand: Uit het onderzoek "Leegstand agrarisch vastgoed Noord-Brabant" (Alterra, maart 2016) blijkt dat de problematiek van leegstand zich de komende jaren vooral manifesteert in het oosten en zuiden van Brabant waar veel veehouderijen aanwezig zijn. Kansen en mogelijkheden voor hergebruik zijn daarbij beperkt. Het voorkomen en opheffen van leegstand is daarom belangrijk. Zowel uit oogpunt van landschappelijke kwaliteit als vanuit veiligheid (criminaliteit). Net als in andere economische sectoren is de sector daarvoor in eerste instantie zelf verantwoordelijk. Gelet op de omvang van de opgave, vinden wij het echter gewenst om het tegengaan van leegstand te ondersteunen. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik is het niet wenselijk om de bouw van nieuw agrarisch vastgoed onverminderd door te laten gaan. Aan de andere kant is agrarisch hergebruik van de vrijkomende opstallen vaak niet wenselijk omdat het oudere stalsystemen betreft of omdat de opstallen op minder gunstige locaties liggen. Daarom omhelst het voorstel dat niet meer functioneel vastgoed wordt gesaneerd. Met stalderen leggen wij in eerste instantie een koppeling tussen het oprichten van dierverblijven op de ene plek en de sloop op een andere plek. Dit vermindert toekomstige leegstand omdat het daarbij om dierverblijven gaat die nu nog in gebruik zijn."

Ruimtelijk belang

7.4.    Gelet op de toelichting in de Verordening is de stalderingsregeling bedoeld om een verdere regionale concentratie van de veehouderij in Noord-Brabant en een verdere leegstand van bestaande dierenverblijven tegen te gaan. De intensieve veehouderij veroorzaakt volgens de uiteenzetting van het college overlast voor zowel mens als natuur door de uitstoot van geur, fijnstof, stikstof, geeft risico’s voor de volksgezondheid, levert gevaarlijke situaties op door het zware vrachtverkeer en geeft visuele hinder. Door een toenemende regionale concentratie van vee nemen ook deze negatieve effecten toe. Volgens de uiteenzetting zijn er al veel leegstaande stallen. Kansen en mogelijkheden voor hergebruik zijn daarbij beperkt.

    Gelet op deze toelichting bestaat geen grond voor het oordeel dat de stalderingsregeling geen ruimtelijk belang dient. Dat volgens de stalderingsregeling ook kan worden volstaan met de herbestemming van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij maakt dit niet anders. Een dergelijke herbestemming draagt volgens de toelichting in de Verordening ook bij aan het tegengaan van verdere regionale concentratie van de veehouderij in Noord-Brabant alsmede het tegengaan van verdere leegstand van bestaande dierenverblijven in het oosten en zuiden van Brabant.

7.5.    Anders dan [appellante sub 1] stelt is er wel een ruimtelijk verband tussen een voorgenomen ontwikkeling en de vereiste sanering, omdat beide activiteiten volgens artikel 26.1 van de Verordening in hetzelfde stalderingsgebied moeten plaatsvinden, waardoor de oppervlakte van bestaande dierenverblijven van hokdierhouderijen in dit gebied per saldo niet verder toeneemt.

Noodzaak

7.6.    Staldering is volgens de toelichting noodzakelijk om te komen tot een versnelde afname van het areaal aan intensieve veehouderij in overbelaste gebieden.

    Voorafgaand aan de vaststelling van de stalderingsregeling heeft het provinciebestuur onderzoek laten doen naar het doelbereik en de effecten van de regeling, afgezet tegen de autonome ontwikkeling. Het betreft de onderzoeken "Effect op omvang en structuur van de veehouderij" van bureau Connecting Agri & Food van juni 2017, "Addendum effect op omvang en structuur van de veehouderij" van bureau Connecting Agri & Food van 4 juli 2017, "Effecten op natuur en milieu" van bureau Pouderoyen Compagnons van 9 juni 2017, "Addendum effecten natuur en milieu" van bureau Pouderoyen Compagnons van 4 juli 2017 en "Botsproef" van de bureaus CLM en DLV van juni 2017. Het proces van een verlaging van de impact van de veehouderij op de omgeving wordt volgens deze onderzoeken versneld door meer dierenverblijven op te heffen dan er bij komen. Door toepassing van de in artikel 26.1 van de Verordening opgenomen voorwaarde dat de oppervlakte van de sanering tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen, zal de oppervlakte van bestaande hokdierhouderijen telkens enigszins afnemen, aldus het college.

    Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de noodzaak van staldering, waarbij er meer oppervlak aan bedrijfsbebouwing gesloopt of herbestemd moet worden dan waarin de beoogde ontwikkeling voorziet, niet is onderbouwd.

Evenredigheid

7.7.    Volgens de toelichting op de Verordening blijkt uit het onderzoek "Leegstand agrarisch vastgoed Noord-Brabant" (Alterra, maart 2016) dat de problematiek van leegstand zich de komende jaren vooral manifesteert in het oosten en zuiden van Brabant waar veel veehouderijen aanwezig zijn. Het college verwijst voor de effecten van de stalderingsregeling naar de onderzoeken die zijn verricht voorafgaand aan de vaststelling van de stalderingsregeling. Hieruit blijkt volgens het college dat de kosten voor staldering niet onevenredig zijn in vergelijking met de totale investeringskosten die met de ontwikkeling van stallen gemoeid zijn. Het college wijst verder op het groot maatschappelijk belang dat gediend wordt met de stalderingsregeling in de specifieke overbelaste gebieden, welk belang zwaarder weegt dan de extra investering die de ondernemer moet doen. Volgens het college is het niet onredelijk om bij ontwikkelingen waarvan de opbrengsten ten goede komen aan initiatiefnemers vanuit het algemeen belang een tegenprestatie te vragen die optredende negatieve effecten opheft of beperkt.

    [appellante sub 1] kan gelet hierop niet worden gevolgd in haar stelling dat door de stalderingsregeling veehouderijen die zijn gevestigd in de stalderingsgebieden en die de oppervlakte van hun dierenverblijven willen vergroten zonder noodzaak bedrijfseconomisch op achterstand worden gezet.

    Dat de stalderingsregeling een vergaande financiële wissel trekt op de door haar beoogde ontwikkeling heeft [appellante sub 1] niet aannemelijk gemaakt. Haar stelling dat geen stalderingsmeters beschikbaar zijn heeft [appellante sub 1] niet nader onderbouwd. Volgens het college is gelet op het onderzoek van bureau Alterra de verwachting gerechtvaardigd dat in ieder geval vanaf 2020, wanneer de tijdelijke regeling in het Besluit Huisvesting Veehouderij eindigt, voldoende stalderingsmeters beschikbaar zullen zijn.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 26.1 van de Verordening onevenredig bezwarend is.

7.8.    Voor zover [appellante sub 1] stelt dat in de Verordening overgangsrecht had moeten worden opgenomen in verband met de door haar vóór de inwerkingtreding van artikel 26.1 van de Verordening aangevraagde omgevingsvergunning voor de vergroting van de agrarische bedrijfsbebouwing overweegt de Afdeling dat de voor deze aanvraag in het verleden verleende vergunning, die ten tijde van het herstelbesluit niet onherroepelijk was, hier niet ter beoordeling staat. Overigens mag ingevolge artikel 3, lid 3.2.3. van de planregels de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen voor veehouderijen niet meer bedragen dan de oppervlakte van de dierenverblijven die gebouwd mogen worden krachtens een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning. In zoverre is in de planregels met bestaande bouwrechten rekening gehouden.

Conclusie

7.9.    Het betoog van [appellante sub 1] geeft gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat artikel 26.1 van de Verordening niet kan worden gebaseerd op artikel 4.1 van de Wro en daardoor onverbindend is.

Stalderingsbewijs als voorwaardelijke verplichting in omgevingsvergunning

8.    Subsidiair stelt [appellante sub 1] dat artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder g, van de planregels ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om de aanwezigheid van het door of namens het college uit te geven stalderingsbewijs als "voorwaardelijke verplichting" in de omgevingsvergunning voor bouwen op te nemen, ertoe strekkende dat het stalderingsbewijs er pas hoeft te zijn op het moment dat er daadwerkelijk gebouwd wordt. Artikel 26.1, tweede en derde lid, van de Verordening bieden daarvoor de mogelijkheid, omdat het stalderingsbewijs daarin is gekoppeld aan de oprichting of ingebruikname van een dierenverblijf. Deze bepaling prevaleert volgens [appellante sub 1] boven artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder g, van de planregels, waarin het stalderingsbewijs is gekoppeld aan de vergunningverlening voor vergroting van een dierenverblijf. Ook het evenredigheidsbeginsel noopt tot de mogelijkheid om de aanwezigheid van het stalderingsbewijs als "voorwaardelijke verplichting" in de omgevingsvergunning voor bouwen op te nemen. [appellante sub 1] verwacht dat er geen financiering kan worden verkregen voor sloop of herbestemming van bebouwing elders voorafgaand aan de beslissing op vergunningaanvragen. De nu in de planregels opgenomen stalderingseis belemmert daardoor volgens haar in feite iedere ontwikkeling.

