Uitspraak 201103930/1/R3

Datum van uitspraak: woensdag 31 oktober 2012
Tegen: de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2012:BY1730

201103930/1/R3.
Datum uitspraak: 31 oktober 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),
2. [appellant sub 2], wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
3. [appellant sub 3], wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
4. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
5. de erven [appellant sub 5], onder meer wonend te Den Haag, (hierna: [appellant sub 5]),
6. de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant het Groene Hart (hierna: Het Groene Hart), gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
7. [appellante sub 7], gevestigd te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, en anderen (hierna: [appellante sub 7]),
8. [appellant sub 8], wonend te Sint-Michielsgestel,
9. [appellant sub 9], wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
10. [appellante sub 10], gevestigd te Oirschot,
11. [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 11]), beiden wonend te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
12. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], beiden wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
13. [appellante sub 13], gevestigd te Sint-Michielsgestel, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B],
14. [appellante sub 14], gevestigd te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
15. de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V. (hierna: Gasunie), gevestigd te Groningen,
16. [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B] (hierna: in enkelvoud: [appellant sub 16]), beiden wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
17. [appellant sub 17], wonend te Sint-Michielsgestel,
18. [appellant sub 18], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
19. [appellant sub 19A] en [appellante sub 19B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 19]), beiden wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
20. [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 20]), beiden wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
21. Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie afdeling Sint-Michielsgestel (hierna: ZLTO), gevestigd te Sint-Michielsgestel,
22. [appellant sub 22], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
23. [appellant sub 23], wonend te Sint-Michielsgestel,
24. [appellant sub 24], wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
25. [appellant sub 25], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
26. [appellant sub 26], wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
27. [appellant sub 27A] en [appellante sub 27B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 27]), beiden wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
28. [appellante sub 28], gevestigd te Berlicum, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], en anderen (hierna: [appellante sub 28] en anderen),
29. [appellant sub 29], wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
30. [appellante sub 30], gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
31. [appellant sub 31], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
32. [appellant sub 32], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
33. [appellant sub 33], wonend te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
34. [appellant sub 34], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
35. [appellant sub 35], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
36. [appellant sub 36], wonend te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
37. [appellant sub 37], wonend te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,
38. [appellante sub 38]), gevestigd te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel,

en

de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad van de gemeente
Sint-Michielsgestel het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hiertegen heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 en 8 augustus 2012, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel.

Het beroep van het college

2. Ter zitting heeft het college de beroepsgrond met betrekking tot waterberging ingetrokken.

Artikel 3, lid 3.9.15, van de planregels

3. Het college richt zich in beroep onder meer tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.9.15, van de planregels. Bij besluit van 25 januari 2011 heeft het college ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een aantal reactieve aanwijzingen gegeven. Het aanwijzingsbesluit strekt er onder meer toe dat artikel 3, lid 3.9.15, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het vastgestelde plan.

3.1. Op 3 maart 2011 is het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan bekend gemaakt en ter inzage gelegd, behoudens de door de aanwijzing getroffen planregels, waaronder artikel 3, lid 3.9.15. Hierdoor heeft de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn voor het indienen van beroep tegen die planregels, waaronder artikel 3, lid 3.9.15, geen aanvang genomen.

3.2. In artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de behandeling van het bezwaar of beroep in dat geval worden aangehouden tot het begin van die termijn. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op de situatie dat de bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgevonden, maar zeker is dat de bekendmaking op afzienbare termijn zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen. De bepaling kan in dit geval geen toepassing vinden. Bij uitspraak van heden, in zaak nr. 201104172/1/R3, is het aanwijzingsbesluit onherroepelijk geworden. Wat betreft artikel 3, lid 3.9.15, van de planregels zijn de rechtsgevolgen van de aanwijzing in stand gelaten, zodat deze planregel geen deel uitmaakt van het plan en is komen te vervallen. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

Vrijkomende agrarische bebouwing

4. Het college betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.9.16, artikel 4, lid 4.9.4, artikel 5, lid 5.9.18 en artikel 6, lid 6.9.14, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert het college aan dat in deze wijzigingsbevoegdheden niet is verzekerd dat overtollige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt zodra de woonbestemming wordt toegekend. Dit is in strijd met artikel 11.1, derde lid, onder b, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 die op 1 maart 2011 in werking is getreden (hierna: de Verordening 2011). Het college wijst in dit verband op het perceel Kerkeind 26 te Gemonde waaraan een woonbestemming is toegekend, zonder dat de overtollige agrarische bebouwing is gesloopt.

4.1. De raad stelt dat de Verordening 2011 ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet in werking was getreden, zodat hiermee geen rekening kon worden gehouden. De raad stelt voorts dat artikel 11.1, derde lid, onder b, van de Verordening 2011 in de praktijk niet uitvoerbaar is, nu van een agrariër niet mag worden verwacht dat hij bij het beëindigen van zijn agrarische bedrijf en het verkrijgen van een woonbestemming, zonder tegenprestatie, al overgaat tot sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Zodra gebruik wordt gemaakt van één van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden voor een nieuwe ontwikkeling, zal er wel overgegaan moeten worden tot sloop. Op deze manier is verzekerd dat de overtollige bedrijfsbebouwing uiteindelijk zal worden gesloopt en is er geen strijd met de Verordening 2011.

4.2. De artikelen 3, 4, 5 en 6 van de planregels hebben betrekking op de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch - Paardenhouderij", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden".

Ingevolge artikel 3, lid 3.9.16, artikel 4, lid 4.9.4, artikel 5, lid 5.9.18 en artikel 6, lid 6.9.14, is het wijzigen van de betreffende bestemming met een bouwvlak en bedrijfswoning in de bestemming "Wonen" onder voorwaarden toegestaan, waarbij onder meer de voorwaarden gelden dat het bedrijf is beëindigd en de oppervlakte van het bouwvlak ten behoeve van de wijziging naar "Wonen" wordt verkleind. De woning krijgt de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing (sw-vab)".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder l, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing (sw-vab)" bestemd voor voormalige agrarische bebouwing.

In artikel 23, lid 23.10, zijn diverse wijzigingsbevoegdheden opgenomen die, onder voorwaarden, voorzien in een wijziging van de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing (sw-vab)" in andere bestemmingen, zoals "Bedrijf" of "Recreatie".

4.3. De provinciale verordening van Noord-Brabant is tot stand gekomen in twee fasen. De eerste fase is in werking getreden op 1 juni 2010 en de tweede fase is vastgesteld op 17 december 2010 en in werking getreden op 1 maart 2011. De eerste fase van de Verordening (hierna: Verordening 1e fase) is ingetrokken met de inwerkingtreding van de Verordening 2011.

Nu het plan op 16 december 2010 is vastgesteld, was de Verordening 2011 op dat moment nog niet van kracht. De raad was bij de vaststelling van het plan dan ook niet gebonden aan de daarin vervatte algemene regels. De Verordening 1e fase gold op dat moment wel, maar deze bevatte geen regeling als bedoeld in artikel 11.1, derde lid, onder b, van de Verordening 2011.

Gelet hierop vat de Afdeling het beroep van het college aldus op dat de raad bij de vaststelling van de bestreden planregels en het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing (sw-vab)" (hierna ook: "sw-vab") voor het perceel Kerkeind 26 onvoldoende rekening heeft gehouden met het toen in voorbereiding zijnde artikel 11.1, derde lid, onder b, van de Verordening 2011 en het destijds geldende provinciale beleid uit de Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: de Paraplunota) en de beleidsnota "Buitengebied in Ontwikkeling" (hierna: beleidsnota BiO).

4.4. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2011 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen.

Ingevolge het derde lid, onder b, kan een bestemmingsplan, in afwijking van het eerste lid, voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt.

4.5. In de Paraplunota staat over voormalige agrarische bedrijfslocaties (hierna: vab's) dat buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven, hergebruik van voormalige agrarische bedrijfswoningen voor burgerwoningen aanvaardbaar is. Bij deze vorm van hergebruik moeten overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt worden, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben. De beleidsnota BiO biedt voor recreatieve voorzieningen, opslagactiviteiten en hergebruik van cultuurhistorische waardevolle bebouwing ruimere toepassingsmogelijkheden voor voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.

4.6. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid, zoals de Paraplunota en de beleidsnota BiO, is gebonden. Voorts is in dit verband van belang dat artikel 11.1, derde lid, van de Verordening 2011 nog niet van kracht was. De raad dient met provinciaal beleid rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Uit de plantoelichting en de toelichting van de raad ter zitting blijkt dat de raad het provinciale beleid heeft betrokken bij de vaststelling van het plan, maar dat hij het vereiste dat overtollige agrarische bedrijfsbebouwing reeds moet worden gesloopt zodra een woonbestemming wordt toegekend niet wenst te volgen. Volgens de raad is dit een onredelijk vereiste voor een stoppende agrariër en heeft hij daarom de vereiste sloop van overtollige agrarische bebouwing doorgeschoven naar het moment dat zich een nieuwe ontwikkeling voordoet op een bepaald perceel. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de raad het provinciale beleid onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken. Er is geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid artikel 3, lid 3.9.16, artikel 4, lid 4.9.4, artikel 5, lid 5.9.18 en artikel 6, lid 6.9.14, van de planregels heeft kunnen vaststellen en aan het perceel Kerkeind 26 de bestemming "Wonen" en de aanduiding "sw-vab" heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

4.7. In hetgeen het college in zoverre in zijn beroep tegen het plan heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gelet op zijn beleidsvrijheid bij het vaststellen van een plan, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciaal beleid voldoende is betrokken bij de vaststelling van het plan. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Uitbreidingsmogelijkheden intensieve veehouderij

5. Het college betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.9.11, sub i en j, artikel 5, lid 5.9.11, sub i en j, en artikel 6, lid 6.9.11, sub i en j, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Deze planregels zijn in strijd zijn met de Verordening 2011, omdat uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen ten onrechte ook mogelijk zijn in extensiveringsgebieden. Daarnaast voorzien deze planregels ten onrechte in vergroting van bouwvlakken na 1 januari 2013.

5.1. De raad erkent dat het woord "niet" abusievelijk in sub i van deze wijzigingsbevoegdheden is opgenomen. Voorts heeft hij erkend dat in sub j van de betreffende wijzigingsbevoegdheden had moeten worden opgenomen dat eenmalig en uiterlijk tot 1 januari 2013 vergroting van het bouwvlak is toegestaan.

5.2. Nu de raad zich, gelet op het voorgaande, in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

5.3. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.9.11, sub i en j, artikel 5, lid 5.9.11, sub i en j, en artikel 6, lid 6.9.11, sub i en j, van de planregels, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Geiten- en schapenhouderijen

6. Het college betoogt dat de definitie van intensieve veehouderij in artikel 1, onder 1.66, van de planregels ten onrechte niet geiten- en schapenhouderijen uitsluit, waardoor ontwikkelingsmogelijkheden zoals uitbreiding, hervestiging en omschakeling van en naar een intensieve geiten- of schapenhouderij niet zijn uitgesloten. Dit is in strijd met de Verordening 2011.

6.1. De raad heeft erkend dat de definitie van intensieve veehouderij abusievelijk niet is aangepast.

6.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

6.3. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 1, onder 1.66, van de planregels, voor zover daarbij geiten- en schapenhouderijen niet zijn uitgesloten, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De Afdeling ziet in verband met deze vernietiging aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, die geldt totdat voor dit planonderdeel een nieuw plan is vastgesteld en in werking is getreden.

Wijzigingsbevoegdheid verplaatsen bouwvlak

7. Het college betoogt dat de raad artikel 5, lid 5.9.17 en artikel 6, lid 6.9.13, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert het college aan dat deze planregels niet verzekeren dat de woning met bijgebouwen op het te verplaatsen bouwvlak wordt gesloopt, zodat het mogelijk is dat binnen een verplaatst bouwvlak een nieuwe woning wordt gebouwd, terwijl de bestaande woning blijft staan. Dat is in strijd met artikel 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2011.

7.1. De raad heeft erkend dat in deze planregels verzekerd had moeten worden dat de sloop van de bestaande woning ook daadwerkelijk plaatsvindt en dit ten onrechte niet is gebeurd.

7.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

7.3. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 5, lid 5.9.17 en artikel 6, lid 6.9.13, van de planregels, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Wijzigingsbevoegdheid voor tweede bedrijfswoning

8. Het college betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.9.1, artikel 5, lid 5.9.1 en artikel 6, lid 6.9.1, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld, omdat deze wijzigingsbevoegdheden in strijd met artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening 2011 een tweede bedrijfswoning mogelijk maken.

8.1. De artikelen 3, 5 en 6 van de planregels hebben betrekking op de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden".

Ingevolge artikel 3, lid 3.9.1, artikel 5, lid 5.9.1 en artikel 6, lid 6.9.1, is het oprichten van een eerste of tweede bedrijfswoning toegestaan, indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden.

Ingevolge 3, lid 3.9.1, onder c, artikel 5, lid 5.9.1, onder c, en artikel 6, lid 6.9.1, onder c, is het oprichten van een tweede bedrijfswoning uitsluitend toegestaan wanneer sprake is van twee bedrijfshoofden of bedrijfsleiders.

8.2. Ingevolge artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening 2011 kan een bestemmingsplan, in afwijking van het eerste lid, voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning ten behoeve van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf binnen het bij dat bedrijf behorende bouwblok of bestemmingsvlak mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is;

b. de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezig, doch afgestoten bedrijfswoning;

c. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren, onverlet het bepaalde in artikel 2.2 in verband met de kwaliteit van het landschap.

8.3. De Afdeling stelt vast dat artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening 2011 ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet van kracht was. De Verordening 1e fase, die gold ten tijde van de vaststelling van het plan, kende geen vergelijkbare algemene regel. In de Paraplunota was echter wel voorzien in restrictief provinciaal beleid over tweede bedrijfswoningen en voormelde algemene regel was in voorbereiding. In zoverre was sprake van bestendig provinciaal beleid en niet is gebleken dat de raad hier rekening mee heeft gehouden. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat voormelde planregels in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid.

8.4. Het beroep van het college is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.9.1, artikel 5, lid 5.9.1 en artikel 6, lid 6.9.1, van de planregels, voor zover een tweede bedrijfswoning mogelijk is, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De beroepen van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen de natuurbegraafplaats, [appellant sub 3] en [appellant sub 4]

Procedurele bezwaren

9. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduidingen "begraafplaats" en "leefgebied van dassen" aan de Hooghei in Berlicum heeft vastgesteld.

[appellant sub 2] en [appellant sub 4] voeren daartoe een aantal procedurele bezwaren aan. [appellant sub 2] betoogt dat de ruimtelijke onderbouwing "Natuurbegraafplaats Hooghei" van september 2009 van het bureau Praedium ten onrechte niet bij het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen en evenmin ter inzage heeft gelegen bij het vastgestelde plan en niet elektronisch beschikbaar is gesteld. [appellant sub 4] betoogt dat het in de onderbouwing genoemde verkeersonderzoek ten onrechte geen deel uitmaakte van de ter inzage gelegde stukken. [appellant sub 2] betoogt dat in de onderbouwing weliswaar staat dat er vooroverleg heeft plaatsgevonden met het waterschap Aa en [appellant sub 18], maar dat hieruit niet blijkt dat het waterschap daarmee heeft ingestemd.

9.1. De Afdeling is, anders dan de raad, van oordeel dat bedoelde ruimtelijke onderbouwing een op het ontwerp van het plan betrekking hebbend stuk is dat op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb ter inzage had moeten worden gelegd bij het ontwerpplan, nu dit stuk door de raad is gebruikt ter onderbouwing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de beoogde natuurbegraafplaats. Daarbij is van belang dat in de plantoelichting een lijst staat waarin de ontwikkelingen zijn genoemd die in dit plan zijn opgenomen en per ontwikkeling verwezen wordt naar afzonderlijke ruimtelijke onderbouwingen. Dit betreft onder meer de beoogde natuurbegraafplaats. De Afdeling ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Gebleken is dat [appellant sub 2] heeft verzocht om inzage in de ruimtelijke onderbouwing en dat deze aan hem is toegezonden op het moment dat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen met betrekking tot het ontwerpplan nog liep. [appellant sub 2] heeft dit stuk dan ook kunnen betrekken bij zijn zienswijze omtrent het ontwerpplan. Niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze, omdat de ruimtelijke onderbouwing niet met het ontwerpplan ter inzage lag. De ruimtelijke onderbouwing is immers in de toelichting op het ontwerpplan vermeld en aangenomen mag worden dat eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage liggen van de ruimtelijke onderbouwing, dan wel dat zij, na desgevraagd inzage gekregen te hebben in de ruimtelijke onderbouwing, na kennisneming daarvan een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht.

In de ruimtelijke onderbouwing zijn de verkeersgevolgen van de aanleg van de natuurbegraafplaats beschreven. Anders dan [appellant sub 4] meent, is er geen afzonderlijk verkeersonderzoek, zodat dit ook geen deel kon uitmaken van stukken die ter inzage hadden moeten worden gelegd.

Over het betoog dat de ruimtelijke onderbouwing niet ter inzage heeft gelegen bij het vastgestelde plan en evenmin elektronisch beschikbaar is gesteld, wordt overwogen dat dit ziet op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en reeds daarom de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten en geen grond kunnen vormen voor de vernietiging hiervan.

In de plantoelichting staat voorts op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Uit paragraaf 4.2 van de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er een watertoets is uitgevoerd ten behoeve van de natuurbegraafplaats. Het betoog van [appellant sub 2] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende met de belangen van het waterschap rekening is gehouden ofwel dat anderszins in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b of c, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is gehandeld.

De betogen falen.

Materiële bezwaren

10. [appellant sub 2] voert aan dat door de aanduiding "begraafplaats" niet de beoogde natuurbegraafplaats mogelijk is gemaakt. Weliswaar is het begrip "natuurbegraafplaats" opgenomen in de definitiebepalingen van het plan, maar daaraan komt geen betekenis toe, nu deze aanduiding niet is toegekend aan het betreffende gebied. Daarnaast voert hij aan dat in de beantwoording van de zienswijze staat dat de bestemming "Bos" gewijzigd zou worden in de bestemming "Natuur", maar dat deze wijziging niet is doorgevoerd.

[appellant sub 4] voert in dit verband aan dat de aanduiding en de bestemming niet bij elkaar horen, in strijd zijn met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2008) en dat de bouwregels gebrekkig zijn. Verder voeren [appellant sub 4] en [appellant sub 3] aan dat de voorziene begraafplaats niet verenigbaar is met de aanduiding "leefgebied voor dassen" en dat bestaande dassenburchten kunnen worden aangetast. [appellant sub 2] en [appellant sub 4] voeren aan dat de voorziene begraafplaats in strijd is met het Besluit op de lijkbezorging (hierna: Blb) en de Verordening 1e fase. [appellant sub 2], [appellant 3] en [appellant sub 4] vrezen voorts negatieve gevolgen voor het grondwater, de bodem en de archeologische waarden alsmede verkeers- en parkeeroverlast. Zij wijzen er op dat niet is voorzien in een piëteitszone en dat onvoldoende parkeerplaatsen zijn voorzien. Zij stellen dat hun belangen onvoldoende gewicht hebben gekregen en dat hun bedrijfsvoering of woon- en leefklimaat ernstig wordt aangetast. Tot slot voeren zij aan dat het bestreden plandeel niet uitvoerbaar zal zijn.

10.1. De raad stelt zich, onder verwijzing naar voormelde ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt dat de voorziene begraafplaats ter plaatse in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en niet in strijd is met de Verordening 1e fase. Verder is het plandeel uitvoerbaar zonder in strijd te handelen met het Blb. De voorziene begraafplaats zal tevens kunnen gaan functioneren als foerageergebied voor dassen. Uit onderzoek is gebleken dat beide functies met elkaar verenigbaar zijn. De raad is van mening dat nu voorzien is in voldoende parkeerplaatsen, de gevreesde verkeers- en parkeeroverlast zich niet zal voordoen.

10.2. Ingevolge artikel 1, onder 1.80, van de planregels wordt onder natuurbegraafplaats verstaan: een terrein dat deel uitmaakt van een bos- en/of natuurgebied waar mensen worden begraven, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van onbehandelde/onbewerkte natuurlijke materialen.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, b, c en o, zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van het bos met de daarop afgestemde bosbouw, instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden, ter plaatse van de aanduiding "begraafplaats" een begraafplaats en ter plaatse van de aanduiding "leefgebied van dassen" het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden voor het op de verbeelding aangeduide leefgebied van dassen.

Ingevolge lid 8.2, onder a, mag op deze gronden niet worden gebouwd, behoudens het bepaalde in sub b en c.

Ingevolge lid 8.2, onder c, gelden ter plaatse van de aanduiding "begraafplaats" de volgende bouwregels:

1. het aantal parkeerplaatsen bedraagt 30;

2. de maximale oppervlakte voor het gebouw bedraagt 240 m²;

3. de hoogte van het gebouw mag maximaal 7 meter bedragen;

4. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 2 m bedragen.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder c, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - natuurbegraafplaats" bestemd voor een natuurbegraafplaats.

10.3. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Blb bevindt zich boven de kist of het omhulsel een laag grond van ten minste vijfenzestig centimeter.

