Uitspraak 201201387/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 14 november 2012
Tegen: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2012:BY3082

201201387/1/A1.
Datum uitspraak: 14 november 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2011 in zaak nr. 11/4100 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd [appellant] een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een zonneboiler en zonnepanelen op de woning aan de [locatie] te Amsterdam.

Bij besluit van 19 juli 2011 heeft het dagelijks bestuur, onder aanvulling van de motivering ervan, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2012, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. G.A. Janssen, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een zonneboiler en zonnepanelen. De aanvraag is afgewezen omdat het bouwplan volgens het dagelijks bestuur in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, is het eerste lid, aanhef en onder d, van overeenkomstige toepassing op de lichte bouwvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningsplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet aangemerkt het bouwen van een collector voor warmteopwekking op of aan een bouwwerk ten behoeve van de warmtevoorziening van het gebruik van dat bouwwerk of van op hetzelfde perceel gelegen andere bouwwerken, mits wordt voldaan aan de volgende kenmerken:

1˚ bij plaatsing:

a) op een schuin dakvlak:

[…]

3) hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak,

b) op een plat dakvlak:

[…]

2) hellingshoek ten hoogste 35˚.

Ingevolge het bepaalde in dat lid, aanhef en onder d, wordt als bouwen van beperkte betekenis aangemerkt het bouwen van een paneel voor de opwekking van elektriciteit uit daglicht op of aan een bouwwerk ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van het gebruik van dat bouwwerk of van op hetzelfde perceel gelegen andere bouwwerken, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1˚ bij plaatsing:

a) op een schuin dakvlak:

[…]

3) hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak,

b) op een plat dakvlak:

[…]

2) hellingshoek ten hoogste 35˚.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan geen bouwvergunning vereist is. Hij voert daartoe aan dat het dakvlak van zijn woning een zeer beperkte hellingsgraad heeft. In die situatie past het niet een bouwvergunningplicht aanwezig te achten, terwijl er geen vergunningplicht zou gelden bij een volledig plat dakvlak, aldus [appellant].

3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dak van de woning van [appellant], ondanks de geringe hellingsgraad van tien graden, geen plat dak is, als bedoeld in het Bblb, zodat het dagelijks bestuur terecht de criteria voor een schuin dak in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c en d, onder 1˚, onder a, sub 3, van het Bblb van toepassing heeft geacht. Niet in geschil is dat het bouwplan, of dit nu valt onder c of d van voormeld artikel, niet voldoet aan de criteria voor schuine daken, nu de hellingshoek van de zonnepanelen en de zonneboiler niet gelijk is aan de hellingshoek van het dakvlak. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat een bouwvergunning is vereist.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat door toepassing van de welstandscriteria de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt ontoelaatbaar worden ingeperkt. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het mogelijk is zonnepanelen te bouwen, die ook bij een hellingsvlak gelijk aan het hellingsvlak van zijn dak werken, zodat er geen onaanvaardbare beperking is van de bouwmogelijkheden. Aangezien het water in die situatie niet kan wegstromen, werkt de zonnecollector niet, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200905735/1/H1, dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandsbeoordeling een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

4.2. Vaststaat dat het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatste geldende bestemmingsplan. Daarin zijn geen hoogtebeperkingen of voorschriften over bouwwerken op daken opgenomen. De planvoorschriften bieden daardoor verschillende mogelijkheden om zonnepanelen en zonnecollectoren te realiseren. De toepassing van de welstandsnota op de door de welstandscommissie aangegeven en door het dagelijks bestuur overgenomen wijze blijft daarom binnen de ruimte die met inachtneming van de planvoorschriften in de concrete situatie bij de welstandsbeoordeling bestaat. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat door toepassing van de welstandscriteria de bouwmogelijkheden ontoelaatbaar worden beperkt.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte de aan het welstandsadvies van 20 april 2011 voorafgaande adviezen buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank heeft volgens [appellant] bovendien niet onderkend dat het welstandsadvies ondeugdelijk is gemotiveerd, zodat het dagelijks bestuur dat niet aan zijn besluit van 19 juli 2011 ten grondslag mocht leggen. [appellant] voert daartoe aan dat de welstandscommissie zich heeft gebaseerd op de feitelijke situatie, die niet overeenkomt met de aangevraagde vergunning. Verder stelt hij dat de welstandscommissie zonnecollectoren en zonnepanelen bij afwezigheid van objectgerichte en gebiedsgerichte welstandscriteria ten onrechte aan de algemene welstandscriteria heeft getoetst. Deze zijn volgens hem in beginsel niet zelfstandig toepasbaar. Slechts in bijzondere situaties kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria, maar dat ligt hier niet in de rede, omdat in de welstandsnota bewust geen criteria voor het plaatsen van zonnepanelen zijn opgenomen, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat het standpunt van de welstandscommissie niet is te volgen, nu blijkens haar advies van 20 april 2011 in tegenstelling tot eerdere adviezen, de architectonische waarde van zijn zogenoemde Airey-woning geen rol speelt. Hij stelt verder dat het er op lijkt dat bij de toetsing van de aanvraag rekening is gehouden met een eventuele monumentenstatus van zijn woning, terwijl hierover nog geen duidelijkheid bestaat. Verder wijst [appellant] er op dat op pagina 27 en 28 van de welstandsnota verschil wordt gemaakt tussen het bouwen van een bouwwerk aan de voor- en aan de achterkant en vanuit welstandsoptiek het bouwen aan de achterkant, zoals zich hier voordoet, in het algemeen minder kwetsbaar is, omdat dat minder zichtbaar is. Bovendien wijs hij er op dat gekozen is voor een buisconstructie, die aan de zij- en achterkant doorzichtig is, waardoor deze zo min mogelijk zichtbaar is. Dat deze oplossing is gekozen in samenspraak en met instemming van het stadsdeel heeft de welstandscommissie ten onrechte niet in haar advies meegenomen.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen of indien een aanvrager of derde-belanghebbende gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