8.1.    Artikel 26.1, tweede en derde lid, van de Verordening luiden:

"2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Stalderingsgebied" dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling."

3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten."

    Gelet hierop is het stalderingsbewijs aan te merken als een vaststelling door of namens het college dat de sanering ten behoeve van de aangevraagde ontwikkeling en met de vereiste omvang als bedoeld in artikel 26.1, tweede lid, van de Verordening heeft plaatsgevonden.

8.2.    Niet in geschil is dat artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder g, van de planregels niet in strijd is met artikel 26.1 van de Verordening. Ofschoon artikel 26.1 van de Verordening, gezien de woorden "oprichten" en "in gebruik nemen", daartoe aanleiding zou kunnen geven, brengt een redelijke uitleg met zich dat deze bepaling geen ruimte biedt om de aanwezigheid van het stalderingsbewijs als "voorwaardelijke verplichting" in de omgevingsvergunning voor bouwen op te nemen in de door [appellante sub 1] bedoelde zin. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge die bepaling het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf alleen is toegestaan als het stalderingsbewijs reeds is overgelegd en dit toestaan moet worden geacht te bestaan uit de vergunningverlening. De uitleg dat voor de vergunningverlening aan de stalderingseis moet zijn voldaan strookt ook met de door het college op 24 oktober 2017 vastgestelde Beleidsregel staldering Noord-Brabant, waarin de werkwijze met betrekking tot het bij staldering uit te geven stalderingsbewijs is vastgelegd. De raad heeft gelet hierop terecht geen aanleiding gezien om in de planregels te voorzien in de mogelijkheid om de aanwezigheid van het stalderingsbewijs als voorwaarde in de omgevingsvergunning voor bouwen op te nemen.

    [appellante sub 1] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat geen financiering zal kunnen worden verkregen voor sloop of herbestemming van bebouwing elders binnen het stalderingsgebied voordat op vergunningaanvragen wordt beslist.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 1] tegen het herstelbesluit ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] tegen het herstelbesluit.

Opdracht tussenuitspraak

10.    [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] stellen dat de raad er bij het nemen van het herstelbesluit ten onrechte van uit is gegaan dat de tussenuitspraak dwingt tot het opheffen van de beperking van de bouwmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. In de tussenuitspraak is alleen geoordeeld dat de aan de beperking van de bouwmogelijkheden ten grondslag gelegde motivering onvoldoende was. Volgens hen vindt een meerderheid van de raad de ontwikkeling van intensieve veehouderij op het perceel ongewenst en is de raad onvoldoende geïnformeerd over de mogelijkheden na de tussenuitspraak.

10.1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om de beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan draagkrachtig te motiveren, dan wel te bezien of er, rekening houdend met de aanvraag voor een omgevingsvergunning van 2 december 2014, aanleiding is om het plan wat betreft de bouwmogelijkheden aan te passen en het plan zo nodig te wijzigen.

10.2.    Volgens de heroverweging in het raadsvoorstel zijn er geen goede redenen om een onderscheid te maken tussen het perceel [locatie] en andere agrarische bouwvlakken in het buitengebied van de gemeente. Daarbij is overwogen de op 12 april 2012 door het gemeentebestuur vastgestelde Kadernota Intensieve Veehouderij (hierna: de Kadernota) zodanig aan te passen dat deze een grondslag vormt voor een nieuw bestemmingsplan waarin geen uitbreidingsmogelijkheden voor het perceel zijn opgenomen. Dat is volgens het raadsvoorstel niet kansrijk. Bovendien was het wegbestemmen van de uitbreidingsmogelijkheden ingegeven om leegstand te voorkomen. Met de inwerkingtreding van de Verordening is door middel van de stalderingsregeling nu geborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen overbodige stalruimte verdwijnt, zodat de aanleiding voor het wegbestemmen van de uitbreidingsmogelijkheden is komen te vervallen. Het perceel is in de Kadernota aangemerkt als een "duurzame locatie IV, mits", waardoor het onder voorwaarden mogelijk is om het bouwvlak te vergroten tot 1,5 ha. Daarvoor was in het vorige bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Omdat niet gebleken is dat niet aan de voorwaarden van de Kadernota en de wijzigingsbevoegdheid kan worden voldaan, is er geen reden de wijzigingsbevoegdheid te schrappen. De planologische mogelijkheden zoals die voorheen golden, zijn derhalve nu weer overgenomen. Daarbij is onderkend dat er weinig draagvlak is bij omwonenden voor het opheffen van de beperkingen van de bouwmogelijkheden, aldus het raadsvoorstel.