Ingevolge het vierde lid bevinden de graven zich ten minste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand.

Ingevolge artikel 6 bedraagt de afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats ten minste één meter.

10.4. Ingevolge artikel 3.1.3, eerste lid, onder a en b, van de Verordening 1e fase strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

10.5. Op de verbeelding van het vastgestelde plan is aan het betreffende gebied de bestemming "Bos" en de aanduidingen "begraafplaats" en "leefgebied van dassen" toegekend. In de bij het besluit tot vaststelling behorende zienswijzennota staat dat bij de vaststelling van het plan de bestemming "Bos" zal worden gewijzigd in de bestemming "Natuur" met de aanduiding "natuurbegraafplaats". Dit is echter niet gebeurd, zodat de verbeelding in zoverre niet overeenstemt met het besluit tot vaststelling. Dit klemt te meer nu de raad in dit geval ter plaatse uitsluitend een natuurbegraafplaats heeft willen mogelijk maken en geen reguliere begraafplaats. Het bestreden besluit en het plandeel zijn, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

De betogen dat is gehandeld in strijd met de SVBP 2008 door aan gronden met de bestemming "Bos" de functieaanduiding "begraafplaats" toe te kennen en dat het begrip "begraafplaats", anders dan het begrip "natuurbegraafplaats", niet is gedefinieerd behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking. Bij de bespreking van de overige beroepsgronden zal worden uitgegaan van de beoogde natuurbegraafplaats, en niet van de per abuis voorziene reguliere begraafplaats, omdat anders aan deze beroepsgronden niet kan worden toegekomen.

10.6. Over het betoog dat het plandeel niet uitvoerbaar is zonder in strijd te handelen met artikel 5 van het Blb overweegt de Afdeling als volgt. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat in het inrichtingsplan voor de natuurbegraafplaats rekening zal worden gehouden met de eisen uit het Blb en dat graven zullen worden gedolven waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper is dan 145 cm. Uit het deskundigenbericht volgt dat er op het perceel hoogteverschillen zijn en dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand niet op het gehele perceel gelijk zal zijn. Dienaangaande is ter zitting toegelicht dat ongeveer 50% van het gebied benut kan worden voor graven. Met name de hoger gelegen delen, waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper is dan 145 cm, zullen worden gebruikt om graven te delven. Daar waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand niet dieper is dan 145 cm, zullen geen graven worden gedolven. Niet aannemelijk is gemaakt dat het plandeel niet uitvoerbaar is, zonder in strijd te handelen met artikel 5 van het Blb. Het betoog faalt.

10.7. Over het betoog dat de beoogde natuurbegraafplaats door de ligging in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) in strijd is met de Verordening 1e fase en overig provinciaal beleid wordt als volgt overwogen. Niet in geschil is dat het gebied in de EHS ligt. Er is een onderzoek verricht naar de aanwezige natuurwaarden in dit gebied. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Huidige natuurwaarden en ontwikkelingsmogelijkheden" van Bosgroep Zuid-Nederland (hierna: het natuuronderzoek). Hieruit volgt dat de natuurwaarden van het betreffende gebied niet bijzonder zijn. De bossen zijn sterk beïnvloed door menselijk handelen, de biodiversiteit is laag en er komen geen bijzondere soorten of gemeenschappen voor. Over de waardering van de toekomstige ontwikkeling staat in het onderzoek dat bij een gerichte ingreep in het bos de menselijke invloed op bepaalde terreindelen sterk verminderd kan worden en dat de biodiversiteit in het gebied kan verbeteren. De ontwikkeling brengt volgens de raad een kwaliteitsverbetering van het gebied met zich, omdat de natuurontwikkeling niet plaatsvindt als er geen natuurbegraafplaats wordt aangelegd. Niet is gebleken dat dit onjuist is. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een natuurbegraafplaats ter plaatse geen aantasting van de waarden en kenmerken van het gebied met zich brengt als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, onder a en b, van de Verordening 1e fase.

Voor zover is betoogd dat de natuurbegraafplaats in strijd is met de Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling (hierna: de Interimstructuurvisie), overweegt de Afdeling dat de raad niet aan dergelijk provinciaal beleid is gebonden, maar hiermee wel rekening dient houden. In de Interimstructuurvisie staat dat er ruimte wordt geboden aan gewenste ontwikkelingen in het buitengebied. Voorwaarde daarbij is dat de kwaliteit van de landschappelijke ontwikkeling een volwaardige plek heeft gekregen in de planontwikkeling, dat onnodige verstening wordt voorkomen en dat overbodige bebouwing zoveel als mogelijk wordt gesaneerd. Uit de onderbouwing volgt dat voor de gewenste ontwikkeling om het gebied in gebruik te nemen als natuurbegraafplaats het gebied zal worden omgevormd van productiebos naar een natuurlijk gebiedseigen loofbos. Gelet op het voorgaande heeft de raad in zoverre rekening gehouden met het voormelde provinciale beleid. De betogen falen.

10.8. Over de gevreesde verontreiniging van het grondwater en de bodem als gevolg van de beoogde natuurbegraafplaats wordt overwogen dat naar de bestaande bodemverontreiniging en de gevolgen van een natuurbegraafplaats voor de bodem en het grondwater onderzoek is verricht. In voormeld bodemonderzoek staat dat er geen belemmeringen zijn voor het gebruik van deze gronden als natuurbegraafplaats. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit bodemonderzoek zodanige gebreken vertoont dat de raad zich hier niet op heeft mogen baseren. De betogen falen.

10.9. Bij de betogen tegen de aanduiding "leefgebied van dassen" is van belang dat op de gronden van de beoogde natuurbegraafplaats geen dassenburcht aanwezig is en dat deze gronden thans niet bijzonder geschikt zijn voor dassen. De aanduiding "leefgebied van dassen" heeft tot doel ter plaatse te voorzien in extra foerageergebied voor dassen. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op de op grond van het Blb voorgeschreven diepte van graven, het onwaarschijnlijk is dat foeragerende dassen graven zullen gaan verstoren. De betogen falen.

10.10. Voor zover [appellant sub 4] en [appellant sub 2] aanvoeren dat archeologische waarden zich verzetten tegen de aanleg van een natuurbegraafplaats overweegt de Afdeling dat voor de ruimtelijke onderbouwing in 2009 een archeologisch bureau-onderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen door het onderzoeksbureau ARC is verricht. In het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen gebieden met een lage trefkans en gebieden waar het oorspronkelijke bodemprofiel nog intact is. Voor laatstgenoemde gebieden wordt nader onderzoek aanbevolen. Uit de onderbouwing blijkt dat alleen de gebieden met een lage trefkans vooralsnog zullen worden gebruikt voor graven. Wanneer het in de toekomst noodzakelijk zal zijn om graven te maken in gronden met een hogere trefkans zal vervolgonderzoek worden verricht.

De Afdeling overweegt dat de raad ingevolge 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen. In dit verband is naar de archeologische waarden in de gronden onderzoek verricht. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, nu het feit dat op enkele locaties mogelijk nog vervolgonderzoek zal plaatsvinden niet reeds met zich brengt dat in dit geval met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten geen rekening is gehouden bij de vaststelling van het plan. Nu vooralsnog alleen de gebieden met een lage trefkans zullen worden gebruikt voor graven is evenmin aannemelijk dat archeologische waarden aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.

Het betoog faalt.

10.11. Over de financiële uitvoerbaarheid staat in de ruimtelijke onderbouwing dat de natuurbegraafplaats door de initiatiefnemer zal worden aangelegd en beheerd. Er is een exploitatieopzet voor de natuurbegraafplaats gemaakt. De raad heeft het voorgaande in zijn belangenafweging betrokken en heeft het plandeel financieel uitvoerbaar geacht. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de financiële uitvoerbaarheid te twijfelen. Het betoog faalt.

10.12. Bij de betogen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] over de gebrekkige bouwregels en de aan te houden afstand tot andere functies is van belang dat op de verbeelding weliswaar een bouwvlak staat, maar dat in artikel 8, lid 8.2, onder a en c, van de planregels ten onrechte niet is vastgelegd dat uitsluitend binnen dit bouwvlak mag worden gebouwd. Derhalve maakt het plan mogelijk dat overal op de gronden met de aanduiding "begraafplaats" mag worden gebouwd. Dit brengt onder meer met zich dat vlakbij het woonperceel van [appellant sub 4] en het recreatiepark van [appellant sub 2] kan worden gebouwd. Dit heeft de raad niet beoogd.

In verband met aan te houden afstanden tot andere functies heeft [appellant sub 2], onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, in zaak nr. 200905023/1/R3, terecht betoogd dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te bezien of de bouw- en gebruiksmogelijkheden van een natuurbegraafplaats, in verband met de daarbij horende rust en ingetogenheid, zich verhouden met de mogelijkheden van de in de omgeving aanwezige voorzieningen. Dat in artikel 6 van het Blb is bepaald dat de afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats ten minste 1 m bedraagt, ontslaat de raad niet van zijn verplichting om in het kader van een goede ruimtelijke ordening te bezien of had moeten worden voorzien in een zogenoemde piëteitszone. Daarbij had de raad tevens de belangen van het aangrenzende recreatiepark van [appellant sub 2] en het belang van [appellant sub 4] bij zijn woon- en leefklimaat moeten betrekken. Niet is gebleken dat de raad het voorgaande in zijn belangenafweging heeft betrokken. Deze betogen slagen.

10.13. Voor de parkeerbehoefte heeft de raad verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. Uit deze onderbouwing blijkt dat is uitgegaan van een parkeerbehoefte van 30 parkeerplaatsen. In het plan is hier ook van uitgegaan. Het aantal parkeerplaatsen is gebaseerd op een natuurbegraafplaats van ongeveer 10 ha groot, 6.000 tot 8.000 graven en ongeveer één begrafenis per dag. Nu echter geen enkel parkeeronderzoek is verricht is niet inzichtelijk waarom 30 parkeerplaatsen in dit geval voldoende zouden zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de raad desgevraagd het beoogde aantal van 30 parkeerplaatsen niet kon toelichten en ter zitting is gebleken dat er geen rekening is gehouden met de ligging van de beoogde natuurbegraafplaats buiten de bebouwde kom waardoor aannemelijk is dat het merendeel van de bezoekers van een begrafenis met de auto zullen komen. Voorts is niet gebleken dat, naast het verkeer in verband met begrafenissen, rekening is gehouden met bezoekers van graven die ook met de auto kunnen komen. De betogen slagen.

10.14. In hetgeen is aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "begraafplaats" is genomen in strijd met de rechtszekerheid en de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn gegrond en het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 2] voor het overige

11. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond over de maximale oppervlaktematen voor chalets en zomerhuizen ingetrokken.

11.1. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduidingen "kampeerterrein", "specifieke vorm van horeca - restaurant" en "maximum bebouwd oppervlak (850 m²)" aan de [locatie 1] te Berlicum heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de mogelijkheden voor ondergeschikte horeca te beperkt zijn, omdat het pannenkoekenrestaurant de toegestane oppervlakte van 100 m² al overschrijdt. Hij voert voorts aan dat met de toegestane oppervlakte van 850 m² aan bebouwd oppervlak geen rekening is gehouden met alle ter plaatse aanwezige bebouwing. Er zijn te weinig bouwmogelijkheden en ten onrechte is een deel van de bebouwing onder het overgangsrecht gebracht.

Hij betoogt verder dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en "Bos" ten noordwesten, onderscheidenlijk ten oosten van zijn recreatiepark heeft vastgesteld. Aan die plandelen had de bestemming "Recreatie" moeten worden toegekend. Daartoe voert hij aan dat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft gehouden met zijn uitbreidingsplannen, terwijl hierover reeds vanaf 2007 overleg is gevoerd en de noodzaak daartoe is aangetoond met een bedrijfsplan. Hij stelt verder dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ten noordwesten van het recreatiepark ten onrechte geen boerengolf is toegestaan, terwijl dit gebruik was toegestaan en al jaren plaatsvindt. Volgens [appellant sub 2] valt boerengolf onder de definitie van extensief recreatief medegebruik.

11.2. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om het maximum aan bebouwd oppervlak van 850 m² te vergroten, omdat dit oppervlak alleen geldt voor het toiletgebouw, het pannenkoekenrestaurant met receptie en de overige bedrijfsgebouwen. Bij de vaststelling van het plan kon geen rekening worden gehouden met de uitbreidingsplannen omdat het plan zich bij het kenbaar maken hiervan al in een te ver gevorderd stadium bevond. Daarnaast bestaat hierover onvoldoende zekerheid. Ten slotte stelt de raad dat boerengolf niet is toegestaan en ook niet was toegestaan op grond van het voorheen geldende plan, omdat het geen extensief recreatief medegebruik is.

11.3. Aan het recreatiepark is de bestemming "Recreatie" toegekend met de aanduidingen "kampeerterrein", "specifieke vorm van horeca - restaurant" en "maximum bebouwd oppervlak (850 m²)".

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

e. ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein", een kampeerterrein;

f. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - restaurant", een restaurant;

(…);

m. ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel ten behoeve van de recreatieve functie met een maximale oppervlakte van 100 m²;

(…).

Ingevolge lid 15.2.2, gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende bepalingen:

(…);

f. de maximale oppervlakte aan bebouwing binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan, tenzij aangegeven is wat de maximale bebouwde oppervlakte mag bedragen. De maximale oppervlakte aan bebouwing mag dan niet meer bedragen dan is aangegeven, met uitzondering van het bepaalde in sub g;

g. ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein" worden bij de aangegeven maximale oppervlakte aan bebouwing de zomerhuisjes, chalets en trekkershutten niet meegerekend.

11.4. Aan de gronden ten noordwesten van het recreatiepark is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, voor zover van belang, zijn deze gronden mede bestemd voor extensief dagrecreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 1, onder 1.52, wordt onder extensieve recreatie verstaan: die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

11.5. In het voorheen geldende plan hadden de gronden ten noordwesten van het recreatiepark de bestemming "Agrarisch gebied" en was ter plaatse extensief dagrecreatief medegebruik toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 34, van de voorschriften van dat plan wordt onder extensieve dagrecreatie verstaan: die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

11.6. Het ter plaatse legaal aanwezige pannenkoekenrestaurant heeft een oppervlakte van 400 m². Dit restaurant is volgens de raad te groot om als ondergeschikte horeca te kunnen worden aangemerkt en is daarom als zodanig bestemd. Gelet op artikel 15, lid 15.1, onder f, van de planregels en de toegekende aanduiding "specifieke vorm van horeca - restaurant" stelt de Afdeling vast dat dit het geval is. Voor de vrees dat het restaurant zou zijn aangemerkt als ondergeschikte horeca met een maximale oppervlakte van 100 m² bestaat dan ook geen aanleiding. Het betoog faalt.

11.7. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] over het maximum bebouwd oppervlak van 850 m² heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat het legaal aanwezige zwembad van 145 m² niet is meegerekend bij de toegestane bebouwingsoppervlakte. Volgens de raad zijn bij het maximale bebouwde oppervlak alleen gebouwen gerekend en geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De Afdeling is van oordeel dat bij het bepalen van het maximum bebouwd oppervlak alle legaal aanwezige bebouwing moet worden meegerekend en dat daartoe ook het zwembad hoort, nu dit een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is. Nu voor het recreatieterrein een maximum bebouwd oppervlak geldt van 850 m², is niet alle legaal aanwezige bebouwing als zodanig bestemd. De raad heeft dit niet onderkend, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (850 m²)" niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

11.8. In 2007 heeft [appellant sub 2] in een ruimtelijke onderbouwing zijn uitbreidingsplannen kenbaar gemaakt bij de gemeente. Op de gronden ten oosten van het recreatiepark met de bestemming "Bos" wil hij een natuurkampeerplaats met 50 standplaatsen en op de gronden ten noordwesten van het recreatiepark met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" wil hij 55 recreatiewoningen bouwen. Op 23 juli 2010 heeft [appellant sub 2], tegelijk met zijn zienswijze, een bedrijfsplan met een verzoek voor uitbreiding van het recreatiepark ingediend. Het bedrijfsplan geeft een overzicht van de bestaande en de toekomstige situatie, de noodzaak van de uitbreiding en de effecten ervan op de bodem, flora en fauna en de waterhuishouding. Voorts bevat het bedrijfsplan een financiële onderbouwing. Op 7 juni 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om in principe mee te werken aan het verzoek om het recreatiepark aan de oostzijde uit te breiden. Daarnaast is besloten geen medewerking te verlenen aan het verzoek om op het plandeel ten noordwesten van het recreatiepark 55 recreatiewoningen te bouwen omdat dit in strijd is met artikel 11.9 van de Verordening 2011.

11.9. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2011 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits:

a. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m²;

b. is verzekerd dat de overtollige bebouwing wordt gesloopt;

c. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven.

Ingevolge artikel 11.9, tweede lid, kan in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een complex van recreatiewoningen, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot:

a. binnen de groenblauwe mantel, een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 hectare;

b. een grootschalige voorziening.

11.10. De Afdeling is in dit geval van oordeel dat de raad in het kader van dit plan een ruimtelijke afweging had behoren te maken wat betreft de uitbreiding van het recreatiepark aan de oostzijde. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan immers bij uitstek het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke, toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. Er bestaat aanleiding nieuwe ontwikkelingen inhoudelijk te beoordelen als ten tijde van de vaststelling van het plan een redelijke mate van zekerheid bestaat over de ruimtelijke en milieuhygiënische gevolgen daarvan. In dit kader is van belang dat [appellant sub 2] ten aanzien van zijn uitbreidingsplannen een redelijk onderbouwd bedrijfsplan heeft ingediend en het gemeentebestuur hier al enige tijd van op de hoogte was. Zo heeft het college van burgemeester en wethouder al eerder besloten om in principe mee te werken aan het verzoek om uitbreiding aan de oostzijde van het recreatiepark, omdat is gebleken dat de ontwikkeling zou passen binnen de in voorbereiding zijnde Verordening 2011. De gestelde omstandigheid dat bij de vaststelling van het plan geen rekening kon worden gehouden met de uitbreidingsplannen van [appellant sub 2], omdat het plan zich bij het kenbaar maken hiervan al in een te ver gevorderd stadium bevond, ziet eraan voorbij dat [appellant sub 2] zijn uitbreidingsplannen al in juli 2010 aan het gemeentebestuur kenbaar maakte en het college in juni 2011 zich in beginsel bereid verklaarde aan een uitbreiding aan de oostzijde planologische medewerking te verlenen. Onder die omstandigheden is zonder nadere uitleg onvoldoende gemotiveerd waarom aan de raad geen voorstel kon worden gedaan om met de uitbreidingsplannen van [appellant sub 2] aan de oostzijde rekening te houden. Gelet hierop is ook het standpunt van de raad dat bij de vaststelling van het plan geen rekening kon worden gehouden met de uitbreidingsplannen niet draagkrachtig gemotiveerd. Het betoog slaagt.

11.11. Met betrekking tot de gewenste uitbreiding aan de noordwestzijde van het recreatiepark is van belang dat de beoogde uitbreiding een oppervlakte heeft van 3 ha. Nu ingevolge artikel 11.9, tweede lid, van de in voorbereiding zijnde Verordening 2011 een uitbreiding van een complex van recreatiewoningen niet mocht leiden tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 ha, was de gewenste uitbreiding hiermee niet in overeenstemming. De raad heeft met deze omstandigheid terecht rekening gehouden en derhalve bij de vaststelling van het plan niet hoeven te voorzien in een uitbreiding aan de noordwestzijde van het recreatiepark. Het betoog faalt.

11.12. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat boerengolf onder de definitie van extensief recreatief medegebruik valt, is de Afdeling van oordeel dat dat niet het geval is, nu dit geen vorm van recreatie betreft die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving als bedoeld in dit plan en het voorheen geldende plan. Het betoog faalt.

11.13. Voor het overige heeft [appellant sub 2] zich in zijn beroep beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze dan wel het herhalen hiervan.

De Afdeling overweegt dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in zijn beroep noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

11.14. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond, voor zover het betreft de maatvoeringsaanduiding "maximum bebouwd oppervlak (850 m²)" op het plandeel met de bestemming "Recreatie" aan de [locatie 1] en het plandeel met de bestemming "Bos" ten oosten van [locatie 1], zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De Afdeling ziet voorts in verband met de vernietiging van de maatvoeringsaanduiding aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, die geldt totdat voor dit planonderdeel een nieuw plan is vastgesteld en in werking is getreden om te voorkomen dat ter plaatse geen maximum bebouwd oppervlak geldt.

Het beroep van [appellant sub 5]

12. Ter zitting heeft [appellant sub 5] de beroepsgrond over de Rosmalense Aa ingetrokken.

12.1. Het beroep van [appellant sub 5], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en het bouwvlak aan de [locatie 2] te Berlicum en artikel 8, lid 8.5.4, van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

12.2. [appellant sub 5] betoogt dat aan vier percelen ten noorden van [locatie 3] te Berlicum en aan zes percelen ten oosten van het landgoed de Wamberg te Berlicum ten onrechte de bestemming "Bos" is toegekend. Hierdoor dalen de percelen in waarde. Volgens [appellant sub 5] had aan de percelen, net als in het voorheen geldende plan, een agrarische bestemming moeten worden toegekend.