5.2. Aangezien het besluit van 19 juli 2011 berust op het welstandsadvies van 20 april 2011, waarbij vanwege de opmerkingen van de bezwaarschriftencommissie over de eerdere welstandsadviezen het bouwplan opnieuw door de welstandscommissie is beoordeeld, heeft de rechtbank terecht de eerder uitgebrachte welstandsadviezen buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit het welstandsadvies blijkt dat de aanvraag is beoordeeld, omdat de welstandscommissie in de planbeschrijving onderscheid heeft gemaakt tussen de feitelijke situatie en de aanvraag door aan te geven dat op het dak installaties aanwezig zijn, die volgens de bij de aanvaag behorende tekening zijn verplaatst en onder een kleinere hoek op het dak zijn geplaatst. Bovendien is onder het kopje "Beoordeling" vermeld dat de zonneboiler en de panelen zowel in de huidige situatie als op de tekening zodanig op het dak zijn geplaatst dat zij duidelijk zichtbaar zijn.

Verder heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het bouwplan bij afwezigheid van gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria aan de algemene welstandscriteria dient te worden getoetst, nu op pagina 23 van de welstandnota wordt vermeld dat het nodig kan zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria als de gebieds- en objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn. Bovendien begint deze pagina met de algemene opmerking dat voor vergunningplichtige nieuwe bouwwerken algemene welstandscriteria zijn vastgesteld, die aangeven aan welke redelijke eisen van welstand elk bouwwerk moet voldoen.

Dat volgens de welstandsnota bouwen aan de voorkant in het algemeen kwetsbaarder is dan bouwen aan de achterkant, betekent voorts niet dat bij bouwen aan de achterkant toetsing aan de welstandscriteria achterwege dient te blijven. Dat [appellant] in overleg met ambtenaren van het stadsdeel heeft gekozen voor een zo min mogelijk zichtbare constructie, laat onverlet dat de zonneboiler en zonnepanelen volgens de welstandscommissie duidelijk zichtbaar en dominant aanwezig zijn en niet passend in de terughoudende en sobere vormgeving en contour van het woningblok. Dat de architectonische waarde van de woning van [appellant] in het welstandsadvies geen rol heeft gespeeld, betekent niet dat de welstandscommissie het bouwplan niet in strijd met redelijke eisen van welstand heeft kunnen achten. Niet gebleken is dat de welstandscommissie haar advies mede heeft gebaseerd op een eventuele toekomstige monumentenstatus van de woning van [appellant].

De rechtbank heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur het welstandsadvies van 20 april 2011 niet aan zijn besluit van 19 juli 2011 ten grondslag mocht leggen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur ondanks het negatieve welstandsadvies de bouwvergunning had moeten verlenen. Daartoe voert hij aan dat met het bouwplan een reële bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Hij wijst er daarbij op dat in de campagnefolder over zonnepanelen van de gemeente Amsterdam de panelen op de woning aan Baroniestraat 9 worden getoond met op de achtergrond de panelen op zijn woning en dat de zonnepanelen in de omgeving ongemoeid worden gelaten.

6.1. De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de bouwvergunning had moeten verlenen. Dat met het bouwplan de uitstoot van broeikasgassen wordt teruggedrongen, betekent niet dat het dagelijks bestuur aan het belang van redelijke eisen van welstand geen doorslaggevende betekenis mocht toekennen.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Huijben
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2012

531-757.