10.3.    Uit het voorgaande volgt dat de raad heeft onderzocht of aan de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden een draagkrachtige motivering ten grondslag kan worden gelegd. [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat de raad er van uit is gegaan dat de tussenuitspraak dwingt tot het opheffen van de beperking van de bouwmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. De raad heeft, wat er ook zij van de discussie tijdens de raadsvergadering, het plan uiteindelijk vastgesteld. De raad was ook bekend met de tussenuitspraak. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het besluit heeft genomen op basis van onvoldoende informatie. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

11.    [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] stellen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Het gemeentelijk beleid voor het gebied Langereijt is aangescherpt in de Kadernota en het op 6 december 2016 door het gemeentebestuur vastgestelde Verbeterplan Knelpunten Urgentiegebieden (hierna: het Verbeterplan). Het bestemmingsplan maakt uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk en is met dit gemeentelijk beleid in strijd. Dat het Verbeterplan geen objectief criterium bevat om uitbreiding van agrarische bedrijven te beperken, laat onverlet dat in de belangenafweging niet aan de conclusies uit het Verbeterplan voorbij kan worden gegaan.

    In die belangenafweging heeft de raad ook geen oog gehad voor de op relatief korte afstand van het plangebied gelegen theetuin/biologische tuinderij/galerie van [appellante sub 3A], waarvan de aantrekkingskracht door de geuroverlast van een grootschalige varkenshouderij nadelig wordt beïnvloed. Ter toelichting hebben zij een brief van bureau Delphy van 13 maart 2018 overgelegd.

11.1.    Volgens de raad is het plan niet in strijd met de Kadernota. Daarin is het gebied aangewezen als "ja, mits"-gebied. Vergroting van bouwblokken is in dit gebied mogelijk tot maximaal 1,5 ha, mits de locatie duurzaam is. Daarvoor wordt volgens de Kadernota in bestemmingsplannen een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waaraan concrete initiatieven worden getoetst. Er is volgens de door het gemeentebestuur op 29 november 2011 vastgestelde Visie op de intensieve veehouderij Oirschot sprake van een duurzame locatie wanneer de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft (cumulatie van) ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie. Voor deze criteria is aangesloten bij de Verordening. In de planregels zijn die, in de  Verordening gekwantificeerde, criteria overgenomen als voorwaarde voor toename van de oppervlakte aan dierenverblijven en als voorwaarde voor vergroting van het bouwvlak door middel van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.6.4, van de planregels. Daarmee is volgens de raad een waarborg gegeven dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

    Wat betreft de bouwmogelijkheden bij recht is het volgens de raad niet aannemelijk dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast, omdat bij de toets van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor deze bouwmogelijkheden bleek dat aan de gestelde normen voor geur, ammoniak en fijn stof kon worden voldaan. Bij een verdere doorgroei naar maximaal 1,5 ha zal overeenkomstig de Kadernota moeten worden voldaan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid.

    In het Verbeterplan is het gebied Langereijt als knelpunt in verband met geur onderkend maar zijn volgens de raad geen expliciete keuzes gemaakt of objectieve criteria opgenomen. Omdat het bestemmingsplan niet in strijd is met de Kadernota is er geen reden om de ontwikkelingsmogelijkheden die het bedrijf in een eerder bestemmingsplan had in te perken, aldus de raad.