12.3. De raad erkent dat er geen aanleiding was om aan de vier percelen ten noorden van [locatie 3] de bestemming "Bos" toe te kennen en dat de agrarische bestemming had moeten worden gehandhaafd. Ten aanzien van vijf percelen ten oosten van het landgoed de Wamberg erkent de raad eveneens dat er geen aanleiding was om daaraan de bestemming "Bos" toe te kennen.

Met betrekking tot het perceel ten oosten van het landgoed de Wamberg, dat plaatselijk bekend staat als "De Hoef", heeft de raad ter zitting erkend dat, mede met het oog op het voortzetten van het agrarische gebruik ter plaatse en het feit dat ter plaatse geen volwaardig bos wordt beoogd, de bestemming "Bos" minder geschikt is. Niet meer in geschil is dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" de meest aangewezen bestemming is voor het perceel.

Nu de raad zich ten aanzien van voormelde percelen op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze plandelen betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

12.4. [appellant sub 5] betoogt dat de raad aan de weg ten zuiden van [locatie 4] te Berlicum ten onrechte de bestemming "Verkeer - Zandpad" heeft toegekend.

12.5. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de weg ten zuiden van [locatie 4] de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" had moeten worden toegekend, maar dat dit abusievelijk niet is gebeurd bij de vaststelling. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit plandeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

12.6. [appellant sub 5] betoogt dat de raad aan de gronden ten oosten van de Zuid-Willemsvaart te Berlicum ten onrechte de bestemming "Water - Vaarweg" heeft toegekend. Hij voert aan dat de raad ten onrechte niet tegemoet is gekomen aan de zienswijze, omdat de bestemming "Water - Vaarweg" nog steeds recreatie, waaronder fietspaden mogelijk maakt. [appellant sub 5] vreest dat de aanleg van een fietspad ter plaatse de aanwezige dassenburcht zal verstoren. Hij wijst in dit verband op een samenwerkingsovereenkomst waarin staat dat er geen recreatie en fietspaden zouden worden toegestaan aan de oostzijde van de Zuid-Willemsvaart.

12.7. De gronden ten oosten van de Zuid-Willemsvaart hebben de bestemming "Water - Vaarweg" en de aanduiding "leefgebied van dassen".

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder g en v, van de planregels zijn de voor "Water - Vaarweg" aangewezen gronden onder meer bestemd voor zand- en fietspaden en onderhoudswegen en extensief recreatief medegebruik.

12.8. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het niet de bedoeling was om op de gronden ten oosten van de Zuid-Willemsvaart recreatief medegebruik en fietspaden mogelijk te maken. Nu de raad dergelijk gebruik heeft willen uitsluiten, maar zulks bij de vaststelling van het plan niet is geschied, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

12.9. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft voormelde plandelen met de bestemming "Bos", het plandeel met de bestemming "Verkeer - Zandpad" en het plandeel met de bestemming "Water - Vaarweg", voor zover ter plaatse extensief recreatief medegebruik en fietspaden zijn toegestaan en het de gronden betreft van de erven [appellant sub 5] ten oosten van de Zuid-Willemsvaart dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De plandelen met de bestemmingen "Bos" en "Verkeer - Zandpad" zijn aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaarten 2, 2A en 3.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van Het Groene Hart

13. Het Groene Hart betoogt dat de raad diverse planonderdelen ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij onder meer aan dat de bekendmaking van het vaststellingsbesluit en de digitale beschikbaarstelling van het plan en daarbij behorende stukken gebrekkig was en dat onvoldoende op haar zienswijze is ingegaan. Zij voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de waarde van het agrarische gebied en dat de compensatieregelingen ontoereikend zijn. Verder voert zij aan dat het gebied "Kloosterstraat" geen agrarische bestemming had moeten krijgen. Zij betoogt dat het onderzoek naar de archeologische waarden onvolledig is geweest en dat de cultuurhistorische en archeologische waarden onvoldoende zijn beschermd. Verder is ten onrechte geen ecologische verbinding opgenomen tussen het Aa-dal en Dommeldal en heeft de aanleg van het zogenoemde dynamische beekdal een ernstige aantasting van het Aa-dal tot gevolg. Zij betoogt dat ten onrechte is voorzien in een algemene uitbreiding van agrarische bouwblokken tot 1,5 ha en bij gebieden die zijn aangemerkt als AHS-landbouw tot 2,5 ha. Verder voorziet het plan ten onrechte in tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Tot slot voert zij aan dat ten onrechte is voorzien in zogenoemde nieuwe landgoederen. Daarbij is van belang dat de aanduiding "landgoed" niet is gedefinieerd en dat de aanleg van deze landgoederen een ongewenste verstening van het buitengebied met zich zal brengen.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door Het Groene Hart bestreden planonderdelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en wijst in dit kader onder meer op de uitgebreide behandeling van de zienswijze van Het Groene Hart in de nota van zienswijzen.

13.2. Het betoog dat de bekendmaking van het vaststellingsbesluit en de digitale beschikbaarstelling van het vastgestelde plan en de daarbij behorende stukken gebrekkig zou zijn geweest kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, nu dit ziet op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit. Reeds om die reden kunnen deze mogelijke onregelmatigheden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten.

13.3. Het Groene Hart heeft zich in haar beroepschrift grotendeels beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze. Dit betreft onder meer de beroepsgronden over de bescherming van de waarden van het agrarische gebied, de compensatieregelingen bij verlies aan agrarisch gebied, de bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden, het dynamisch beekdal, de ecologische verbinding tussen het Aa-dal en Dommeldal, het gebied Kloosterstraat, de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bouwvlakken en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. In de bij het bestreden besluit behorende nota van zienswijzen is door de raad ingegaan op onder meer deze onderdelen van de zienswijze. Het Groene Hart heeft in haar beroepschrift, noch ter zitting valide redenen aangevoerd waarom de weerlegging van deze onderdelen van haar zienswijze onjuist zou zijn. Dat de raad de zeer uitvoerige zienswijze samengevat heeft weergegeven en behandeld en dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is begrijpelijk en op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren onvoldoende in de overwegingen zijn betrokken.

Gelet op het voorgaande en het verhandelde ter zitting komt de Afdeling tot de conclusie dat uitsluitend de materiële beroepsgrond over de aanleg van nieuwe landgoederen door het Groene Hart ten opzichte van haar zienswijze nader is onderbouwd. Hieronder zal deze beroepsgrond worden behandeld.

13.4. Uit het deskundigenbericht volgt dat op twee plaatsen in het plangebied is voorzien in nieuwe landgoederen. Dit zijn de landgoederen "Hoefsevonder-Veebeek" en "De Rietwiel". Deze nieuwe landgoederen hebben de bestemmingen "Natuur" en "Wonen" en de gebiedsaanduiding "landgoed" gekregen. Bij het landgoed "Hoefsevonder-Veebeek" is voorzien in de aanleg van natuur in combinatie met de bouw van twee wooneenheden met een maximaal volume van 1.500 m³. Bij het landgoed "De Rietwiel" is voorzien in de aanleg van natuur in combinatie met de bouw van drie wooneenheden met een maximaal volume van 1.000 m³ tot 2.000 m³.

Voor zover Het Groene Hart betoogt dat voor deze twee landgoederen ten onrechte niet is voorzien in de door de raad in de plantoelichting bedoelde aparte procedure overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat met een aparte procedure deze bestemmingsplanprocedure is bedoeld. Daarbij heeft de raad van belang geacht dat deze procedure met voldoende waarborgen is omkleed en dat hierbij meer voorwaarden kunnen worden gesteld dan bij een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan. Derhalve voorziet het plan bij recht in de nieuwe landgoederen en is hiervoor geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Hiermee heeft de raad de ogenschijnlijke discrepantie tussen de plantoelichting en de in het plan bij recht voorziene nieuwe landgoederen voldoende toegelicht. De raad heeft bij deze landgoederen voorzien in woningbouw in ruil voor de aanleg van nieuwe natuur en heeft daarbij aangesloten bij de provinciale beleidsregel "Rood voor Groen, Nieuwe landgoederen in Brabant". Het Groene Hart heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij dit beleid en niet bij recht heeft kunnen voorzien in natuurbestemmingen in combinatie met enige woningbouw.

Voor zover Het Groene Hart er op wijst dat niet is voorzien in een definitie van het begrip "landgoed" staat vast dat het plan inderdaad niet voorziet in een daartoe strekkende definitiebepaling. Wel is in diverse bestemmingen geregeld dat deze gebiedsaanduiding strekt tot het behoud en herstel van de waarden en de instandhouding van onverharde wegen en lanenstelsels bij een landgoed. Dit is echter alleen van belang bij reeds bestaande landgoederen die zijn voorzien van deze aanduiding en deze heeft geen betekenis bij nieuwe landgoederen, nu behoud en herstel van dergelijke wegen en lanen daar niet aan de orde is. Nu de toegekende bestemmingen "Natuur" en "Wonen" en de bijbehorende bouw- en gebruiksregels ter plaatse van de nieuwe landgoederen reeds voorzien in duidelijk afgebakende bouw- en gebruiksmogelijkheden is de vrees van Het Groene Hart dat ter plaatse als gevolg van voormelde aanduiding te ruime mogelijkheden ontstaan ongegrond.

13.5. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

14. [appellant sub 8] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aan [locatie 5] te Sint-Michielsgestel heeft vastgesteld. Zij stelt dat een woon- of recreatiebestemming had moeten worden toegekend met een bouwvlak omdat het gebouw, dat zij recreatief gebruikt, ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Zij stelt dat sinds de jaren '60 een gebouw aanwezig was en dat dit in 2003 met vergunning is herbouwd. Doordat het gebouw niet als zodanig is bestemd, stelt zij schade te lijden.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel overeenkomstig de bestaande situatie is bestemd. In 2003 is weliswaar een bouwvergunning verleend om het ter plaatse aanwezige gebouw na een calamiteit te kunnen herbouwen, maar dit brengt geen wijziging in de situatie met zich. Volgens de bouwvergunning wordt het gebouw gebruikt als opslagschuur en dierenverblijf en is dat gebruik in overeenstemming met de agrarische bestemming.

14.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" zonder bouwvlak.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, voor zover van belang, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor een agrarische bedrijfsuitoefening, agrarisch gebruik, een grondgebonden bedrijf en extensief dagrecreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van gebouwen dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht.

14.3. In het voorheen geldende plan was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend zonder bouwvlak.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, van de planvoorschriften van dat plan zijn de voor "Agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering, extensief dagrecreatief medegebruik en wonen, overeenkomstig de aanduiding op de detailplankaarten.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, mogen bouwwerken, welke bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan dan wel nadien nog kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet en die afwijken van het plan, op voorwaarde dat de bestaande afwijking van het plan naar aard en omvang niet wordt vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na calamiteit worden herbouwd, mits de bouwaanvraag hiervoor binnen twee jaar na datum van de calamiteit bij het college van burgemeester en wethouders is ingediend.

14.4. Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat aan het perceel een reguliere woonbestemming had moeten worden toegekend, wordt overwogen dat de raad daarvoor in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien, omdat een dergelijke bestemming niet op het perceel rustte en het gebouw niet is vergund als woning en ook niet als zodanig in gebruik is.

In dit verband is echter van belang dat op 20 maart 2003 een bouwvergunning is verleend overeenkomstig de daarbij behorende aanvraag en dat hierin staat dat het huidige en toekomstige gebruik van het gebouw recreatief is. Gelet hierop is er sprake van een vergund gebouw dat recreatief mag worden gebruikt. Ter zitting is vast komen te staan dat er geen sprake is van agrarisch gebruik, maar van beperkt dagrecreatief gebruik van het gebouw en de gronden. Gebleken is dat de raad aan de vergunning uit 2003 voorbij is gegaan. Voorts heeft de raad desgevraagd te kennen gegeven geen bezwaren te hebben tegen het huidige beperkte dagrecreatieve gebruik, maar dat een algemene recreatieve bestemming ter plaatse in het buitengebied niet wenselijk is. De raad heeft niet beoogd het gebouw en het huidige gebruik hiervan onder het overgangsrecht te brengen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat voor het gebouw en het beperkte dagrecreatieve gebruik een passende planologische regeling had moeten worden getroffen en dat de raad niet had mogen volstaan met een agrarische bestemming zonder bouwvlak.

14.5. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aan [locatie 5] te Sint-Michielsgestel, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellante sub 7]

15. [appellante sub 7] betoogt dat aan een deel van haar gronden aan de [locatie 6] te Berlicum in de zuidoostelijke hoek van het perceel en dat in gebruik is als erf en tuin, ten onrechte niet de bestemming "Wonen", maar de bestemming "Agrarisch" is toegekend, terwijl haar zienswijze op dit punt gegrond was verklaard.

15.1. De raad heeft erkend dat bij de vaststelling van het plan per abuis deze gronden niet de bestemming "Wonen", maar de bestemming "Agrarisch" hebben gekregen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit plandeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

15.2. [appellante sub 7] betoogt voorts dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" aan [locatie 6] te Berlicum heeft vastgesteld, voor zover haar aannemingsbedrijf niet als zodanig is bestemd. Volgens haar heeft de raad in reactie op haar zienswijze in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel geen reactie gegeven op het verzoek om het bedrijf als zodanig te bestemmen. Zij voert aan dat de inpandige bedrijfsactiviteiten als zodanig bestemd hadden moeten worden omdat deze al jaren plaatsvinden en geen grote ruimtelijke uitstraling hebben. De bedrijfsactiviteiten voldoen voorts aan het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) en leveren geen belemmering op voor de bedrijven en woningen in de omgeving. Voorts vindt in de omgeving ook niet-agrarische bedrijvigheid plaats die wel als zodanig is bestemd. Zij betoogt verder dat het aannemingsbedrijf weliswaar niet kan voldoen aan alle criteria van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 23, lid 23.7.1, van de planregels, maar dat het in dit geval aanvaardbaar is dat de bedrijfsactiviteiten een grotere omvang hebben en dat er beperkte buitenopslag plaatsvindt. Subsidiair betoogt zij, dat als het aannemingsbedrijf niet als zodanig kan worden bestemd, moet worden voorzien in persoonsgebonden overgangsrecht.

15.3. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het plan is beoordeeld of de bedrijfsactiviteiten konden worden gelegaliseerd, maar dat dit niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts stelt de raad dat in dit geval persoonsgebonden overgangsrecht evenmin in de rede ligt.

15.4. Het perceel heeft de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen in een woning.

Ingevolge lid 23.7.1, kan het bevoegd gezag een (omgevingsvergunning tot) afwijking verlenen voor een aan huis gebonden beroep in bijgebouwen of een aan huis gebonden bedrijf in hoofd- of bijgebouwen. Dit is toegestaan, indien voldaan is aan onder meer de voorwaarden dat de omvang van de activiteit niet meer mag bedragen dan 100 m² van de woning en/of bijgebouwen en dat buitenopslag niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 44, lid 44.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge lid 44.2, onder d, is het bepaalde onder ( ) niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

15.5. Het perceel had in het voorheen geldende plan de bestemming "Agrarisch gebied" met de medebestemming "Woondoeleinden". Op grond hiervan was het niet toegestaan om ter plaatse een aannemingsbedrijf te exploiteren.

15.6. De Afdeling merkt op dat in artikel 44, lid 44.2, onder d, de verwijzing naar het bepaalde onder a ontbreekt. Gelet op artikel 3.2.2, vierde lid, van het Bro moet dit worden opgevat als een kennelijke verschrijving, zodat in artikel 44, lid 44.2, onder d, van de planregels na de woorden "het bepaalde onder" a moet worden gelezen. Hierna zal in deze uitspraak hiervan worden uitgegaan.

15.7. Vast is komen te staan dat de bedrijfsactiviteiten voor het aannemingsbedrijf in 2008 zijn begonnen en dat van het perceel met een omvang van ongeveer 3500 m² ongeveer 400 m² aan bebouwing voor deze activiteiten wordt gebruikt.

15.8. Anders dan [appellante sub 7] betoogt is in de nota van zienswijzen wel ingegaan op de juiste wijze van bestemmen van het aannemingsbedrijf en valt hieruit af te leiden dat de raad het aannemingsbedrijf in de huidige omvang niet als zodanig wil bestemmen. Het betoog faalt.

15.9. De raad hanteert het uitgangspunt dat nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan.

Niet in geschil is dat het aannemingsbedrijf ten tijde van het voorheen geldende plan een aanvang heeft genomen en hiermee in strijd was. Ingevolge artikel 44, lid 44.2, onder d, van de planregels valt het gebruik dan ook niet onder het gebruiksovergangsrecht. De raad heeft dit met het vorige plan strijdige gebruik dat niet onder het overgangsrecht valt in redelijkheid als niet passend bij het buitengebied kunnen aanmerken en geen aanleiding hoeven te zien om het aannemingsbedrijf als zodanig te bestemmen, dan wel te voorzien in persoongebonden overgangsrecht. Dat de bedrijfsactiviteiten al enige jaren plaatsvinden en geen grote ruimtelijke uitstraling zouden hebben, doet hier niet aan af. Dat wordt voldaan aan het Barim betekent evenmin dat de raad gehouden was het gebruik als zodanig te bestemmen dan wel te voorzien in persoonsgebonden overgangsrecht. Het betoog faalt.

15.10. Ten aanzien van de door [appellante sub 7] gemaakte vergelijking met het cateringbedrijf op het perceel Woud 1-3 in Berlicum dat wel als zodanig is bestemd, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, nu dit bedrijf in het voorheen geldende plan "Buitengebied" ook reeds als zodanig was bestemd door middel van de aanduiding "cateringbedrijf". In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

15.11. In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 6] te Berlicum, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 4. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 9]

16. [appellant sub 9] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "manege" aan Koesteeg 39 en 39a te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het paardencentrum en het recreatiecentrum ter plaatse ten onrechte als één bedrijf worden aangemerkt, waardoor de recreatieve activiteiten slechts als nevenfunctie zijn toegestaan. [appellant sub 9] wil dat aan het recreatiecentrum de bestemming "Recreatie" wordt toegekend en stelt dat dit in overeenstemming is met gemeentelijk en provinciaal beleid. Zij voert voorts aan dat ter plaatse ten onrechte maar één bedrijfswoning is toegestaan, terwijl voor de bedrijfsvoering van beide bedrijven afzonderlijke bedrijfswoningen noodzakelijk zijn.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de recreatieve activiteiten nevenactiviteiten zijn bij het paardencentrum en dat splitsing van de bedrijven een onwenselijke toevoeging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied betekent. Dat is in strijd met artikel 11.6, eerste lid, onder d, van de Verordening 2011. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat een afzonderlijke bedrijfswoning ten behoeve van de recreatieve activiteiten niet mogelijk is, omdat een tweede bedrijfswoning alleen mogelijk is als deze noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf.

16.2. Artikel 11.6 van de Verordening 2011 stelt regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen.

Ingevolge artikel 11.6, eerste lid en onder d, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven.

16.3. Aan het perceel is de bestemming "Sport" en de aanduiding "manege" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

b. ter plaatse van de aanduiding "manege", een manege;

(…);

g. wonen in een bedrijfswoning;

(…);

i. een bed & breakfast accommodatie in een bedrijfswoning met maximaal 5 kamers en voor maximaal 10 personen;

(…);

u. ondergeschikte horeca van maximaal 100 m²;

(…).

Ingevolge lid 16.2.3, onder a, is binnen het bouwvlak één bedrijfswoning toegestaan, tenzij op de verbeelding is aangeduid dat het aantal wooneenheden "0" of "2" woningen bedraagt.

Ingevolge lid 16.5.2, zijn de volgende nevenactiviteiten toegestaan:

(…);

f. een bed & breakfast accommodatie in bijgebouwen met maximaal 5 kamers voor maximaal 10 personen;

(…);

h. horeca ten dienste van recreatie, zoals een theetuin en een ijs/snackverkooppunt tot maximaal 100 m²;

(…).

16.4. Vast staat dat de gronden van Koesteeg 39 en 39a onderdeel zijn van één perceel. Op Koesteeg 39a wordt het paardencentrum "Het Paardrijk", bestaande uit paardenverblijven en twee rijhallen, geëxploiteerd. Op Koesteeg 39 wordt het recreatiecentrum "Het Aardrijk" geëxploiteerd. Het recreatiecentrum bestaat uit een vakantiewoning, een vergaderruimte, een atelier en een theetuin. Op het perceel is één bedrijfswoning aanwezig.

16.5. Niet in geschil is dat de raad bij de vaststelling van het plan niet was gebonden aan de Verordening 2011 en dat de Verordening 1e fase geen regel bevatte als bedoeld in artikel 11.6, eerste lid en onder d, van de Verordening 2011. De raad diende het beleid dat aan de in voorbereiding zijnde Verordening 2011 ten grondslag lag wel bij de planvaststelling te betrekken. Dat de raad in dit geval besloten heeft de in het ontwerp voor de Verordening 2011 vervatte algemene regels, vooruitlopend op de inwerkingtreding daarvan, te volgen, is niet onredelijk.

Het perceel Koesteeg 39 en 39a ligt in agrarisch gebied. Uit de plantoelichting volgt dat een tweede bedrijfswoning alleen, en onder strikte voorwaarden, is toegestaan ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Uit de toelichting volgt verder dat toevoeging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Bij bestaande niet-agrarische bedrijven is het streven gericht op verplaatsing naar een bedrijventerrein. Indien er geen concrete plannen zijn om een bedrijf te verplaatsen, krijgt dit, mits legaal gevestigd, een maatbestemming.

De Afdeling overweegt dat het paardencentrum en het recreatiecentrum door de raad terecht als niet-agrarisch zijn aangemerkt. Gelet hierop en het door de raad gehanteerde beleid heeft de raad een extra bedrijfswoning ter plaatse in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten. Daarbij is van belang dat [appellant sub 9] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is. Voorts wordt overwogen dat door de bestemming "Recreatie" toe te kennen aan de recreatieve activiteiten de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf mogelijk zou worden gemaakt in het buitengebied. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gewenste ontwikkelingen in strijd zijn met het gemeentelijke beleid. Daarbij heeft hij tevens kunnen betrekken dat deze ontwikkeling in strijd zou zijn met artikel 11.6, eerste lid en onder d, van het ontwerp van Verordening 2011. De Afdeling is van oordeel dat de raad de activiteiten van het recreatiecentrum in redelijkheid als nevenactiviteit heeft kunnen bestemmen.

16.6. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 10]

17. Het beroep van [appellante sub 10], voor zover gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rbv locatie", het ontbreken van de aanduiding "intensieve veehouderij" en het ontbreken van de mogelijkheid voor een bedrijfswoning op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" aan de [locatie 7] te Berlicum berust niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Het ontwerpplan heeft ter inzage gelegen van 23 april 2010 tot en met 3 juni 2010. [appellante sub 10] heeft op 3 juni 2010 een zienswijze naar voren gebracht tegen het ontwerpplan, die uitsluitend ziet op de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" aan de [locatie 7]. Zij heeft bij brief van 27 juli 2010 deze zienswijze aangevuld met opmerkingen die betrekking hebben op andere plandelen, maar nu deze aanvulling buiten de termijn van artikel 3:16, eerste lid, van de Awb is ingediend, moet deze in zoverre als een niet tijdig ingediende zienswijze worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een plan, voor zover dit beroep de vaststelling van planonderdelen betreft die de belanghebbende in een tijdig tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Deze omstandigheid doet zich hier niet voor. Anders dan [appellante sub 10] betoogt, was de raad niet gehouden haar een termijn te geven om de zienswijze van 3 juni 2010 aan te vullen. Dat [appellante sub 10] in haar zienswijze van 3 juni 2010 heeft opgemerkt dat zij, indien de raad dat nodig acht, bereid is haar zienswijze aan te vullen, leidt niet tot het oordeel dat zij er op mocht vertrouwen dat de raad een termijn voor een aanvulling van de zienswijze zou geven.

Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rbv locatie", het ontbreken van de aanduiding "intensieve veehouderij" en het ontbreken van de mogelijkheid voor een bedrijfswoning op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" aan de [locatie 7] niet-ontvankelijk.

17.1. [appellante sub 10] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" aan de [locatie 7] te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld omdat haar bouwvlak niet is vergroot.

17.2. De raad stelt zich op het standpunt dat zonder ruimtelijke onderbouwing voor de vergroting van het bouwvlak de wens tot uitbreiding van de intensieve veehouderij niet kon worden meegenomen bij de vaststelling van het plan.

17.3. Het perceel [locatie 7] heeft in het plan samen met het perceel [locatie 8] de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" en een bouwvlak dat gelijk is aan het vorige plan.

17.4. Bij brief van 28 oktober 2008 en in haar zienswijze heeft [appellante sub 10] de raad verzocht om haar bouwvlak te vergroten voor een uitbreiding van haar intensieve veehouderij. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze brief en de zienswijze onvoldoende concrete plannen naar voren komen waarmee bij de vaststelling van het plan rekening kon worden gehouden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad in een brief van 10 augustus 2008, in reactie op het eerste verzoek van [appellante sub 10], heeft laten weten dat het verzoek kan worden beoordeeld bij de vaststelling van een nieuw plan voor het buitengebied, indien een ruimtelijke onderbouwing voor de gewenste uitbreiding wordt aangeleverd. Niet is gebleken dat een dergelijke onderbouwing is ingediend. Gelet daarop heeft de raad in redelijkheid kunnen kiezen om het bouwvlak uit het voorheen geldende plan, waarbinnen alle huidige bebouwing staat, in dit plan te handhaven. Het betoog faalt.

17.5. In hetgeen [appellante sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

18. [appellant sub 11] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" met bouwvlak en het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan [locatie 9] te Gemonde heeft vastgesteld. Hierdoor is de gewenste overdekte rijhal met stallen niet mogelijk. Op basis van het voorheen geldende planologische regime was er volgens hem wel een mogelijkheid om deze voorzieningen te realiseren. De raad heeft bij de vaststelling van het plan derhalve onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. Hij voert aan dat hij door het plan schade lijdt en dat de overdekte rijhal met stallen noodzakelijk is in verband met de beoefening van de dressuursport op internationaal niveau door zijn vrouw.

18.1. In 2006 is het wijzigingsplan "[locatie 9]" in rechte onaantastbaar geworden. Het perceel heeft in dat wijzigingsplan de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "woondoeleinden" gekregen. In het wijzigingsplan is artikel 22, lid 7, onder h, van het voorheen geldende bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat agrarisch hergebruik niet is uitgesloten.

Ingevolge artikel 22, lid 7, onder h, onder 3, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het medegebruik wonen te wijzigen in de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" ten behoeve van de (her)vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf, mits het te (her)vestigen bedrijf een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf betreft, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf.

18.2. In het plan heeft het perceel de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen". Op de gronden met de bestemming "Wonen" is een bouwvlak aanwezig en op de gronden met de agrarische bestemming niet.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden onder meer bestemd voor een agrarische bedrijfsuitoefening, agrarisch gebruik en een grondgebonden bedrijf.

Ingevolge lid 3.2.1 mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge lid 3.9.12 is het omschakelen van een agrarisch bedrijf in de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" toegestaan, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. het hergebruik dient zich te beperken tot de voormalige agrarische bedrijfslocatie. Bij gebleken noodzaak kan de voormalige agrarische bedrijfslocatie worden uitgebreid tot een maximum van 1,5 hectare;

b. paardenbakken moeten binnen het bouwvlak worden opgericht;

(…);

e. maximaal 1 rijhal met een oppervlakte van ten hoogste 1000 m² is toegestaan;

i. alle bedrijfsbebouwing die niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering dient te worden gesloopt;

(…).

18.3. Vast staat dat de door [appellant sub 11] gewenste overdekte rijhal met stallen op de door hem gewenste plek niet mogelijk is, nu op de gronden met de agrarische bestemming geen bouwvlak aanwezig is en het beoogde gebruik niet is toegestaan. Voor zover [appellant sub 11] betoogt dat het huidige plan een beperking met zich brengt ten opzichte van het wijzigingsplan overweegt de Afdeling dat dit niet het geval is. Het wijzigingsplan noch het huidige plan voorzien in afwijkingsmogelijkheden die ter plaatse de gewenste rijhal en stallen mogelijk maken. Daarbij is van belang dat zowel voormeld artikel 22, lid 7, sub h, onder 3, van het voorheen geldende plan als artikel 3, lid 3.9.12, van de planregels betrekking hebben op een volwaardig agrarisch bedrijf of de omschakeling hiervan naar een paardenhouderij.

Nu door het wijzigingsplan de agrarische bedrijfsbestemming reeds is komen te vervallen kan in planologisch opzicht geen sprake meer zijn van een voormalige agrarische bedrijfslocatie waarbij onder voorwaarden omschakeling naar een paardenhouderij mogelijk zou zijn.

Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellant sub 11] bij een overdekte rijhal met stallen. Dat een dergelijke rijhal, met name bij slecht weer en in de winterperiode, voordelen met zich brengt in verband met het houden en trainen van dressuurpaarden brengt niet met zich dat de raad in dit geval niet kon vasthouden aan zijn restrictieve beleid voor niet-agrarische bebouwing in het buitengebied. Het betoog faalt.

18.4. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 12]

19. [appellanten sub 12] betogen dat de raad de plandelen met de bestemming "Natuur" en "Wonen" en de aanduiding "landgoed" tussen de Brugstraat, de Pastoor Verlindenstraat, de Molenhoek en de Aa te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat het plan onvoldoende duidelijkheid biedt over onder meer de maximale bouwhoogtes, het peil voor de voorziene woningen en de voorziene heggen en bomenrijen. De woningen zullen hun vrije uitzicht onevenredig aantasten. De raad heeft in dit verband onvoldoende gemotiveerd waarom de woningen niet dichter bij het gasverdeelstation zijn voorzien. Zij voeren verder aan dat het plan in strijd is met de provinciale Beleidsnotitie "Rood voor groen, notitie nieuwe landgoederen in Brabant" (hierna: de Beleidsnotitie), omdat een woning met een maximale inhoud van 2000 m³ mogelijk is gemaakt, terwijl in de Beleidsnotitie een maximale inhoudsmaat van 1500 m³ staat. Ook zijn de woningen in strijd met het provinciale beleid onvoldoende geclusterd en niet in een aaneengesloten bouwvlak voorzien, nu dat wordt doorsneden door de weg naar het gasverdeelstation.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoende duidelijk is over de maatvoering van de voorziene woningen en dat het uitzicht van [appellanten sub 12] niet onevenredig zal worden aangetast, gelet op de afstand tussen hun woningen en de voorziene woningen. De voorziene woningen zijn niet elders gesitueerd, vanwege de aanwezigheid van gasleidingen en het gasverdeelstation. De raad stelt zich verder op het standpunt dat er geen strijd is met de Beleidsnotitie.

19.2. Aan het voorziene landgoed zijn de bestemmingen "Natuur" en "Wonen" en de aanduiding "landgoed" toegekend. Binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" zijn drie bouwvlakken opgenomen.

Uit de aan de bouwvlakken toegekende aanduidingen en artikel 23, lid 23.2, onder 23.2.2, aanhef en onder c en f, van de planregels volgt dat binnen de drie aaneengesloten bouwvlakken drie woningen zijn toegestaan met een maximaal volume van onderscheidenlijk 1000 m³, 1500 m³ en 2000 m³ en met een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 10 m.

Ingevolge artikel 2, lid 2.9, van de planregels, is het peil, voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst, de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang, vermeerderd met 0,2 m en in andere gevallen de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein, vermeerderd met 0,2 m.

19.3. Nu de maximale goot- en bouwhoogte en de maximale inhoud van de woningen zijn vastgelegd is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatvoering van de woningen onvoldoende in het plan is vastgelegd. Gelet op de definitiebepaling waarin staat hoe het peil dient te worden berekend, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het peil onvoldoende is geregeld. Overigens is ter zitting toegelicht dat geen ophoging is voorzien en dat voor het peil zal worden aangesloten bij de naastgelegen weg de Molenhoek. Voor zover [appellanten sub 12] betogen dat in het plan dient te worden vastgelegd waar welke groenelementen zijn voorzien, bestaat daarvoor geen grond, nu dat in dit geval een uitvoeringsaspect betreft. De betogen falen.

19.4. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een plan niet is gebonden aan provinciaal beleid, zoals de Beleidsnotitie, maar dat hij daarmee wel rekening dient te houden, hetgeen betekent dat hij dit beleid in zijn belangenafweging moet betrekken. In de Beleidsnotitie staat dat in beginsel dient te worden uitgegaan van een omvang van maximaal 1500 m³ per wooneenheid. Weliswaar is voorzien in een woning met een maximale inhoud van 2000 m³, maar nu uit de Beleidsnotitie niet volgt dat geen afwijking mogelijk is en de drie woningen gemiddeld een maximale inhoud van 1500 m³ hebben, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre onvoldoende rekening heeft gehouden met het provinciale beleid. In de Beleidsnotitie staat verder dat de bebouwing dient te zijn geconcentreerd binnen één aaneengesloten bouwvlak en een ruimtelijke eenheid vormt.

Nu de woningen mogelijk zijn gemaakt in drie aan elkaar grenzende bouwvlakken, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt onvoldoende rekening heeft gehouden met de Beleidsnotitie. De raad heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de weg naar het gasverdeelstation, die binnen de bestemming "Wonen" mogelijk is gemaakt, niet afdoet aan de ruimtelijke eenheid. Het betoog faalt.

19.5. De Afdeling overweegt voorts dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Evenmin bestaat recht op een blijvend vrij uitzicht. Gelet op de afstand van ongeveer 150 m tussen de woningen van [appellanten sub 12] en de voorziene woningen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hun uitzicht niet onevenredig zal worden aangetast. De raad heeft daarbij in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van de aanleg van het landgoed met natuurontwikkeling dan aan het belang van [appellanten sub 12] bij het behoud van hun vrije uitzicht. Over de aangevoerde alternatieven overweegt de Afdeling dat in de ruimtelijke onderbouwing voor het landgoed staat dat de woningen op deze plek zijn voorzien vanwege de afstand tot bestaande en voorziene bebouwing in de omgeving, de hogere ligging van de gronden bij overstroming van de Aa, de ligging van gasleidingen, de oriëntatie op de zon en het uitzicht over het landgoed en de Aa. Verder stelt de raad dat de door [appellanten sub 12] gewenste verschuiving van de woningen richting het gasverdeelstation vanwege de veiligheid niet gewenst is. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieve locaties onvoldoende heeft meegenomen in de belangenafweging.

Voor zover [appellanten sub 12] betogen dat de woningen niet mogelijk zijn omdat niet binnen 300 m van de aanwezige gasleiding mag worden gebouwd, wordt overwogen dat in de planregels gebouwen zijn uitgesloten binnen 5 m van de gasleiding, waardoor het betoog in zoverre feitelijke grondslag mist. Voor zover zij betogen dat anderszins niet mag worden gebouwd binnen 300 m van een gasleiding, hebben zij dit betoog niet verder onderbouwd en geeft dit geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ter plaatse geen woningen mogelijk had mogen maken. De betogen falen.

19.6. In hetgeen [appellanten sub 12] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 13]

20. [appellante sub 13] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf" aan de [locatie 10] te Sint-Michielsgestel ten onrechte met een te beperkte omvang heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat niet is voorzien in de door haar gewenste en noodzakelijk uitbreiding van haar grondverzet- en loonbedrijf. De uitbreiding is niet in strijd met de Verordening 2011, waarin de mogelijkheid is opgenomen om een agrarisch-technisch hulpbedrijf uit te breiden. Verder betoogt zij dat de raad haar bestaande en legale buitenopslag ten onrechte niet heeft toegestaan op grond van de bestemming "Bedrijf" en heeft aangemerkt als strijdig gebruik.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet is voorzien in uitbreiding omdat het buitengebied primair bedoeld is voor natuur, landbouw en recreatie en het beleid voor niet-agrarische bedrijven is gericht op verplaatsing naar een industrieterrein. Volgens de raad bepaalt de Verordening 2011 weliswaar dat een plan kan voorzien in een uitbreiding van agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, maar daarbij heeft de raad beleidsvrijheid en heeft hij ervoor gekozen ter plaatse niet te voorzien in uitbreidingsmogelijkheden.

De raad stelt zich verder op het standpunt dat buitenopslag bij niet-agrarische bedrijven in het buitengebied is aangemerkt als strijdig gebruik om verrommeling van het buitengebied tegen te gaan. Met de belangen van bedrijven is rekening gehouden doordat een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om buitenopslag onder voorwaarden mogelijk te maken, waardoor voor elk geval een afweging kan worden gemaakt.

20.2. Het bedrijfsperceel heeft de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf". Gelijk aan het bestemmingsvlak is een bouwvlak toegekend. De aangrenzende gronden hebben de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden"

Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.2, aanhef en onder f, van de planregels, voor zover hier van belang, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat de maximale oppervlakte aan bebouwing binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan zoals legaal aanwezig op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan, tenzij is aangegeven wat de maximale bebouwde oppervlakte mag bedragen.

Ingevolge lid 7.4, onder 7.4.2, aanhef en onder b en j, is het vergroten van het maximaal toegestane legale bebouwde oppervlakte toegestaan, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

b. voor agrarisch verwante en agrarisch-technische hulpbedrijven geldt een maximale uitbreidingspercentage van 25. Overige bedrijven krijgen een maximale uitbreidingsmogelijkheid van 15%;

j. het bedrijf niet reeds met 15% dan wel 25% is uitgebreid na 31 mei 2001;

Ingevolge lid 7.5, aanhef en onder c en d, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval gerekend het gebruik voor opslag van goederen en materialen voor de gevellijn en (permanente) buitenopslag van goederen en materialen behoudens ter plaatse van de aanduiding "opslag".

Ingevolge lid 7.6, aanhef en onder 7.6.2, kan het bevoegd gezag onder voorwaarden (een omgevingsvergunning tot) afwijking verlenen voor buitenopslag.

20.3. In het voorheen geldende plan had het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B" met de aanduiding "B16".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de bij dat plan behorende voorschriften, zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van een grondverzet- en loonbedrijf.

Ingevolge het vierde lid, onder c, is de maximale toegestane bebouwde oppervlakte voor niet agrarisch verwante bedrijven de bestaande oppervlakte, zoals die legaal aanwezig was op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.

20.4. De Afdeling stelt vast dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en het bouwvlak op het perceel van [appellante sub 13] dezelfde omvang hebben als in het voorheen geldende plan. Voorts is niet in geschil dat op 1 februari 2003 aan [appellante sub 13] een vrijstelling is verleend om het maximale toegestane bebouwde oppervlak op haar bedrijfsperceel met 15% te vergroten. Gelet daarop biedt het plan geen uitbreidingsmogelijkheden. De raad heeft dat aanvaardbaar geacht omdat het beleid er op is gericht niet-agrarische bedrijven in het buitengebied te verplaatsen naar een bedrijventerrein. Ter zitting heeft de raad desgevraagd te kennen gegeven dat in de gemeente Sint-Michielsgestel geen mogelijkheden bestaan voor verplaatsing naar een bedrijventerrein en dat voor een vervangende locatie waar wel uitbreiding mogelijk is de bedrijventerreinen in 's-Hertogenbosch aangewezen zijn. Nu het bedrijf nauw verbonden is met de agrarische sector in het buitengebied heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre er reële verplaatsingsmogelijkheden bestaan, waarbij [appellante sub 13] haar huidige bedrijfsvoering kan handhaven. Gelet op de ruime afstand tot 's-Hertogenbosch acht de Afdeling het niet zonder meer aannemelijk dat een bedrijf als het onderhavige zou kunnen worden verplaatst naar een bedrijventerrein aldaar. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd in hoeverre met het belang van [appellante sub 13] bij enige uitbreidingsmogelijkheid op de huidige locatie rekening is gehouden. Het betoog slaagt.

20.5. Verder staat vast dat de buitenopslag, in tegenstelling tot het vorige plan, op grond van de bestemming "Bedrijf" is aangemerkt als strijdig gebruik en onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 44, lid 44.2, van de planregels is gebracht. Derhalve is dit bestaande legale gebruik niet meer als zodanig toegestaan. De Afdeling overweegt dat bestaand legaal gebruik in het algemeen moet worden toegestaan door middel van een bestemmingsregeling die dat gebruik toestaat. Dit uitgangspunt kan slechts uitzondering vinden als het toestaan van bestaand legaal gebruik op basis van gewijzigde planologische inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de nieuwe regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat de beoogde regeling binnen de planperiode uitvoerbaar zal zijn. Niet is gebleken dat het gemeentebestuur in dit geval voornemens is voormeld gebruik te doen beëindigen. Evenmin is gebleken dat de belangen die zijn gediend bij het niet als zodanig toestaan van de buitenopslag zijn afgewogen tegen de belangen van [appellante sub 13] bij dit gebruik. Met de algemene stelling dat verrommeling van het buitengebied dient te worden tegen gegaan gaat de raad ten onrechte voorbij aan bestaande legale gevallen waarbij maatwerk op perceelsniveau moet en kan worden geleverd. Voor zover de raad verwijst naar de afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan onder voorwaarden buitenopslag alsnog als zodanig kan worden toegestaan, had het bij bestaande en legale gevallen in de rede gelegen reeds bij de vaststelling van dit plan te bezien of dit gebruik direct als zodanig kan worden toegestaan. Een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is in die gevallen geen passende regeling. Het betoog slaagt.

20.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 5, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellante sub 14]

21. [appellante sub 14] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan [locatie 11] te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover het bouwvlak niet overeenkomt met de bestaande bebouwing. Verder voert zij aan dat de raad haar ter plaatse gevestigde aannemersbedrijf ten onrechte niet als nevenactiviteit heeft toegestaan, nu dit niet in strijd is met het gemeentelijke en provinciale beleid en een goede ruimtelijke ordening. Bovendien is het bedrijf al lang ter plaatse gevestigd, valt het binnen de bestaande bebouwing en worden de werkzaamheden veelal op locatie uitgevoerd.

21.1. De Afdeling stelt vast dat de raad zich thans op het standpunt stelt dat de aanduiding "bouwvlak" onjuist is, omdat een deel van de noordelijke stal en van de garage daarbuiten staan. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

21.2. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het gemeentebestuur voornemens is tegen het illegale aannemersbedrijf handhavend op te treden en dat de enkele omstandigheid dat dit gebruik reeds lange tijd plaatsvindt, geen reden is om het als zodanig te bestemmen.