    Wat het woon- en leefklimaat nabij de biologische tuinderij betreft stelt de raad dat de afstand daarvan tot het bouwvlak in het plangebied ongeveer 450 m is. Gelet op deze afstand, de beperkte bouwmogelijkheden bij recht en de voorwaarden in de planregels voor uitbreiding daarvan, waarbij een maximum is gesteld aan de geurbelasting, is volgens de raad niet aannemelijk dat het plan zal leiden tot onaanvaardbaar nadelige effecten op het woon- en leefklimaat nabij de tuinderij. De brief van bureau Delphy, waarin het belang van rust en ruimte in het buitengebied wordt onderschreven, gewezen wordt op omzetverlies en imagoschade en waarin slechts algemene opmerkingen worden gemaakt over de beleving en de risico’s van stoffen in de lucht en ammoniak voor de plantengroei, geeft de raad geen aanleiding voor een ander oordeel.

11.2.    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat met de realisering van het plan het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] en nabij de theetuin/biologische tuinderij/galerie van [appellante sub 3A] onaanvaardbaar wordt aangetast. Het betoog faalt.

Gezondheidseffecten

12.    [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4] en anderen stellen dat het plan zal leiden tot een verdere verslechtering van het leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Uit recente onderzoeken van het RIVM en de GGD volgt dat er een verband bestaat tussen gezondheidseffecten en woonafstanden tot intensieve veehouderijen. GGD GHOR Nederland adviseert om binnen 250 m van intensieve veehouderijen geen nieuwbouw te realiseren en voor bouwplannen tussen de 250 m en 1000 m een aanvullende risicobeoordeling uit te voeren. Gelet op deze afstanden en de bestaande woningen in de omgeving is een intensieve veehouderij niet mogelijk. Gelet hierop hadden in het plan verdergaande beperkingen moeten worden opgelegd aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij.

    [appellant sub 3B] kampt met ernstige luchtwegproblemen en vreest voor een verdere achteruitgang van zijn gezondheid als van de planologische ontwikkelingsmogelijkheden gebruik wordt gemaakt. Ter toelichting heeft hij een verklaring van zijn huisarts overgelegd.

12.1.    Volgens de raad wonen twee appellanten binnen een afstand van 250 m van het plangebied. De door [appellant sub 2] en anderen, en [appellant sub 4] en anderen genoemde afstanden zijn bovendien adviesafstanden die volgens de Kadernota niet onomstreden zijn en die niet zijn overgenomen in het gemeentelijk beleid. De planregels bevatten voldoende waarborgen om onaanvaardbare effecten op de volksgezondheid te voorkomen, aldus de raad.

12.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:249), is het effect dat nabijgelegen veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te onderzoeken of een plan niet zodanige risico's voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechtert. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3690, vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Uit het voorgaande volgt dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft.

    Ingevolge de planregels is een toename van de oppervlakte van dierenverblijven, het gebruik van gebouwen als dierenverblijf en de vergroting van het bouwvlak alleen toegestaan indien, voor zover van belang, de ontwikkeling gelet op de effecten vanwege de volksgezondheid inpasbaar is in de omgeving. Dat zal derhalve bij een concreet bouwplan, bijvoorbeeld door middel van een risicobeoordeling, moeten worden aangetoond. Voorts moet aangetoond zijn dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m3.

    Voor zover [appellant sub 2] en anderen, en [appellant sub 4] en anderen stellen dat, gelet op de adviesafstanden van de GGD, in het plan verdergaande beperkingen moeten worden opgelegd aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij heeft de raad daarvoor in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien. Uit het door [appellant sub 2] en anderen, en [appellant sub 4] en anderen genoemde advies van GGD GHOR Nederland volgt niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van volksgezondheid moet worden verboden binnen een bepaalde afstand tot een woning. De keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen de adviesafstand van de GGD niet over te nemen is niet onredelijk. Dat binnen de gemeente Oirschot een groot aantal intensieve veehouderijen is gevestigd en dat maatschappelijke onrust is ontstaan over de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid, biedt op zichzelf, mede gelet op de in de planregels opgenomen voorwaarden, onvoldoende grond voor een verdergaande beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij.

    Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, onder 25.2, hoeft de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan geen rekening te houden met de bijzondere gevoeligheid van mensen. De Afdeling ziet met betrekking tot de door [appellante sub 3A] genoemde ernstige luchtwegproblemen, gezien de voorwaarden in de planregels met betrekking tot de volksgezondheid waaraan nieuwe initiatieven moeten voldoen en in aanmerking genomen de ligging van het woonperceel van [appellante sub 3A] op circa 450 m van het plangebied, geen aanleiding hier anders over te oordelen.

    Het betoog faalt.