21.3. Het perceel van [appellante sub 14] aan [locatie 11] heeft de bestemming "Agrarisch" en onder meer de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bebouwingsconcentratie" en is voorzien van een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, b, en g, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een agrarische bedrijfsuitoefening, agrarisch gebruik en ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", een intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 3, lid 3.6, aanhef en onder 3.6.2, onder a, kan het bevoegd gezag onder voorwaarden (een omgevingsvergunning tot) afwijking verlenen voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in de vorm van de categorie 1 en 2 bedrijven conform de in bijlage 4 opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten tot een maximale oppervlakte van 400 m² als nevenactiviteit binnen bebouwingsconcentraties.

21.4. De Afdeling stelt vast dat het aannemersbedrijf van [appellante sub 14] onder het voorheen geldende plan is aangevangen en daarmee in strijd was. De enkele omstandigheid dat tegen het gebruik nog niet handhavend is opgetreden, maakt niet reeds dat de raad het gebruik in dit plan als zodanig moest bestemmen. Over nevenactiviteiten staat in de plantoelichting dat deze een ondergeschikt karakter dienen te hebben aan de agrarische bedrijfsfunctie. In het deskundigenbericht staat dat voor het aannemersbedrijf thans een werkplaats en opslag wordt gebruikt met een oppervlak van 720 m², terwijl de raad blijkens artikel 3, lid 3.6, aanhef en onder 3.6.2, onder a, van de planregels een maximale oppervlakte van 400 m² aan nevenactiviteiten aanvaardbaar acht. Deze beperking is niet onredelijk. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten het aannemersbedrijf niet als zodanig te bestemmen. De Afdeling merkt overigens op dat de vraag of een omgevingsvergunning tot afwijking van het plan zou kunnen worden verleend, indien het oppervlak voor het aannemersbedrijf wordt teruggebracht tot 400 m² in deze procedure niet aan de orde is. Het betoog faalt.

21.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan [locatie 11], voor zover dit niet in overeenstemming is met de bestaande noordelijke stal en garage, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van Gasunie

22. Gasunie heeft haar beroep, voor zover gericht tegen het ontbreken van een onderscheid tussen regionale en hoofdgasleidingen in de belemmeringenstrook in de planregels ingetrokken.

22.1. Gasunie betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "nutsvoorziening" aan de Esscheweg te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld omdat hierdoor het bestaande gasontvangststation ter plaatse niet als zodanig is bestemd.

Verder heeft de raad artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.1, van de planregels ten onrechte vastgesteld omdat deze planregel mogelijk maakt dat zonder schriftelijk advies van de leidingexploitant een omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Gasunie betoogt verder dat de raad het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de dubbelbestemming "Leiding - Gas" aan de Molenhoek te Berlicum en de daarbij behorende planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voert daartoe aan dat de planregels onduidelijk zijn en niet waarborgen dat binnen de belemmeringenstrook van 5 m van de gasleiding niet mag worden gebouwd. Dat is in strijd met artikel 14 van het Besluit externe veiligheid gasleidingen (hierna: Bevb).

22.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich thans op het standpunt stelt dat het plandeel met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "nutsvoorziening" ter plaatse van het gasontvangststation aan de Esscheweg onjuist is, nu het gasontvangststation ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Verder heeft de raad zich thans op het standpunt gesteld dat artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.1 van de planregels onvolledig is omdat daaraan moet worden toegevoegd dat bij verlening van de daarin bedoelde omgevingsvergunning vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

Nu de raad zich in zoverre op andere standpunten stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

22.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het plandeel met de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Leiding - Gas" aan de Molenhoek en de daarbij behorende regels voldoen aan artikel 14 van het Bevb.

22.4. Ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" met bouwvlak en de dubbelbestemming "Leiding - Gas" aan de Molenhoek ligt tevens de aanduiding "hartlijn leiding - gas".

Ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, van de planregels, is het ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - gas" niet toegestaan om te bouwen binnen een zone van 5 m aan beide zijden van de hartlijn met uitzondering van tijdelijke voorzieningen ten behoeve van het onderhoud van deze gasleiding en het bepaalde in 24.2.2.

Ingevolge onderdeel 24.2.2 mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 5 m bedragen.

Ingevolge lid 24.3, kan het bevoegd gezag een (omgevingsvergunning tot) afwijking verlenen van het bepaalde in artikel 24.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits:

a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;

b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

22.5. Ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bevb, bevat een bestemmingsplan, waarbij aan gronden de bestemming wordt toegewezen die de aanwezigheid van een buisleiding toelaat, in elk geval voor de belemmeringenstrook geen nieuwe bestemmingen die het oprichten van bouwwerken toestaan.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover in een bestemmingsplan de bevoegdheid wordt opgenomen om in afwijking daarvan bij omgevingsvergunning het oprichten van bouwwerken in de belemmeringenstrook toe te staan, daarbij bepaald dat de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten.

22.6. Het Bevb is grotendeels in werking getreden op 1 januari 2011 (Staatsblad 2010, 863). Het bestreden besluit dateert van voor deze datum. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad hierbij echter heeft beoogd aan te sluiten bij de totstandkoming van het plan.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 9 mei 2012, in zaak nr. 201105839/1/R3, volgt uit artikel 14 van het Bevb dat het oprichten van bouwwerken binnen de belemmeringenstrook van een leiding slechts onder de daar genoemde voorwaarden in een bestemmingsplan is toegestaan. De zinsnede "en het bepaalde in 24.2.2" in artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, van de planregels, gelezen in samenhang met 24.2.2, brengt met zich dat bij recht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximale hoogte van 5 m binnen de belemmeringenstrook zijn toegestaan. Dit is in strijd met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bevb. Het betoog van de Gasunie over deze planregel slaagt.

22.7. Artikel 24, lid 24.3, aanhef en onder a, van de planregels voldoet evenmin aan artikel 14 van het Bevb. In voormelde uitspraak van 9 mei 2012 heeft de Afdeling geoordeeld dat een voorwaarde voor de verlening van een ontheffing dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding onvoldoende is, nu ingevolge artikel 14, derde lid, van het Bevb de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding in het geheel niet mag worden geschaad. Dit artikel biedt geen grondslag voor de in artikel 24, lid 24.3, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen beoordelingsruimte.

Gelet daarop is de raad, anders dan beoogd, niet juist aangesloten bij het Bevb. De bestreden planonderdelen zijn onzorgvuldig vastgesteld.

22.8. In hetgeen Gasunie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "nutsvoorziening" aan de Esscheweg te Berlicum, artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.2, lid 24.3, onder a, en artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.1, van de planregels is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de na te melden voorlopige voorzieningen te treffen om te voorkomen dat gedurende de periode tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe plan een onvolledige regeling geldt.

Het beroep van [appellant sub 16]

23. [appellant sub 16] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de percelen, kadastraal bekend gemeente Sint-Michielsgestel sectie H, nr. 446 en nr. 447, aan de Donksestraat in Den Dungen ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse ten onrechte niet is voorzien in een twee-onder-één-kapwoning.

De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hierin niet is voorzien, omdat hij een een twee-onder-één-kapwoning met dezelfde inhoud als één vrijstaande woning wenst, hetgeen de raad wel aanvaardbaar acht. De percelen liggen bovendien in de kernrandzone van Den Dungen tussen bestaande bebouwing en zijn in de Verordening 2011 en in de gemeentelijke structuurvisie 2025 aangemerkt als zoekgebied voor de toekomstige uitbreiding van bebouwing.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 16] gewenste bebouwing niet voldoet aan de voorwaarden uit de gemeentelijke structuurvisie Buitengebied, zoals een frontbreedte van 30 m per woning. De raad stelt daarbij dat een twee-onder-één-kapwoning dient te worden aangemerkt als twee woningen.

23.2. De percelen hebben de bestemming "Agrarisch", zonder bouwvlak. Ook is aan de percelen de aanduiding "bebouwingsconcentratie" toegekend.

23.3. Blijkens de structuurvisie Buitengebied liggen de percelen in de kernrandzone Bosscheweg/Donksestraat. In deze structuurvisie staan als randvoorwaarden voor het toestaan van woningen onder meer dat de inhoud van de nieuwe woningen maximaal 850 m³ mag bedragen, dat het een vrijstaande en grondgebonden burgerwoning betreft op een vrije kavel en dat de nieuwe woning er niet voor mag zorgen dat de bebouwingsconcentratie dichtslibt en dat doorzichten c.q. zichtlijnen behouden blijven. Ook dient de woning op een vrijgelegen kavel te worden gebouwd, waarbij als uitgangspunt geldt dat de frontbreedte minimaal 30 m is, waarvan maximaal 10% kan worden afgeweken en dat 10 m uit de perceelsgrens onbebouwd blijft. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Nu de percelen een gezamenlijke breedte hebben van 37 m is de door [appellant sub 16] gewenste twee-onder-één-kapwoning in zoverre in strijd met het beleid uit de structuurvisie, omdat een twee-onder-één-kapwoning twee woningen zijn. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dergelijke bebouwing meer verstening met zich zal brengen dan één woning, gelet op de bij een woning behorende bebouwing, zoals bijgebouwen. Dat de percelen dicht bij de kern van Den Dungen liggen in een kernrandzone en dat reeds woningen in de straat staan, maakt niet dat de raad niet in redelijkheid aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden, nu de percelen wel tot het buitengebied behoren, waar de raad verstening wil beperken. Dat de percelen in de Verordening 2011 en de gemeentelijke structuurvisie 2025 zijn aangewezen als zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, brengt evenmin met zich dat de raad zou zijn gehouden ter plaatse de door [appellant sub 16] gewenste woningen mogelijk te maken. Het betoog faalt.

23.4. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 17]

24. [appellant sub 17] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op de hoek van de Hezelaar en de Schijndelseweg te Sint-Michielsgestel ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse ten onrechte geen Ruimte-voor-Ruimte woningen mogelijk zijn gemaakt. In de structuurvisie Buitengebied staat immers dat het streven is gericht op het versterken van de laanstructuur en de Hezelaar is een laan, die bovendien reeds bebouwd is. Verder zal bij de bouw van de woningen nog voldoende zicht overblijven. Hij wijst er daarbij op dat de raad over een woning in Den Dungen bij een open ruimte van 135 m heeft geoordeeld dat het zicht op het achterliggende gebied voldoende in tact blijft. Nu daaraan op zijn perceel kan worden voldaan, heeft de raad gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Evenmin is gemotiveerd waarom elders ten zuiden van de Schijndelseweg wel een brandweerkazerne mogelijk is gemaakt.

24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gewenste woningen in strijd zijn met de structuurvisie Buitengebied, waarin staat dat ten zuiden van de Schijndelseweg geen nieuwe bebouwing wenselijk is, omdat wordt beoogd de zichtrelatie met het kleinschalige landschap richting Gemonde te herstellen. De raad stelt dat hij niet heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu geen sprake is van gelijke situaties.

24.2. Blijkens de structuurvisie Buitengebied ligt het perceel in de kernrandzone Zuid-oostzijde Sint-Michielsgestel. Daarover staat dat aan de zuidkant van de Schijndelseweg nieuwe bebouwing niet wenselijk is omdat dit het zicht naar het buitengebied verstoort. Om dezelfde reden geniet de sloop van vrijgekomen agrarische opstallen de voorkeur. Met het beleid wordt voor de zuidzijde van de Schijndelseweg gestreefd naar het herstel van de zichtrelatie met het Dommeldal en de kleinschalige bebouwing van Gemonde. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Nu het perceel van [appellant sub 17] ten zuiden van de Schijndelseweg ligt, is het toestaan van woningen ter plaatse in strijd met de structuurvisie Buitengebied. Dat aan de Hezelaar reeds gebouwen staan die het zicht deels beperken, maakt niet dat de raad niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden, nu dit bestaande bebouwing is en de nieuwe woningen een verdere beperking van het zicht met zich zouden brengen. Dat de raad bij een woning in de Spekstraat in Den Dungen een open ruimte van 135 m voldoende heeft geacht, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang dat in de structuurvisie Buitengebied de specifieke eigenschappen van de omgeving bij de mogelijkheden per bebouwingsconcentratie zijn betrokken en dat aan de Spekstraat meer bebouwing staat. Voor de locatie aan de Spekstraat is daarbij, anders dan voor het perceel van [appellant sub 17], in de structuurvisie Buitengebied geen specifiek te beschermen zichtrelatie genoemd. Over de verwijzing naar de brandweerkazerne aan de Schijndelseweg, wordt overwogen dat de raad heeft gesteld dat deze situatie verschilt met de aan de orde zijnde situatie omdat op die locatie meer bebouwing in de omgeving staat, waardoor de kazerne door groenvoorzieningen in de omgeving kon worden ingepast, terwijl een dergelijke inpassing op het perceel van [appellant sub 17] vanwege het open en onbebouwde karakter niet passend zou zijn. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. De betogen falen.

24.3. In hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 18] en [appellant sub 19]

25. De raad stelt zich op het standpunt dat de beroepen van [appellant sub 18] en [appellant sub 19] niet-ontvankelijk zijn, omdat deze niet zijn gericht tegen het plan, maar tegen de structuurvisie Buitengebied.

25.1. De Afdeling stelt vast dat de beroepen van [appellant sub 18] en [appellant sub 19] zijn gericht tegen de plandelen met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 12] onderscheidenlijk [locatie 13] te Den Dungen, omdat hieraan niet de bestemming "Wonen" met bouwvlak is toegekend.

Over de verwijzing in de beroepen naar de structuurvisie Buitengebied wordt overwogen dat deze structuurvisie is vastgesteld ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en hieraan ten grondslag is gelegd. De structuurvisie Buitengebied kan in zoverre worden betrokken bij de procedure over de vaststelling van het bestemmingsplan. De beroepen van [appellant sub 18] en [appellant sub 19] zijn ontvankelijk.

26. [appellant sub 18] en [appellant sub 19] betogen dat de raad de plandelen met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 12], onderscheidenlijk [locatie 13], ten onrechte heeft vastgesteld omdat hieraan niet de bestemming "Wonen" met bouwvlak is toegekend. [appellant sub 18] voert in dit verband aan dat een extra woning wegens de reeds aanwezige dichte bebouwing geen bestaande doorzichten aantast en wijst op de percelen Spurkstraat 46a en de Hooidonk te Den Dungen waar wel extra woningen mogen worden gebouwd. [appellant sub 19] voert aan dat aan de voorwaarden voor het toevoegen van een zogenoemde BiO-woning in het buitengebied is voldaan en wijst tevens op het perceel aan de Hooidonk en op het perceel op de hoek van de Spekstraat en de Paterstraat te Den Dungen waar extra woningen mogen worden gebouwd.

26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de structuurvisie Buitengebied per bebouwingsconcentratie een gebiedsvisie is opgenomen waarbij is bezien in hoeverre het toevoegen van nieuwe woningen wenselijk is. Nieuwe bebouwing aan de wegen in de bebouwingsconcentratie Woudseweg/Zandstraat acht de raad niet wenselijk. Verder stelt de raad dat het perceel Spurkstraat 46a binnen de bebouwde kom ligt en dat aan de nieuwe ontwikkeling op de hoek van de Spekstraat en de Paterstraat nog geen planologische medewerking is verleend. De Ruimte-voor-ruimte woningen aan de Hooidonk, waarvoor een procedure is doorlopen, liggen in stedelijk gebied.

26.2. Blijkens de structuurvisie Buitengebied liggen de percelen [locatie 12] en [locatie 13] in het bebouwingscluster Woudseweg/Zandstraat. Nieuwe bebouwing aan de wegen is niet wenselijk, nu reeds veel bebouwing aanwezig is waardoor de doorzichten naar het achterland reeds beperkt zijn. Om dezelfde reden geniet ontstening de voorkeur. Op vrijgekomen agrarische kavels kan gebruik worden gemaakt van de Ruimte voor Ruimte-regeling, aldus de structuurvisie Buitengebied. De raad heeft met dit beleid beoogd de doorzichten naar het achterland ter plaatse niet verder te verdichten. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Gelet op het voorgaande is het toestaan van extra woningen op de percelen [locatie 12] en [locatie 13] in strijd met de structuurvisie.

Over de verwijzing naar de voorziene woning aan de Spurkstraat 46a en de woningen aan de Hooidonk, wordt overwogen dat in het aangevoerde geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat die situaties zodanig vergelijkbaar zijn met de situatie aan de Woudseweg dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de percelen aan de Woudseweg, anders dan het perceel Spurkstraat 46a, buiten de bebouwde kom van Den Dungen liggen. De woningen aan de Hooidonk zijn mogelijk gemaakt op grond van een Ruimte voor Ruimte-regeling, die gericht is op ruimtelijke kwaliteitswinst door het verwijderen van overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing in ruil voor beperkte woningbouw. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het verzoek met betrekking tot woningbouw op de hoek van de Spekstraat en de Paterstraat nog moet worden beoordeeld. Deze ontwikkeling is dan ook nog niet voldoende concreet en kan daarom niet bij de beoordeling worden betrokken. Het betoog faalt.

26.3. In hetgeen [appellant sub 18] en [appellant sub 19] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 20]

27. [appellant sub 20] betoogt dat het plan niet volgens de wettelijke voorgeschreven procedure is vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat zijn bezwaren tegen het voorontwerp niet inhoudelijk zijn behandeld voordat het ontwerpplan ter inzage was gelegd.

27.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is afdeling 3.4 van de Awb op de voorbereiding van een bestemmingsplan van toepassing. De procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan vangt derhalve aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Dat zijn bezwaren tegen het voorontwerpplan niet inhoudelijk zouden zijn behandeld alvorens het ontwerpplan ter inzage is gelegd, kan gelet hierop geen gevolgen met zich brengen voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

28. [appellant sub 20] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 14] en [locatie 15] te Berlicum, voor zover daar slechts één woning is toegestaan, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de in 1959 met bouwvergunning opgerichte tweede woning aan de [locatie 15] ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Deze kan op elk moment weer in gebruik worden genomen.

28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in 1996 en 2003 bouwvergunningen zijn verleend voor het verbouwen van de boerderij met berging en dat slechts één woning is toegestaan. De eerder verleende bouwvergunning uit 1959 is niet van belang. De aanwezige berging heeft weliswaar het huisnummer [locatie 15] toegekend gekregen, maar er is ter plaatse slechts één woning aanwezig die als zodanig moest worden bestemd.

28.2. Ingevolge artikel 23, lid 23.2, onder 23.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, geldt voor het bouwen van een woning binnen het bouwvlak binnen de bestemming "Wonen" dat één woning is toegestaan.

28.3. De Afdeling stelt vast dat de bedoelde berging ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan niet in gebruik was als woning. Reeds daarom valt het gestelde gebruik hiervan als woning niet onder de werking van het overgangsrecht van artikel 44, lid 44.2, onder a, van de planregels.

Uit de bouwvergunning van 6 juni 1996 volgt dat de verbouwing van de boerderij aan de [locatie 14] mede betrekking had op een berging/garage met een douche en toilet. Voorts is in 2003 een lichte bouwvergunning verleend voor het vernieuwen van de berging bij de woning. In de bij deze vergunning behorende aanvraag staat dat het gebouw gebruikt werd als berging en voor houtopslag en na vergunningverlening tevens als zodanig zou worden gebruikt. Uit de vergunningen volgt dan ook niet dat planologische toestemming is verleend voor het gebruik van de berging en/of garage als woning. Voor de vraag of een als woning gebruikte ruimte als zodanig moet worden bestemd komt aan een huisnummer geen betekenis toe. [appellant sub 20] heeft evenmin anderszins aannemelijk gemaakt dat naast de bestaande woning ook het gebruik van de berging als woning zou zijn toegestaan. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen" met de mogelijkheid van één woning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

28.4. [appellant sub 20] betoogt dat de raad aan de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" aan de [locatie 14] en [locatie 15] ten onrechte de aanduidingen "vrijwaringszone-vaarweg 1" en "vrijwaringszone-vaarweg 2" heeft toegekend. Daartoe voert hij aan dat hij wordt beperkt in zijn bouwmogelijkheden waardoor hij schade zal leiden.

28.5. Aan de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" aan de [locatie 14] en [locatie 15] zijn de aanduidingen "vrijwaringszone-vaarweg 1" en "vrijwaringszone-vaarweg 2" toegekend. Gelet op de door de raad erkende omissie dat abusievelijk is verzuimd om de bouwvlakken uit te zonderen van deze vrijwaringszones, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduidingen "vrijwaringszone-vaarweg 1" en "vrijwaringszone-vaarweg 2" op het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 14] en [locatie 15], dat geheel binnen het bouwvlak ligt, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt in zoverre.

Voor zover de aanduidingen "vrijwaringszone-vaarweg 1" en "vrijwaringszone-vaarweg 2" zijn toegekend aan gronden met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 14] en [locatie 15], wordt overwogen dat deze vrijwaringszones dienen ter beperking van nadelige invloeden op het functioneren van de Zuid-Willemsvaart. Gelet op

artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder a, van de planregels mogen gebouwen binnen de bestemming "Agrarisch" uitsluitend binnen een bouwvlak worden opgericht. Nu binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" geen bouwvlak is opgenomen, is niet aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 20] in zoverre in zijn bouwmogelijkheden wordt beperkt en heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid deze vrijwaringszones op dit deel van de gronden toegekend. Het betoog faalt.

28.6. [appellant sub 20] betoogt voorts dat de raad de plandelen met de bestemming "Agrarisch" op de percelen direct grenzend aan de [locatie 16] te Berlicum, voor zover daaraan de aanduidingen "ecologische verbindingszone" en "landschapselementen" zijn toegekend, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de beoogde ontwikkelingen ter plaatse, met name in de vorm van landschapselementen, een belemmering vormen voor zijn agrarische bedrijfsvoering.

28.7. De raad stelt zich op het standpunt dat de begrenzingen van de ecologische verbindingszones nog onduidelijk en onbekend zijn. Derhalve heeft de raad naar aanleiding van de door [appellant sub 20] ingediende zienswijze de aanduiding "ecologische verbindingszone" uit het plan gehaald.

28.8. Aan de bedoelde plandelen is geen aanduiding "ecologische verbindingszone" toegekend. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Wel is aan deze plandelen de aanduiding "landschapselementen" toegekend. Onder landschapselementen wordt ingevolge artikel 1, onder 1.75, van de planregels verstaan: groenelementen met landschappelijke waarden die bepalend zijn voor het omliggende landschap en in hoofdzaak bestaan uit met name inheemse beplanting in de vorm van struiken, bomen en kruidenlaag. Nu de landschapselementen, zo volgt uit het in zoverre onbetwiste deskundigenbericht, reeds jarenlang op de percelen aanwezig zijn, wordt overwogen dat de bestaande situatie in zoverre planologisch is vastgelegd. [appellant sub 20] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het als zodanig bestemmen van deze landschapselementen van wezenlijke invloed is op de bedrijfsvoering en tot schade zal leiden. Het betoog faalt.

28.9. In hetgeen [appellant sub 20] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduidingen "vrijwaringszone-vaarweg 1" en "vrijwaringszone-vaarweg 2" op het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 14] en [locatie 15] te Berlicum, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

Het beroep van ZLTO

29. ZLTO richt zich in haar beroep tegen de vaststelling van artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.3 tot en met 3.7.10, artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.4 tot en met 5.7.14 en artikel 6, lid 6.7, 6.7.4 tot en met 6.7.15, van de planregels, voor zover hierin het omzetten van bouw- of grasland naar boom- en/of sierteelt vergunningplichtig is gemaakt. Daartoe voert zij aan dat een vergunningplicht voor deze werkzaamheden niet noodzakelijk is.

29.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

De Afdeling stelt vast dat ZLTO geen zienswijze heeft ingediend tegen de in beroep bestreden planregels. In deze planregels is de omzetting van bouw- of grasland naar boom- en/of sierteelt op gronden met betreffende agrarische bestemmingen vergunningplichtig gemaakt.

Deze planregels zijn ten opzichte van het ontwerpplan niet gewijzigd, behoudens dat bij de vaststelling van het plan vanwege de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in plaats van een aanlegvergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo voor de bedoelde werkzaamheden benodigd is. Dit betreft een terminologische wijziging waardoor ZLTO niet in een nadeliger positie is gebracht. ZLTO heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij tegen de in het ontwerpplan opgenomen planregels, voor zover het betreft het omzetten van bouw- of grasland naar boom- en/of sierteelt, geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 22]

30. [appellant sub 22] betoogt dat de raad de aanduiding "relatie" waarmee de agrarische bouwvlakken op de percelen [locatie 17] en Nieuwlandweg (ongenummerd) aan elkaar zijn gekoppeld ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat zijn woning aan de [locatie 17] ten onrechte als bedrijfswoning bij zijn bedrijfsgebouwen aan de Nieuwlandweg is aangemerkt, nu de woning, die op een afstand van 400 m staat, zowel visueel als fysiek is gescheiden van deze bedrijfsgebouwen.

30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woning aan de [locatie 17] als een bedrijfswoning functioneert en als zodanig is bestemd. De noodzaak om de aanduiding "relatie" te verwijderen is niet aanwezig en een separaat bouwvlak dat voorziet in een tweede woning is in strijd met een goede ruimtelijke ordening en het provinciale beleid.

30.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels, is binnen de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de aanduiding "relatie" één gekoppeld bouwvlak toegestaan.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.3, onder a, is één bedrijfswoning binnen het bouwvlak toegestaan.

30.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat de afstand tussen [locatie 17] en de stallen op Nieuwlandweg (ongenummerd) te voet ongeveer 100 m is en per vervoersmiddel ongeveer 400 m is.

30.4. De Afdeling stelt vast dat naast de huidige bedrijfswoning aan de [locatie 17] bij het agrarisch perceel Nieuwlandweg (ongenummerd) geen tweede bedrijfswoning op het laatstgenoemde perceel mogelijk is. De raad heeft de gewenste tweede woning niet mogelijk willen maken, waarbij rekening is gehouden met artikel 11, lid 11.1, onder 1, onder a, van de in voorbereiding zijnde Verordening 2011, op grond waarvan een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied regels moet stellen ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen. De Verordening 2011 was weliswaar nog niet vastgesteld en in werking getreden ten tijde van de vaststelling van dit plan zodat de raad er niet aan was gebonden, maar de raad diende het beleid dat aan de in voorbereiding zijnde Verordening 2011 ten grondslag lag wel bij de vaststelling van het plan te betrekken. Gelet op het voorgaande, de relatief geringe afstand van de bedrijfswoning tot de bedrijfsbebouwing en de goede bereikbaarheid daarvan, acht de Afdeling de keuze van de raad om te voorzien in de aanduiding "relatie" waarmee de agrarische bouwvlakken zijn gekoppeld en één bedrijfswoning is toegestaan niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 22] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor zijn bedrijfsvoering.

30.5. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding "relatie" tussen de percelen [locatie 17] en Nieuwlandweg (ongenummerd) strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 23]

31. [appellant sub 23] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "tuincentrum" aan de [locatie 18] te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse van oudsher buitenopslag en verwerking van en handel in (rest)hout en aanverwante artikelen plaatsvindt. Ten onrechte is dit niet meer als zodanig toegestaan, terwijl het voorheen geldende plan ruimere mogelijkheden bood voor deze bedrijfsmatige activiteiten. Buitenopslag is thans aangemerkt als met het plan strijdig gebruik. Verder voert hij aan dat de raad ten onrechte beperkingen stelt aan de hoogte van erfafscheidingen, nu het niet gaat om een woning in het buitengebied, maar om een bedrijf met buitenopslag. Ter voorkoming van diefstal is de bestaande erfafscheiding op het perceel ongeveer 2 m hoog.

31.1. Voor het standpunt van de raad over buitenopslag in het buitengebied bij niet-agrarische bedrijven wordt verwezen naar 20.1.

De raad stelt dat de handel in tuinhuisjes op het perceel [locatie 18] als zodanig is bestemd. In dit plan zijn erfafscheidingen voor de gevellijn met een hoogte van 1 m, in tegenstelling tot het voorheen geldende plan, toegestaan. Een verdergaande verruiming acht de raad niet wenselijk.

31.2. Ingevolge artikel 1, onder 1.115, van de planregels, wordt in deze regels verstaan onder tuincentrum: een detailhandelbedrijf gericht op het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop van onder meer serres met tuinhout, blokhutten, tuinmeubelen en tuinhuisjes.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "tuincentrum" bestemd voor een tuincentrum.

Ingevolge lid 10.2, onder 10.2.5, mag de bouwhoogte van erfafscheidingen niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de gevellijn niet meer dan 1 m mag bedragen.

Ingevolge lid 10.5, aanhef en onder f, wordt tot het strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken binnen de bestemming "Detailhandel" in elk geval gerekend het gebruik voor opslag van goederen en materialen voor de gevellijn.

31.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat het bedrijfspand aan de [locatie 18] gedeeltelijk als tuincentrum en gedeeltelijk als werkplaats voor houtbewerking wordt gebruikt. Het onbebouwde terrein wordt gebruikt voor uitstalling van bloemen, planten en enkele houten tuinmeubelen en op kleine schaal vindt buitenopslag plaats. Rond het perceel is een hek van ongeveer 2 m geplaatst.

31.4. Met het toekennen van de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "tuincentrum" aan het perceel [locatie 18] heeft de raad een detailhandel gericht op het bedrijfsmatig te koop aanbieden van onder meer serres met tuinhout, blokhutten, tuinmeubelen en tuinhuisjes ter plaatse mogelijk gemaakt, waarbij uitstalling ter verkoop ten behoeve van het tuincentrum is toegestaan. Deze aanduiding verzet zich aldus niet tegen het gebruik van de grond als zogenoemde showtuin voor het tuincentrum.

De bestaande buitenopslag voor het tuincentrum, voor zover gesitueerd voor de gevellijn, niet zijnde uitstalling ter verkoop, is ingevolge artikel 10, lid 10.5, aanhef en onder f, van de planregels echter aangemerkt als met het plan strijdig gebruik. De verwerking van en handel in (rest)hout en aanverwante artikelen is evenmin toegestaan op grond van de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "tuincentrum". In het voorheen geldende plan had het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "tuincentrum" en waren voormelde activiteiten wel toegestaan. Gelet hierop heeft de raad bestaand legaal gebruik onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 44, lid 44.2, van de planregels gebracht. Onder verwijzing naar hetgeen in 20.5 is overwogen overweegt de Afdeling dat ook in dit geval niet is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is voormeld gebruik te doen beëindigen. Evenmin is gebleken dat de belangen die zijn gediend bij het niet als zodanig toestaan van de buitenopslag en de verwerking van en handel in (rest)hout en aanverwante artikelen zijn afgewogen tegen de belangen van [appellant sub 23] bij dit gebruik. Met de enkele stelling van de raad dat verrommeling in het buitengebied moet worden tegengegaan, wordt naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte voorbijgegaan aan bestaande legale gevallen waarbij maatwerk op perceelsniveau kan en moet worden geleverd. Het betoog slaagt.

31.5. De erfafscheiding met een hoogte van 2 m op het perceel [locatie 18] is, voor zover gesitueerd voor de gevellijn, gelet op artikel 10, lid 10.2, onder 10.2.5, van de planregels niet als zodanig bestemd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat erfafscheidingen met een hoogte van 2 m voor de gevellijn in het algemeen niet wenselijk zijn, maar dat de beëindiging van bestaande situaties geen prioriteit heeft. Met de enkele stelling dat erfafscheidingen voor de gevellijn hoger dan 1 m ruimtelijk niet wenselijk zijn, wordt echter ten onrechte voorbijgegaan aan de belangen van [appellant sub 23] bij een erfafscheiding van 2 m, zoals het voorkomen van diefstal, waarbij maatwerk op perceelsniveau kan en moet worden geleverd. Het betoog slaagt.

32. [appellant sub 23] betoogt voorts dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "houtverwerkingsbedrijf" aan de [locatie 19] te Sint-Michielsgestel ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse van oudsher buitenopslag plaatsvindt en dit gebruik is aangemerkt als met het plan strijdig gebruik. Verder voert hij aan dat de raad, om dezelfde reden als bij het perceel [locatie 18] te Berlicum, ten onrechte beperkingen stelt aan de hoogte van erfafscheidingen.

32.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.6, onder a, van de planregels, mag de bouwhoogte van erfafscheidingen niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de gevellijn niet meer dan 1 m mag bedragen.

Ingevolge lid 7.5, aanhef en onder d, wordt tot het strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken binnen de bestemming "Bedrijf" in elk geval gerekend het gebruik voor (permanente) buitenopslag van goederen en materialen behoudens ter plaatse van de aanduiding "opslag".

Ingevolge lid 7.6, aanhef en onder 7.6.2, kan het bevoegde gezag (een omgevingsvergunning tot) afwijking verlenen voor buitenopslag indien voldaan is aan de daarin opgenomen voorwaarden.

32.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat het onbebouwde terrein op het perceel [locatie 19] als buitenopslag van goederen en materialen voor het houtverwerkingsbedrijf wordt gebruikt. Rond het perceel is een hek van ongeveer 2 m geplaatst.

32.3. De Afdeling stelt vast dat de bestaande buitenopslag van het houtverwerkingsbedrijf op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 19] is aangemerkt als met het plan strijdig gebruik. In het voorheen geldende plan had het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "houtverwerkingsbedrijf" en was buitenopslag wel toegestaan. Gelet hierop heeft de raad het bestaand legaal gebruik voor buitenopslag onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 44, lid 44.2, van de planregels gebracht en is dit gebruik niet meer als zodanig toegestaan. De Afdeling is, onder verwijzing naar 20.5, van oordeel dat het besluit, voor zover buitenopslag op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" niet is als zodanig is toegestaan, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Daarbij is van belang dat wat betreft het perceel [locatie 19] evenmin is gebleken dat het gemeentebestuur in dit geval voornemens is voormeld gebruik te doen beëindigen en dat de raad de belangen van [appellant sub 23] bij de buitenopslag ook op dit perceel niet heeft afgewogen tegen de belangen bij het niet als zodanig toestaan van dit gebruik. Het betoog slaagt.

32.4. De erfafscheiding met een hoogte van 2 m op het perceel [locatie 19] is, voor zover gesitueerd voor de gevellijn, gelet op artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.6, onder a, van de planregels niet als zodanig bestemd. Gelet op hetgeen onder 33.5 is overwogen is de raad naar het oordeel van de Afdeling ook hier ten onrechte voorbijgegaan aan de belangen van [appellant sub 23] bij een erfafscheiding van 2 m voor de gevellijn.

Voor zover de erfafscheiding van 2 m achter de gevellijn staat, is deze bestaande erfafscheiding als zodanig bestemd. Door de erfafscheiding in dit geval slechts gedeeltelijk als zodanig te bestemmen en de belangen van [appellant sub 23] bij de gehele erfafscheiding niet in de belangenafweging te betrekken heeft de raad in zoverre onzorgvuldig gehandeld. Het betoog slaagt.

33. In hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "tuincentrum" aan de [locatie 18] te Berlicum en het plandeel met bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "houtverwerkingsbedrijf" aan de [locatie 19] te Sint-Michielsgestel is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 24]

34. [appellant sub 24] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" en de aanduiding "besloten gebied" op het perceel [locatie 20] te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte niet de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bebouwingsconcentratie" is toegekend, nu het pand sinds 1894 tot omstreeks 1960 is bewoond en het perceel volledig is omsloten door andere bebouwing. Voorts had het perceel volgens de kadastrale gegevens voorheen ook de bestemming "Wonen".

34.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woning al lang niet meer aanwezig is. De bouw van een nieuwe woning buiten een bebouwingsconcentratie in het buitengebied is in strijd met een goede ruimtelijke ordening en het gemeentelijke beleid.

34.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel resten staan van een woning. Tot ongeveer 1960 was de woning bewoond en daarna is het pand in verval geraakt. In het voorheen geldende plan had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" zonder bouwvlak.

34.3. Niet in geschil is dat het gebruik van de voormalige woning op het perceel ruim voor de vaststelling van dit plan is beëindigd en dat het pand in verval is geraakt. Het perceel had in het voorheen geldende plan de bestemming "Agrarisch gebied" zonder bouwvlak. Nu de raad vanwege de ligging van het perceel in het buitengebied de bestemming "Wonen" in strijd heeft geacht met het gemeentelijke beleid, is niet voorzien in een nieuwe woning. Dat het perceel omsloten is door enige andere bebouwing, neemt niet weg dat dit perceel buiten de bebouwingsconcentratie ligt. Om verdichting in het buitengebied tegen te gaan, acht de Afdeling de keuze van de raad om de agrarische bestemming te handhaven niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat in de kadastrale gegevens de omschrijving "Wonen" zou zijn opgenomen, geen omstandigheid is waaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat door de raad zou worden voorzien in een woonbestemming.

34.4. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" en de aanduiding "besloten gebied" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 25]

35. [appellant sub 25] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in de aanduiding "ecologische hoofdstructuur" ter hoogte van de kruising van de Keerdijk-Poeldonksedijk met de Bosscheweg in Den Dungen. Daartoe voert hij aan dat de provincie de EHS heeft uitgewerkt voor dit gebied en dat de raad deze in het plan had moeten overnemen.

35.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bedoelde gronden in de Verordening 1e fase zijn aangewezen als "zoekgebied voor ecologische verbindingszone". Nu sprake is van een zoekgebied en de omvang en ligging hiervan ten tijde van de vaststelling van dit plan nog niet vaststond is volstaan met een wijzigingsbevoegdheid, die een wijziging van de bestemmingen naar de bestemming "Natuur" mogelijk maakt. Verder wijst de raad erop dat de bedoelde gronden door de aanduiding "historisch landschappelijk gebied" reeds enige bescherming genieten.

35.2. Ingevolge artikel 41, lid 41.3, van de planregels, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen in de bestemming "Natuur", mits voldaan wordt aan de daarin opgenomen voorwaarden.

35.3. Ingevolge artikel 3.1.2, eerste lid, van de Verordening 1e fase zijn als zoekgebied voor ecologische verbindingszone aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 m zijn vastgelegd op kaartlaag EHS.

Ingevolge artikel 3.1.4, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een zoekgebied voor ecologische verbindingszone tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone. Een zoekgebied voor ecologische verbindingszone heeft in een bestemmingsplan een breedte van ten minste 25 m.

Ingevolge het tweede lid, stelt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid:

a. beperkingen aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing, voor zover zulks nodig is om te voorkomen dat dit gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone;

b. regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.

35.4. Vast staat dat de bedoelde gronden ter hoogte van de kruising Keerdijk in de ten tijde van het bestreden besluit geldende Verordening 1e fase als zoekgebied voor een ecologische verbindingszone zijn aangewezen. Deze gronden hebben onder meer de bestemmingen "Verkeer", "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". Gedeeltelijk is aan deze gronden tevens de aanduiding "historisch landschappelijk gebied" toegekend.

Het plan voorziet ten behoeve van de natuurontwikkeling in een algemene wijzigingsbevoegdheid. [appellant sub 25] heeft, mede gelet op deze wijzigingsbevoegdheid en de gedeeltelijke toekenning van de aanduiding "historisch landschappelijk gebied", niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheid om ter plaatse een ecologische verbindingszone te verwezenlijken wordt beperkt door het plan. Het plan is in zoverre niet in strijd met artikel 3.1.4, eerste lid, van de Verordening 1e fase vastgesteld. Het betoog faalt.

35.5. In hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 26]

36. [appellant sub 26] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "volkstuin" op de percelen tegenover het perceel [locatie 21] te Berlicum ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat er geen aanleiding was om de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Recreatie", deze bestemming niet in lijn is met de agrarische bestemming van het omliggende gebied en dat er onvoldoende onderzoek is verricht naar mogelijke hinder als gevolg van deze wijziging.

36.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Recreatie" aansluit bij het huidige niet-agrarische gebruik als volkstuin van deze percelen. Het toestaan van andere vormen van recreatie is slechts mogelijk met een afwijking die gekoppeld is aan een aantal voorwaarden.

Nu op het plandeel geen bouwvlak is opgenomen, is daarnaast alleen een andere vorm van recreatie zonder bebouwing denkbaar.

36.2. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder b, van de planregels, zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "volkstuin" bestemd voor een volkstuin.

Ingevolge lid 15.2, onder 15.2.1, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge lid 15.5, aanhef en onder 15.5.2, kan het college van burgemeester en wethouders een (omgevingsvergunning tot) afwijking verlenen voor een andere vorm van recreatie indien voldaan is aan de daarin opgenomen voorwaarden.

36.3. De gronden tegenover het perceel [locatie 21] zijn overeenkomstig het bestaande gebruik als volkstuin bestemd. Gelet op dit niet bedrijfsmatige gebruik van deze gronden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een agrarische bestemming had moeten toekennen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij recht uitsluitend volkstuinen zijn toegestaan. Een andere vorm van recreatie waardoor [appellant sub 26] hinder zou kunnen ondervinden is ingevolge artikel 15, lid 15.5, aanhef en onder 15.2.2, van de planregels slechts mogelijk na het verlenen van een omgevingsvergunning tot afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro, waaraan in het plan strikte voorwaarden zijn gekoppeld. Verder is van belang dat op het plandeel geen bouwvlak is opgenomen. [appellant sub 26] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het plandeel met de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "volkstuin" en het nabijgelegen plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden" niet verenigbaar zijn.

36.4. In hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "volkstuin" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 27]

37. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 27] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Dat er volgens [appellant sub 27] in het kader van de totstandkoming van het plan overleg zou hebben plaatsgevonden maakt niet reeds dat er gedurende de termijn van terinzagelegging door of namens [appellant sub 27] een zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren is gebracht.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Dat de in beroep bestreden plandelen ten opzichte van het ontwerpplan bij de vaststelling zijn gewijzigd maakt dit in dit geval niet anders. De wijziging bestaat er uit dat het agrarische bouwvlak uit het ontwerpplan in het vastgestelde plan is omgezet in een kleiner bouwvlak met de bestemming "Wonen". De omliggende gronden hebben een agrarische bestemming behouden. In het ontwerpplan, noch in het vastgestelde plan waren de door [appellant sub 27] gewenste twee (bedrijfs)woningen ter plaatse mogelijk.