Natuurlijke en landschappelijke waarden

13.    Volgens [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] is het plan in strijd met de Kadernota omdat het de natuurlijke en landschappelijke waarden van de omgeving aantast. Nabij het plangebied ligt een ecologische verbindingszone die in de weg staat aan de planologische uitbreidingsmogelijkheden. Met deze ecologische verbindingszone, die in het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve herziening" is bestemd, is in het herstelbesluit geen rekening gehouden. Volgens [appellante sub 3A] en anderen en [appellante sub 5] tast het plan ook het open landschap en een 100 jaar oude eikenlaan aan.

13.1.    Volgens paragraaf 4.2 van de Kadernota geldt voor elke uitbreiding van bouwblokken van de intensieve veehouderij in de zogeheten "ja‐mits gebieden", waartoe het plangebied behoort, onder meer de voorwaarde dat de natuurlijke, cultuurhistorische en visueel‐landschappelijke waarden niet onaanvaardbaar worden aangetast.

13.2.    Volgens paragraaf 3.1.6. van de plantoelichting zijn er op basis van het beleid in de Kadernota geen argumenten om de planologische ontwikkelingsmogelijkheden niet van toepassing te verklaren. De vergroting naar 1,5 ha dient te voldoen aan de wijzigingsvoorwaarden, waaronder de landschappelijke en ecologische inpasbaarheid. Volgens de raad is niet gebleken dat niet aan de wijzigingsvoorwaarden kan worden voldaan. De ecologische verbindingszone ligt volgens de raad buiten het plangebied op een afstand van minimaal 65 m. Gezien deze afstand en gelet op de wijzigingsvoorwaarden is volgens de raad niet aannemelijk dat realisering van het plan negatieve effecten heeft op deze inmiddels verwezenlijkte ecologische verbindingszone.

    Volgens de raad moet bebouwing op grond van de planregels minimaal 15 m van de as van de weg liggen. Het is dan ook niet aannemelijk dat de eikenlaan wordt aangetast, aldus de raad

13.3.    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met de Kadernota. Het betoog faalt.

Agrarisch bedrijf

14.    Volgens [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4] en anderen heeft het gemeentebestuur de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het bedrijfsgebouw op het perceel uiteindelijk geweigerd. Op het perceel wordt sinds oktober 2015 geen agrarisch bedrijf meer uitgeoefend zodat de milieuvergunning ingetrokken kan worden. Gelet hierop was er geen aanleiding in het plan alsnog uitbreidingsmogelijkheden op te nemen. Bovendien mogen gebouwen ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. Nu dat er niet meer is, kan geen nieuwe bebouwing in het bouwvlak worden opgericht, zoals ook was beoogd met het bij besluit van 21 juni 2016 vastgestelde bestemmingsplan.

14.1.    De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er gelet op de vergunde situatie voor de activiteiten bouwen en milieu en de recente aanvragen sprake is van een bedrijf met uitbreidingsplannen binnen het bestaande bouwvlak. Dat de raad het bedrijf opnieuw heeft bestemd en uitbreidingsmogelijkheden heeft opgenomen is dan ook niet onredelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ten tijde van het herstelbesluit de milieuvergunning niet was ingetrokken en de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het bedrijf nog niet was geweigerd. De latere weigering van de omgevingsvergunning is overigens nog niet onherroepelijk. Dat ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf betekent slechts dat niet mag worden gebouwd ten behoeve van een elders gevestigd agrarisch bedrijf. Het betoog faalt.

Conclusie

15.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] tegen het herstelbesluit ongegrond.

Proceskosten

16.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 21 juni 2016, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie] Oostelbeers" is vastgesteld, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 21 juni 2016, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie] Oostelbeers" is vastgesteld;

III.    verklaart de beroepen van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en [appellante sub 5A] en [appellant sub 5B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 19 december 2017 waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie] Oostelbeers" gewijzigd is vastgesteld, ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Oirschot tot vergoeding van bij [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1753,50 (zegge: zeventienhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Oirschot aan [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Boermans
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018

429.


BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:4

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 4.1

1. Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van de verordening geschiedt tevens langs elektronische weg.

Verordening ruimte 2014 zoals geldend op 19 december 2017

Artikel 26 Stalderingsgebied

Artikel 26.1 Stalderingsgebied

1. […].

2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.

[…]

Planregels bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie] Oostelbeers" zoals vastgesteld bij besluit van 19 december 2017

3.2 Bouwregels

Artikel 3, lid 3.2.1 Algemeen

a. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf.