Voorts is een aan-huis-gebonden beroep op het gebied van brandpreventie ingevolge artikel 23, lid 23.1, onder d, van de planregels van het vastgestelde plan binnen de bestemming "Wonen" onder dezelfde voorwaarden toegestaan als een aan-huis-gebonden beroep ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder j, van de planregels van het ontwerpplan binnen het bouwvlak met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". Gelet hierop hebben de wijzigingen in zoverre geen andere ontwikkelingen mogelijk gemaakt dan die waarin het ontwerpplan voorzag.

Uit de strekking van artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat het beroep onder deze omstandigheden slechts ontvankelijk is als [appellant sub 27] door de gewijzigde vaststelling van het plan in een nadeligere positie is gekomen ten opzichte van het ontwerpplan. Die omstandigheid doet zich hier, gelet op het voorgaande, niet voor. Het beroep is niet-ontvankelijk.

De beroepen van [appellante sub 28] en anderen en [appellant sub 29]

38. [appellant sub 29] en [appellante sub 28] en anderen betogen dat de raad de plandelen met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ten onrechte heeft vastgesteld omdat de voorziene waterberging hun agrarische bedrijfsvoering ernstig zal belemmeren.

[appellante sub 28] en anderen voeren aan dat het aan de voorziene waterberging ten grondslag gelegde milieueffectrapport "MER Dynamisch Beekdal" van 19 mei 2009 (hierna: MER) ondeugdelijk is. Zij wijzen voorts op de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, in zaaknr 200806140/1/R1), waaruit volgens hen volgt dat alleen als gekozen zou worden voor de minimale variant ernstige vernatting kan worden voorkomen. In dit plan is echter gekozen voor het zogenoemde vrijstromende alternatief en derhalve is ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de cumulatieve waterhuishoudkundige effecten niet zodanig zullen zijn dat ter plaatse geen agrarische activiteiten meer kunnen worden uitgeoefend. Verder voeren zij aan dat de exacte inrichting en gevolgen van de waterberging pas in nog vast te stellen projectplannen worden vastgelegd, terwijl dit bestemmingsplan al wel voorziet in de aanwijzing van het waterbergingsgebied. Zij betogen voorts dat de definitieomschrijving van "waterberging" onjuist is, nu deze niet overeenkomt met de beoogde werking van het waterbergingsgebied, namelijk het overstromen van waterlopen.

[appellant sub 29] voert aan dat onduidelijk is hoe het zogenoemde inrichtingsplan Dynamisch Beekdal, het zogenoemde Koepelplan, zich verhoudt tot het bestemmingsplan. Verder voert hij aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen, nu zijn huiskavel nagenoeg volledig kan worden gebruikt voor waterberging. Daarnaast wordt hij beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden, nu uitbreiding van zijn bouwvlak niet meer mogelijk is. Verder voert hij aan dat onduidelijk is welke schade voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de Waterwet of de Wro. Hij vreest dat niet al zijn schade vergoed zal worden en dat zijn bedrijf ter plaatse niet kan voortbestaan door de waterberging.

38.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ruimtelijke onderbouwing voor de voorziene waterberging is geleverd in het MER. De gevolgen hiervan zijn in samenhang met de gevolgen van het Tracébesluit "Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen" bezien. Het gebied dat is voorzien van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is geheel aangewezen als waterbergingsgebied, maar de exacte inrichting van dit gebied zal worden bezien bij de door het waterschap Aa en [appellant sub 18] nog vast te stellen projectplannen, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De exacte gevolgen van het waterbergingsgebied op perceelsniveau, zoals de frequentie en mate van inundatie, voor bestaande agrarische functies zullen alsdan inzichtelijk moeten zijn. Bij mogelijke inundatieschade kunnen [appellant sub 29] en [appellante sub 28] en anderen zich wenden tot het waterschap.

38.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 1.127, van de planregels, wordt onder waterberging verstaan: tijdelijke opslag van water, waarbij de hoeveelheid water wordt opgenomen in de waterlopen en de bodem in een gebied.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor agrarische bedrijfsuitoefening, agrarisch gebruik, agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "beekdal" voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide beekdalsysteem.

Ingevolge artikel 34, lid 34.1, zijn de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, met voorrang mede bestemd voor inundatiegebied en voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende waterberging.

Ingevolge lid 34.2, onder 34.2.1, mogen op de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden buiten het bouwvlak uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een maximale hoogte van 2 m.

Ingevolge het bepaalde onder 34.2.2, mag op de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden voor de andere daar voorkomende bestemming, behalve binnen de bouwvlakken, niet worden gebouwd.

Aan de agrarische gronden van [appellant sub 29] en [appellante sub 28] en anderen is, uitgezonderd de bouwvlakken, grotendeels de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" toegekend.

38.3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet wordt onder bergingsgebied verstaan: een krachtens de Wro voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, dient de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder te geschieden overeenkomstig een door hem vast te stellen projectplan.

Ingevolge het tweede lid bevat het plan ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk.

38.4. De Afdeling stelt vast dat door middel van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is voorzien in de aanwijzing van een bergingsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet.

In artikel 1, onder 1.127, van de planregels is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk neergelegd dat hier een dergelijk bergingsgebied is voorzien. Voor zover [appellante sub 28] en anderen betogen dat onduidelijk is hoe voormelde dubbelbestemming zich verhoudt tot onder meer de aanduidingen "beekdal" en "waterbergingsgebied in te richten", wordt overwogen dat aan laatstgenoemde aanduiding geen betekenis toekomt, nu deze wel in de planregels, maar niet op de vastgestelde verbeelding voorkomt.

De aanduiding "beekdal" komt wel in de regels en op de verbeelding voor en brengt met zich dat deze gronden onder meer zijn bedoeld voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de waarden van het aangeduide beekdalsysteem. Deze aanduiding is verenigbaar met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" en valt, met uitzondering van de bouwvlakken waaraan deze dubbelbestemming niet is toegekend, hiermee samen. Het betoog faalt.

38.5. Voor zover [appellante sub 28] en anderen betogen dat de inrichting van het waterbergingsgebied ten onrechte pas in nog vast te stellen projectplannen zal worden vastgelegd en dat daardoor de exacte gevolgen hiervan voor hun bedrijven nog niet inzichtelijk zijn, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 april 2012, in zaak nr. 201111989/1/A4, dat in een bestemmingsplan alleen de planologische aanwijzing van een gebied tot bergingsgebied wordt vastgelegd. Dit houdt in dat deze aanwijzing als zodanig en de verenigbaarheid van de verschillende op grond van het bestemmingsplan mogelijke functies van het aangewezen gebied in deze procedure aan de orde kunnen komen. De concrete inrichting van het bergingsgebied wordt echter in één of meer door de waterbeheerder vast te stellen projectplannen als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet vastgelegd, waartegen door belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Dit houdt in dit geval in dat de door [appellante sub 28] en anderen en [appellant sub 29] aan de orde gestelde frequentie en mate van inundatie van hun gronden in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, nu deze aspecten zullen worden vastgelegd in nog vast te stellen projectplannen en niet in dit bestemmingsplan.

38.6. Voor het in dit plan aangewezen waterbergingsgebied is een MER opgesteld, waarbij het Koepelplan als uitgangspunt heeft gediend. In de bij de plantoelichting behorende bijlage "Dynamisch Beekdal" van december 2009 staat dat de omvang en begrenzing van het gebied met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is gebaseerd op het in het MER beschreven vrijstromend alternatief. In het MER is de bergingscapaciteit en de oppervlakte die bij deze variant maximaal kan inunderen berekend. In dit gebied mogen enkel ontwikkelingen plaatsvinden die neutraal of dienstbaar zijn aan het doel van de waterberging. Ontwikkelingen die daarmee in strijd zijn worden geweerd, aldus de toelichting. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling inzichtelijk gemaakt op basis van welke uitgangspunten tot de omvang en begrenzing van het aangewezen waterbergingsgebied is gekomen.

38.7. De door [appellante sub 28] en anderen genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, waarin, onder verwijzing naar het rapport "Detaillering hydrologische effecten omlegging Zuid-Willemsvaart" van Royal Haskoning van 4 november 2009, is geoordeeld dat de waterhuishoudkundige gevolgen van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart in samenhang met de gevolgen van de aanleg van de Rosmalense Aa en het project "Dynamisch Beekdal" moeten worden bezien, staat niet in de weg aan de planologische aanwijzing van het bergingsgebied in dit bestemmingsplan. Daarbij is van belang dat deze aanwijzing door middel van het toekennen van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" met de daaraan verbonden planregels slechts tot doel heeft ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan met het oog op het toekomstige gebruik van deze gronden als bergingsgebied en, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet de exacte inrichting op perceelsniveau inhoudt. De cumulatieve waterhuishoudkundige gevolgen van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart en de aanleg en inrichting van het waterbergingsgebied op perceelsniveau en de daarbij behorende vraag of ter plaatse het huidige agrarisch gebruik kan worden voortgezet kunnen bij het projectplan voor de gronden aan de orde komen.

In het kader van het voorliggende bestemmingsplan en de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is slechts van belang of de toegekende bestemmingen en daarbij behorende functies met elkaar verenigbaar zijn. Nu de gronden in overeenstemming met de ruime bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" kunnen worden gebruikt voor zowel agrarisch gebruik, agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer, water en waterhuishoudkundige voorzieningen als voor waterberging zijn voormelde bestemmingen met elkaar verenigbaar. Het betoog faalt.

38.8. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college van burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet wordt aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen lasten behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 7.16 blijft artikel 6.1 van de Wro buiten toepassing, voor zover een belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid.

38.9. Voor zover [appellant sub 29] aanvoert dat het onduidelijk is welke schade voor vergoeding in aanmerking komt, wordt overwogen dat de oorzaken van schade in dit verband moeten worden onderscheiden. Schade ten gevolge van de planologische aanwijzing van het bergingsgebied in het bestemmingsplan, zoals waardevermindering van agrarische gronden door de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied", kan op grond van artikel 6.1 van de Wro voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast bevatten de artikelen 7.14 en 7.16 van de Waterwet regels voor de vergoeding van schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid van het waterschap. Het waterschap heeft invulling gegeven aan voormelde artikelen van de Waterwet en heeft voorzien in een nadeelcompensatieregeling waarbij schade als gevolg van de inrichting van het bergingsgebied en schade als gevolg van inundatie voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het betoog faalt.

38.10. Voor zover de raad geen uitbreiding van het bouwvlak van [appellant sub 29] mogelijk heeft willen maken, wordt overwogen dat dit, gelet op het werende karakter van de planologische aanwijzing van een bergingsgebied, waarbij ongewenste ontwikkelingen met het oog op het toekomstig gebruik als waterberging worden tegengegaan, niet onredelijk is. Het betoog faalt.

38.11. In hetgeen [appellant sub 29] en [appellante sub 28] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 30]

39. [appellante sub 30] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 22] te Den Dungen ten onrechte heeft vastgesteld. Voorts richt zij zich tegen het verbod op buitenopslag. Zij voert aan dat ten onrechte niet aan heel haar perceel een bedrijfsbestemming met de mogelijkheid van buitenopslag is toegekend. Voorts geldt voor niet-agrarische bedrijven ten onrechte slechts een maximale uitbreidingsmogelijkheid van 15%.

39.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het kader van de vaststelling van dit plan niet is onderzocht of een bedrijfsbestemming ter plaatse van het noordelijke deel van het perceel met de agrarische bestemming mogelijk is. Voor het standpunt van de raad wat betreft buitenopslag in het buitengebied bij niet-agrarische bedrijven wordt verwezen naar 20.1. Het beleid bij bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied is voorts gericht op het verplaatsen daarvan naar bedrijventerreinen en het voorkomen van groei. In incidentele gevallen kan wel medewerking worden verleend aan een vergroting van het bebouwd oppervlak met maximaal 15%.

39.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat het deel van het perceel met de bestemming "Agrarisch" sinds 1981 niet meer voor agrarische doeleinden maar voor buitenopslag van bouwmaterialen in gebruik is. Buitenopslag vindt zowel op de agrarische als op de bedrijfsgronden plaats.

39.3. Ingevolge artikel 2, onder B/C, onder I, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1991", dat grotendeels in werking is getreden in 1992, mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing, en het gebruik van opstallen strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied", dat in werking is getreden in 2002, mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het in artikel 24 bepaalde en dat reeds plaatsvond voor de datum, waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid is het bepaalde in het tweede lid niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot die datum geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden.

39.4. Niet in geschil is dat de gronden met de agrarische bestemming voor het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan uit 1992 voor bedrijfsmatige buitenopslag in gebruik waren. Gelet op het gebruiksovergangsrecht uit de plannen uit 1992, 2002 en dit plan, stelt de Afdeling vast dat het bedrijfsmatige gebruik van deze gronden voor buitenopslag wederom onder het gebruiksovergangsrecht is gebracht. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaand gebruik aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op beëindiging van het gebruik binnen de planperiode. Dit is echter niet aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden had de raad moeten bezien wat voor deze gronden een passende regeling is. Daarbij kan worden gedacht aan een uitsterfregeling, die inhoudt dat het bestaande gebruik als zodanig wordt toegestaan, met dien verstande dat als dit gebruik eindigt dit hierna niet langer is toegestaan. Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 22], genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

39.5. Op de gronden met de bestemming "Bedrijf" op het perceel [locatie 22] is buitenopslag aangemerkt als strijdig gebruik. In het voorheen geldende plan hadden bedoelde gronden de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" en was buitenopslag op grond hiervan toegestaan. Gelet hierop heeft de raad het bestaande legale gebruik voor buitenopslag onder het gebruiksovergangsrecht gebracht en is dit gebruik niet als zodanig toegestaan. De Afdeling is, onder verwijzing naar 20.5, van oordeel dat het besluit, voor zover buitenopslag op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" niet is als zodanig is toegestaan, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Daarbij is van belang dat wat betreft dit plandeel aan de [locatie 22] evenmin is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is voormeld gebruik te doen beëindigen. Evenmin is gebleken dat de raad de belangen van [appellante sub 30] bij haar bestaande buitenopslag heeft afgewogen tegen de belangen bij het niet als zodanig toestaan van buitenopslag. Het betoog slaagt.

39.6. De raad heeft vergroting van niet-agrarische bedrijven bij recht in het buitengebied in het algemeen niet wenselijk geacht, nu het beleid juist is gericht op het verplaatsen van deze bedrijven naar bedrijventerreinen. Daar waar geen concrete plannen zijn om een niet-agrarisch bedrijf te verplaatsen zijn de bedrijven als zodanig in het buitengebied bestemd. De maximaal toegestane bebouwde oppervlakte is in beginsel gelijk aan de bestaande bebouwde oppervlakte. In incidentele gevallen kan, onder voorwaarden, van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 7, lid 7.4, onder 7.4.2, van de planregels ter vergroting van het bebouwd oppervlak gebruik worden gemaakt. Gelet op het voorgaande en de ligging van het perceel in het buitengebied, acht de Afdeling het niet bij recht toekennen van meer uitbreidingsmogelijkheden dan de maximale mogelijkheid van 15% in dit geval niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellante sub 30] geen concrete plannen tot uitbreiding kenbaar heeft gemaakt ten tijde van de vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

39.7. In hetgeen [appellante sub 30] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 22], voor zover buitenopslag ter plaatse niet als zodanig is toegestaan, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 31]

40. Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Het ontwerpplan is met ingang van 23 april 2010 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 3 juni 2010. Het ontwerp van de structuurvisie Buitengebied is als apart document van 2 juli 2010 tot en met 12 augustus 2010 ter inzage gelegd. In deze termijn heeft [appellant sub 31] een zienswijze ingediend.

De Afdeling is, anders dan de raad, van oordeel dat de tegen het ontwerp van de structuurvisie Buitengebied ingediende zienswijze mede is gericht tegen het ontwerpplan. [appellant sub 31] voert aan dat de gemeente hem, zoals toegezegd in de brief van 8 januari 2010, niet heeft geïnformeerd over de reactie op zijn ingediende inspraakreactie tegen het voorontwerpplan, waarna het ontwerpplan ter inzage zou worden gelegd. In deze brief staat dat [appellant sub 31] naar verwachting in februari 2010 bericht zou ontvangen op zijn inspraakreactie en dat daarna een ontwerpplan ter inzage zou worden gelegd. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 31] uit deze brief redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat het ontwerpplan niet ter inzage zou worden gelegd voordat hij zou zijn bericht over zijn inspraakreactie. Nu niet is gebleken van een dergelijk bericht waarna de besluitvorming zou worden voortgezet en [appellant sub 31] alsnog binnen aanvaardbare termijn na kennisname van de publicatie van het ontwerp van de structuurvisie Buitengebied een zienswijze heeft ingediend, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 31] in zoverre in zijn beroep ontvankelijk is.

40.1. Het beroep van [appellant sub 31], voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemming "Agrarisch" op de percelen, kadastraal bekend sectie E, nummers 107 en 805 nabij [locatie 23] te Den Dungen, steunt echter niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 31] in zoverre redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij hiertegen geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Het beroep is, voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemming "Agrarisch" op de percelen, kadastraal bekend sectie E, nummers 107 en 805 nabij [locatie 23] te Den Dungen, niet-ontvankelijk.

40.2. [appellant sub 31] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en het bouwvlak aan de [locatie 23] te Den Dungen, kadastraal bekend sectie E, nummer 804, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat hieraan ten onrechte niet de bestemming "Wonen" is toegekend, nu dit gebied niet meer als buitengebied kan worden beschouwd. Evenmin voorziet het plan in de mogelijkheid bijgebouwen tot een oppervlakte van 400 m² en een kas met een oppervlakte van maximaal 200 m² bij de beoogde woning te bouwen.

40.3. De raad stelt zich op het standpunt dat op het plandeel in het voorheen geldende plan met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" ook geen woning was toegestaan. Het perceel ligt buiten een door de structuurvisie Buitengebied aangewezen bebouwingsconcentratie, waardoor maatwerk dient te worden geleverd. Nu zich ten tijde van de vaststelling van het plan in de omgeving van het perceel agrarische bedrijven bevonden, heeft de raad het toekennen van de bestemming "Wonen" en een bouwvlak niet mogelijk geacht.

40.4. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder a, van de planregels, mogen binnen de bestemming "Agrarisch" gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.2, aanhef en onder g, mogen kassen binnen het bouwvlak worden gebouwd tot een maximum van 5.000 m² en met een maximale hoogte van 5 m.

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.3, onder a, is één bedrijfswoning toegestaan, tenzij op de verbeelding is aangeduid dat het aantal wooneenheden '0' woningen bedraagt.

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.3, aanhef en onder e, geldt voor het bouwen van bijgebouwen binnen het bouwvlak dat het gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 100 m² mag bedragen.

40.5. Het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en het bouwvlak met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 0" aan de [locatie 23] voorziet niet in een woning. De raad heeft in zoverre de bestaande situatie vastgelegd. Het perceel ligt buiten een bebouwingsconcentratie. Volgens de structuurvisie Buitengebied zijn nieuwe ontwikkelingen buiten bebouwingsconcentraties uitsluitend toegestaan na een ruimtelijk planologische toetsing en indien dit geen beperking oplevert voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Gelet hierop is het toekennen van de bestemming "Wonen" met bouwvlak aan het perceel in strijd met de structuurvisie Buitengebied en heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze bestemming, mede gelet op de ten tijde van het bestreden besluit in de omgeving van het perceel aanwezige agrarische bedrijven, niet gewenst is.

Binnen het agrarische bouwvlak is de bouw van bijgebouwen en kassen mogelijk. In hetgeen [appellant sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met de vaststelling van dit plandeel in zoverre onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 31] geen concrete plannen kenbaar heeft gemaakt ten tijde van de vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

40.6. In hetgeen [appellant sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 32]

41. [appellant sub 32] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 24] te Den Dungen ten onrechte heeft vastgesteld omdat de vergunde machineberging en het gebruik als loonwerkbedrijf als nevenactiviteit niet als zodanig zijn bestemd. Dit gebouw en gebruik zijn ten onrechte voor de tweede maal onder het overgangsrecht gebracht. Hij wijst er daarbij op dat hem in 2007 is medegedeeld dat vanwege het overgangsrecht niet handhavend zou worden opgetreden. [appellant sub 32] betoogt verder dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de overzijde van [locatie 24] ten onrechte heeft vastgesteld, nu een bestaande en vergunde verharding niet mogelijk is gemaakt.

41.1. De raad stelt zich op het standpunt dat weliswaar een bouwvergunning is verleend voor een machineberging op het perceel [locatie 24], maar dat geen bouwvlak is toegekend, nu een bouwvlak ter plaatse nooit aanwezig is geweest. Er is ook geen volwaardig agrarisch bedrijf dat een bouwvlak rechtvaardigt. De raad stelt verder dat de loonwerkactiviteiten nooit toegestaan waren en acht dit gebruik ter plaatse vanwege de smalle weg en gelet op de verkeersaantrekkende werking niet wenselijk. De raad stelt verder dat de verharding aan de overzijde van de [locatie 24] is toegestaan en dat hiervoor geen bouwvlak is vereist.

41.2. Het perceel [locatie 24] en het daar tegenover gelegen bedoelde stuk grond hebben de bestemming "Agrarisch". Aan de plandelen is geen bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, b en c, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een agrarische bedrijfsuitoefening, agrarisch gebruik en een grondgebonden bedrijf.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van gebouwen dat gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen het bouwvlak.