[…]

Artikel 3, lid 3.2.3 Bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen gelden, in aanvulling op het bepaalde in 3.2.2, de volgende bepalingen:

a. Voor veehouderijen mag de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven die:

1. op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of in uitvoering zijn; dan wel

2. gebouwd mogen worden krachtens een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.

3.3 Afwijken van de bouwregels

Artikel 3, lid 3.3.2 Toename oppervlakte dierenverblijven

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde sub 3.2.3 onder a voor het vergroten van de toegestane oppervlakte van dierenverblijven bij een veehouderij, met dien verstande dat:

[...]

g. indien sprake is van het vergroten van de toegestane oppervlakte van dierenverblijven bij een hokdierhouderij, deze vergroting uitsluitend is toegestaan indien:

1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming, waarbij geldt dat:

- de bestaande dierenverblijven die zijn gesaneerd dienen te voldoen aan de criteria die in de provinciale Verordening ruimte zijn gesteld aan 'bestaande dierenverblijven', zoals die criteria gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;

- het gebruik van de bestaande dierenverblijven als dierenverblijf juridisch en feitelijk dient te zijn beëindigd;

2. de oppervlakte van de sanering als bedoeld onder 1 tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte aan dierenverblijf die extra wordt toegestaan;

3. de sanering als bedoeld onder 1 plaatsvindt in directe samenhang met de bouw of vergroting van een dierenverblijf en voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;

4. door of namens Gedeputeerde Staten is getoetst of aan de voorwaarden onder 1 tot en met 3 is voldaan en het door of namens Gedeputeerde Staten afgegeven bewijs dat aan deze voorwaarden is voldaan wordt overgelegd."

    Artikel 3, lid 3.5.8, aanhef en onder g, bevat gelijkluidende voorwaarden als genoemd in artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder g voor een omgevingsvergunning voor het toestaan dat gebouwen die niet in gebruik zijn als dierenverblijf, in gebruik worden genomen als dierenverblijf.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid

Artikel 3, lid 3.6.4 Vergroting van een agrarisch bouwvlak, veehouderij

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van een agrarisch bouwvlak van een veehouderij. Deze wijzigingsbevoegdheid mag uitsluitend worden toegepast onder de volgende voorwaarden:

a. de wijzigingsbevoegdheid mag niet worden toegepast ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van een geitenhouderij;

b. er dient sprake te zijn van een reëel agrarisch bedrijf;

c. advies kan worden gevraagd aan een agrarisch deskundige over het bepaalde onder a;

d. voor intensieve veehouderijbedrijven geldt het volgende:

1. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - iv ja mits' mag de oppervlakte van het bouwvlak worden vergroot tot ten hoogste 1,5 hectare;

2. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - iv nee tenzij' mag de oppervlakte van het bouwvlak met ten hoogste 15% worden vergroot ten opzichte van de oppervlakte ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, tot een oppervlakte van ten hoogste 1,5 hectare;

3. ter plaatse van de aanduidingen 'reconstructiewetzone - iv nee' en 'overige zone - beperkingen veehouderij' mag de oppervlakte van het bouwvlak niet worden vergroot;

e. voor veehouderijbedrijven, niet zijnde intensieve veehouderijbedrijven, geldt dat de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot tot ten hoogste 1,5 hectare;

f. er dienen maatregelen te worden getroffen en in stand te worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; er is sprake van een zorgvuldige veehouderij indien wordt voldaan aan de nadere regels die hieromtrent op basis van de Verordening ruimte door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;

g. de vergroting van het bouwvlak dient vanuit een goede leefomgeving en gelet op de omvang van de bebouwing, de effecten vanwege milieuaspecten, de effecten vanwege volksgezondheid en de afwikkeling van het verkeer inpasbaar te zijn in de omgeving;

h. de vergroting van het bouwvlak dient gelet op de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de archeologische en cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden inpasbaar te zijn;

i. aangetoond dient te zijn dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

j. aangetoond dient te zijn dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m3;

k. er dient te worden voorzien in een landschappelijke inpassing, die ten minste 10% van de omvang van het bouwvlak omvat; de landschappelijke inpassing mag binnen het bouwvlak of direct aansluitend aan het bouwvlak worden gerealiseerd;

l. er dient te worden voorzien in een landschappelijke versterking via een fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals omschreven in bijlage  "Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012";

m. er dient een zorgvuldige dialoog te zijn gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.