Ingevolge lid 3.7, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden, met dien verstande dat voor het verharden van minder dan 100 m² buiten het bouwvlak geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden nodig is.

41.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied", dat in werking is getreden in 2002, had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied", zonder medebestemming of bouwvlak.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a, van de voorschriften van dat plan zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing dat reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid, is het bepaalde in het tweede lid, niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot die datum geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden.

41.4. In het daarvoor geldende plan "Buitengebied 1991", dat grotendeels in werking is getreden in 1992, hadden de percelen de bestemming "Agrarische doeleinden" zonder bouwvlak.

Ingevolge artikel 3 van de bij dat plan behorende voorschriften zijn die gronden bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden.

41.5. Vast staat dat op 5 februari 1991 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een machineberging van 145 m² op het perceel [locatie 24]. Verder is niet in geschil dat twee damwanden op het perceel aansluitend aan de machineberging legaal zijn aangebracht.

Ter zitting is gebleken dat geen andere bouwwerken meer op het perceel aanwezig zijn. Vast staat dat het bestaande en legale bouwwerk niet als zodanig is bestemd, terwijl legale bouwwerken in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, wel als zodanig moeten worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij het niet als zodanig bestemmen zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er in een dergelijk geval concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk, omdat overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Niet is gebleken dat de raad bij het niet als zodanig bestemmen van het bouwwerk het belang dat daarbij is gediend heeft afgewogen tegen het belang van [appellant sub 32]. Evenmin heeft de raad aannemelijk gemaakt dat dit bouwwerk binnen de planperiode zal verdwijnen. Derhalve heeft de raad in zoverre onzorgvuldig gehandeld.

Het betoog slaagt. Gelet daarop behoeven de andere betogen over dit bouwwerk geen bespreking meer.

41.6. Wat betreft het gebruik als loonwerkbedrijf als nevenfunctie stelt de Afdeling vast dat het voorheen geldende plan en het daarvoor geldende plan dit niet-agrarische gebruik niet mogelijk maakten. Het gebruiksovergangsrecht in artikel 23, tweede lid, van het voorheen geldende plan is in het derde lid beperkt tot gebruik dat niet in strijd was met het vorige plan. Derhalve viel het gebruik voor het loonwerkbedrijf niet onder het gebruiksovergangsrecht van dat plan. Gelet op artikel 44, lid 44.2, van de planregels valt het gebruik evenmin onder het gebruiksovergangsrecht van dit plan. Het betoog dat het gebruik voor de tweede maal onder het overgangsrecht is gebracht, faalt reeds daarom.

Voor zover [appellant sub 32] wijst op de brief van het college van burgemeester en wethouders van 15 november 2007, waarin staat dat het niet zal overgaan tot handhaving en dat het gebruik onder het overgangsrecht valt, wordt overwogen dat dit niet maakt dat de raad het gebruik als zodanig moest bestemmen. Verder is van belang dat vast staat dat het gebruik niet onder het overgangsrecht valt en dat deze brief afkomstig is van het college van burgemeester en wethouders, terwijl de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad berust.

De raad heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van de nevenfunctie van loonwerkbedrijf bij de agrarische functie ter plaatse ruimtelijk niet gewenst is, vanwege de omvang van de IJzeren Poortweg en de locatie ten opzichte van de bebouwde kom. Daarbij heeft de raad in redelijkheid rekening kunnen houden met de verkeersaantrekkende werking van een dergelijk gebruik. De betogen falen.

41.7. Wat betreft de verharding aan de overzijde van het perceel [locatie 24] stelt de Afdeling vast dat artikel 3.7, aanhef en onder a, van de planregels een aanlegvergunningenstelsel inhoudt voor verhardingen van meer dan 100 m² binnen de bestemming "Agrarisch", buiten een bouwvlak. Nu een aanlegvergunning voor de verharding ten behoeve van agrarisch gebruik is verleend, is deze verharding ter plaatse in zoverre toegestaan en mist het betoog feitelijke grondslag.

41.8. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 24], voor zover de machineberging niet als zodanig is bestemd, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal een termijn worden gesteld.

Het beroep van [appellant sub 33]

42. [appellant sub 33] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Wonen" aan [locatie 25] te Gemonde ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat ten onrechte een zorgboerderij niet mogelijk is, terwijl zij daarvoor een gemotiveerd verzoek heeft ingediend. Zij voert voorts aan dat haar perceel zou moeten worden opgenomen in de bebouwingsconcentratie, omdat dit meer mogelijkheden biedt. Ten slotte stelt zij dat het bouwvlak alle aanwezige bebouwing zou moeten omvatten.

42.1. Bij brief van 10 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders, in antwoord op voormeld verzoek om op het perceel een zorgboerderij te vestigen, alsmede het verzoek om de op het perceel aanwezige bebouwing toe te staan, medegedeeld dat dit niet mogelijk is. Een zorgboerderij kan alleen samenhangen met een agrarische bedrijfsvoering en kan niet een op zichzelf staande activiteit zijn. Voorts stelt het college dat het uitoefenen van een zorgboerderij niet valt onder de doeleindenomschrijving van de medebestemming "Woondoeleinden" en dat is geconstateerd dat er ongeveer 500 m² aan bijgebouwen aanwezig is op het perceel, terwijl slechts 100 m² is toegestaan. Een zorgboerderij past hier niet, omdat het perceel niet in een bebouwingsconcentratie ligt en de gewenste functieverandering geen kwaliteitsverbetering oplevert. Het toestaan van meer dan 100 m² aan bijgebouwen past niet in de doelstelling van ontstening. De raad heeft zich bij het voorgaande aangesloten.

42.2. In het plan heeft het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder a en d, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen in een woning en de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in het hoofdgebouw, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van de beroepsmatige activiteiten, maximaal 100 m² van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner.

In het voorheen geldende plan had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met de medebestemming "Woondoeleinden".

42.3. Vast staat dat de uitoefening van een zelfstandige zorgactiviteit ter plaatse niet is toegestaan. Niet in geschil is dat het uitoefenen van deze zorgactiviteit onder het voorheen geldende plan evenmin was toegestaan.

De raad heeft de zorgactiviteit niet mogelijk willen maken, omdat het gemeentelijke beleid dit slechts toestaat als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, vanwege de verwevenheid met het agrarisch bedrijf.

De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voor zover [appellant sub 33] in dit verband stelt dat dit beleid niet is terug te vinden in de stukken, is van belang dat de gewenste zorgactiviteit, waaronder wordt verstaan het aanbieden van (arbeids)therapie in de vorm van paardenverzorging, paardrijden en werken in een moestuin, kan worden aangemerkt als verbrede vorm van landbouw bij een agrarisch bedrijf en dat dit beleid onder meer is verwoord in de plantoelichting. Het betoog faalt.

42.4. Over het betoog dat het bouwvlak alle aanwezige bebouwing zou moeten omvatten is het volgende van belang. In het deskundigenbericht staat dat de bijgebouwen op het perceel zijn gesloopt en vervangen door nieuwbouw, zonder de daartoe vereiste vergunningen. De aanwezige oppervlakte aan bijgebouwen van ongeveer 375 m² is met de nieuwbouw uitgebreid tot ongeveer 500 m². Een gedeelte van deze bijgebouwen is buiten het bouwvlak gebouwd. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om alle aanwezige bebouwing op te nemen in een groter bouwvlak. Het betoog faalt.

42.5. Wat betreft de bebouwingsconcentraties volgt uit de plantoelichting dat op basis van een inventarisatie, die is gebaseerd op het aantal bestemmingsvlakken, verscheidenheid in functies en het aantal voormalige agrarische locaties, 21 bebouwingsconcentraties zijn vastgelegd in het plan. De raad heeft toegelicht dat op basis van stedenbouwkundige, beleidsmatige en landschappelijke overwegingen wordt bepaald welke gebieden kunnen worden beschouwd als bebouwingsconcentratie. Over de Diepenbroek stelt de raad dat de ligging daarvan vlakbij een aangewezen bebouwingsconcentratie onvoldoende reden is om het perceel op te nemen in deze bebouwingsconcentratie. Verder zijn de bebouwingsdichtheid en het aantal bouwblokken belangrijke criteria. De Diepenbroek omvat alleen in het eerste gedeelte van de straat een aantal bouwblokken, aan één zijde van de straat en is geen lang bebouwingslint. Daarnaast dient een bebouwingsconcentratie te worden geconcentreerd aan een hoofdweg. Daar voldoet de Diepenbroek niet aan. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het perceel had moeten aanmerken als deel van een bebouwingsconcentratie. Het betoog faalt.

42.6. In hetgeen [appellant sub 33] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 34]

43. [appellant sub 34] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vleesverwerkend bedrijf" aan de Poeldonk te Den Dungen, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de toegekende bestemming niet uitvoerbaar is en zijn acht bestaande appartementen niet als zodanig zijn bestemd. Hij wijst er op dat ter plaatse sinds 1987 vier appartementen aanwezig zijn, met vervolgens een uitbreiding van vier appartementen begin jaren '90. De gemeente is altijd van de aanwezigheid van deze appartementen op de hoogte geweest.

43.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een illegale situatie en dat eerder een handhavingstraject is gestart. Het als zodanig bestemmen [appellant sub 25] appartementen op het perceel is in strijd met een goede ruimtelijke ordening en past niet in het gemeentelijke en provinciale beleid.

43.2. Het perceel heeft de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vleesverwerkend bedrijf".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, voor zover van belang, en lid 7.2, onder 7.2.4, sub a, van de planregels zijn de gronden bestemd voor een vleesverwerkend bedrijf en is één bedrijfswoning toegestaan.

43.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied", dat in werking is getreden in 2002, had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduidingen "B19" en "1BW". Voort was aan het plandeel het differentiatievlak "bedrijfsdoeleinden en wonen" toegekend.

Gelet op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, onder b, van de bij dat plan behorende voorschriften, waren de gronden bestemd voor de uitoefening van een vleesverwerkend bedrijf en was één bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen toegestaan.

Ingevolge artikel 18, lid 2a, waren de gronden gelegen in het differentiatievlak tevens bestemd voor wonen, doch uitsluitend op hogere bouwlagen en voor maximaal 3 appartementen.

43.4. In het daarvoor geldende plan "Buitengebied 1991" uit 1992 had het perceel de bestemming "Bedrijven" met de aanduiding "vleesverwerking+slagerij 400", hetgeen blijkens de legenda het soort bedrijf en bebouwoppervlak in m² aangeeft.

43.5. De Afdeling overweegt dat, gelet op het feit dat het vleesverwerkende bedrijf ter plaatse al vele jaren is beëindigd, de feitelijke situatie al geruime tijd niet meer overeenkomt met de planologische situatie en dat niet aannemelijk is gemaakt dat binnen de planperiode het pand weer in gebruik zal worden genomen als vleesverwerkend bedrijf. Gelet hierop heeft de raad er niet in redelijkheid voor kunnen kiezen om deze bestemming in dit plan te handhaven. Op grond van het voorheen geldende plan waren voorts drie appartementen op de bovenverdieping mogelijk en de raad heeft niet bezien in hoeverre het gebruik hiervan onder het overgangsrecht van dit plan had mogen worden gebracht. Het lag in dit geval in het kader van een goede ruimtelijke ordening op de weg van de raad om te onderzoeken welke bestemming ter plaatse passend en uitvoerbaar is en daarbij had de raad het geldende gemeentelijke en provinciale beleid en de hiervoor vermelde feiten moeten betrekken. Anders dan [appellant sub 34] betoogt, betekent dit echter niet dat de raad er in dit geval voor had moeten kiezen om alle acht appartementen als zodanig te bestemmen. Daarbij is van belang dat voor de appartementen, die deels in 1987 en deels in 2001 zijn gebouwd, nooit een bouwvergunning is verleend en dat deze derhalve illegaal zijn.

43.6. In hetgeen [appellant sub 34] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vleesverwerkend bedrijf" aan de Poeldonk te Den Dungen, niet berust op een deugdelijke motivering en is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 35]

44. [appellant sub 35] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ten oosten van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en een bouwvlak aan de [locatie 26] te Den Dungen ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat hij een deel van deze gronden al 20 jaar voor zijn loon- en grondverzetbedrijf gebruikt. Met de agrarische bestemming is het bestaande gebruik ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. De raad stelt ten onrechte dat de gewenste uitbreiding in strijd is met de in voorbereiding zijnde Verordening 2011. Ook heeft de raad gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, doordat bij andere bedrijven in de omgeving het bouwvlak wel is vergroot. Hij voert verder aan dat de raad artikel 7, lid 7.5, onder d, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld, nu daarmee zijn reeds lang bestaande buitenopslag niet als zodanig is toegestaan.

44.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de agrarische gronden als bedrijfsterrein en voor opslag reeds in strijd was met het voorheen geldende plan "Buitengebied". De raad stelt dat de gewenste uitbreiding zich niet verhoudt met de structuurvisie Buitengebied. Volgens de raad bepaalt de Verordening 2011 weliswaar dat een plan kan voorzien in een uitbreiding van agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, maar bij het vaststellen van een plan heeft de raad beleidsvrijheid en hij heeft een dergelijke uitbreiding niet willen toestaan. Wat betreft de buitenopslag bij niet-agrarische bedrijven stelt de raad zich op het standpunt als verwoord in 20.1.

44.2. Het bedrijfsperceel van [appellant sub 35] heeft de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf". De aangrenzende gronden ter plaatse van de gewenste uitbreiding hebben de bestemming "Agrarisch" zonder bouwvlak.

44.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied", dat in werking is getreden in 2002, had het bedrijfsperceel de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B16" met een bouwvlak gelijk aan het voorliggende plan.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de bij dat plan behorende voorschriften zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van een grondverzet- en loonbedrijf.

De gronden ten oosten van het bedrijfsperceel hadden een agrarische bestemming. Deze bestemming liet ter plaatse geen grondverzet- en loonbedrijf toe.

44.4. De Afdeling stelt vast dat de gronden met de agrarische bestemming, die [appellant sub 35] deels bedrijfsmatig in gebruik heeft en waar hij zijn grondverzet- en loonbedrijf verder wil uitbreiden in het voorheen geldende plan geen bestemming hadden die dit gebruik toeliet. Nu vast is komen te staan dat het gebruik onder en in strijd met dat plan is aangevangen en het gebruiksovergangsrecht van artikel 44, lid 44.2, van de planregels bepaalt dat ten tijde van de vaststelling van het plan bestaand gebruik mag worden voorgezet, tenzij dat gebruik in strijd was met het vorige plan, valt dit gebruik niet onder het gebruiksovergangsrecht.

Het betoog faalt.

44.5. Blijkens de structuurvisie Buitengebied ligt het perceel in de bebouwingsconcentratie Woudseweg/Zandweg. Volgens de Structuurvisie is sprake van veel bebouwing waardoor de doorzichten naar het achterland beperkt zijn en nieuwe bebouwing aan de wegen niet wenselijk is. Ontstening en het verkleinen van de korrelgrootte van de aanwezige bedrijfskavels is gewenst. Gelet hierop is de gewenste uitbreiding van het bedrijf naar de aangrenzende agrarische gronden in strijd met dit beleid. Dat deze gronden gedeeltelijk al bedrijfsmatig in gebruik zijn, maakt, nu het illegaal gebruik betreft, niet dat de raad dient af te wijken van het beleid en dit gebruik als zodanig zou moeten bestemmen. [appellant sub 35] heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van zijn bedrijf zodanige bijzondere omstandigheden bestaan dat de raad niet in redelijkheid aan het voornoemde beleid heeft kunnen vasthouden. Nu hij zijn stelling dat in het plan voor andere bedrijven wel uitbreiding is voorzien niet verder heeft onderbouwd, geeft dit betoog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dat de ten tijde van de vaststelling van het plan in voorbereiding zijnde Verordening 2011 onder voorwaarden een uitbreiding van het bedrijfsoppervlak van agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven niet uitsluit, brengt voorts niet met zich dat de raad een zodanige uitbreiding dan ook moet opnemen in een plan. Het betoog faalt.

44.6. De Afdeling is voorts, onder verwijzing naar 20.5, van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover de bestaande en legale buitenopslag op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" is aangemerkt als strijdig gebruik en onder het overgangsrecht is gebracht en derhalve niet als zodanig is toegestaan, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Daarbij is van belang dat ook in dit geval niet is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is voormeld gebruik te doen beëindigen. Evenmin is gebleken dat de belangen die zijn gediend bij het niet als zodanig toestaan van de buitenopslag zijn afgewogen tegen de belangen van [appellant sub 35] bij dit gebruik. Het betoog slaagt.

44.7. In hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf" aan de [locatie 26], voor zover buitenopslag als strijdig gebruik is aangemerkt, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 36]

45. De raad betoogt dat [appellant sub 36] geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep, voor zover gericht tegen de voorziene kapel, omdat hiervoor op basis van dit plan een bouwvergunning is verleend die inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 april 2012, in zaaknr 201100213/1/R4, overweegt de Afdeling echter dat er nog belang bestaat bij een uitspraak over dit beroep, nu een bestemmingsplan zich leent voor herhaalde toepassing. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

45.1. [appellant sub 36] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kapel" op de hoek van de Besselaar en Twijnmeer te Gemonde ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de kapel te groot is en leidt tot verstening van het buitengebied, aantasting van de rust en zijn uitzicht. Bovendien moeten voor de bouw van de kapel oude bomen worden gekapt. Verder vreest hij overlast van onder meer hangjeugd en verkeers- en parkeeroverlast op het drukke kruispunt. De kapel is voorts overbodig en twee andere locaties zijn geschikter.

45.2. Aan de gronden waar de kapel is voorzien, is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kapel" en een bouwvlak.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, onder l, van de planregels, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kapel" bestemd voor een kapel.

Ingevolge lid 13.2, onder 13.2.1, geldt dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht en dat er dient te zijn voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak.

Ingevolge lid 13.2, onder 13.2.2, onder a en b, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.

In artikel 1, onder 1.25, is een bedrijfsgebouw gedefinieerd als: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

45.3. De Afdeling stelt vast dat in de planregels voor de bestemming "Maatschappelijk" is voorzien in een maximale goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen, maar niet voor andere gebouwen, geen bedrijfsgebouwen zijnde. Nu een kapel geen bedrijfsgebouw is als bedoeld in artikel 1, onder 1.25, van de planregels zijn de goot- en bouwhoogte voor de kapel derhalve niet vastgelegd. Ter zitting heeft de raad erkend dat dit niet was beoogd, maar dat was beoogd een kapel mogelijk te maken met een omvang en hoogte zoals deze is vergund. Gelet hierop heeft de raad in zoverre niet mogelijk gemaakt wat hij heeft beoogd en is het plan in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

Niet in geschil is dat de beoogde en vergunde kapel een bouwhoogte heeft van 4 tot 5 m en een geringe omvang heeft. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kapel, zoals door de raad beoogd, geen onevenredige verstening en onevenredige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 36] met zich brengt. Evenmin is aannemelijk dat deze kapel een ernstige verkeersaantrekkende werking zal hebben. Over de gevreesde overlast door onder meer hangjeugd wordt overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat ernstige overlast zal ontstaan. Daarbij is voorts van belang dat eventuele overlast zo nodig in het kader van de handhaving van de openbare orde kan worden tegengegaan. Nu [appellant sub 36] zijn stelling dat betere locaties voor de kapel voorhanden zijn niet verder heeft onderbouwd en niet is gebleken van beschermde bomen ter plaatse, geven deze betogen evenmin geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de beoogde kapel niet in redelijkheid had kunnen mogelijk maken.

45.4. [appellant sub 36] betoogt voorts dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" op de hoek van de Koudenberg en de Koudenbergstraat te Gemonde ten onrechte heeft vastgesteld omdat ten onrechte geen bouwvlak is opgenomen voor een loods voor de boomkwekerij en een bedrijfswoning. Hij voert onder meer aan dat geen sprake zal zijn van een groot bedrijf, dat een andere locatie niet voor handen is en dat de gewenste bebouwing geen overlast met zich zal brengen. Ook zal het aantal verkeersbewegingen afnemen en kan ter plaatse een zorgboomkwekerij worden gevestigd.

45.5. De raad stelt zich op het standpunt dat het opnemen van een agrarisch bouwvlak op de door [appellant sub 36] gewenste locatie niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en niet past binnen provinciaal beleid.

45.6. Het perceel op de hoek van de Koudenberg en de Koudenbergstraat heeft in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" en geen bouwvlak.

45.7. In de plantoelichting staat dat het toekennen van nieuwe bouwblokken slechts door een buitenplanse regeling mogelijk wordt gemaakt en dan alleen indien daaraan zeer zwaarwegende motieven ten grondslag liggen en binnen de randvoorwaarden van landschap en milieu. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat aan de gewenste bedrijfsloods en bedrijfswoning zodanige belangen ten grondslag liggen dat de raad van het voormelde beleid had moeten afwijken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat gebleken is dat de woning van zijn zoon, die het bedrijf ter plaatse exploiteert, op een afstand van ongeveer 300 m van het perceel staat. Ook indien de gewenste bebouwing geen overlast met zich zou brengen en voor een zogenoemde zorgboomkwekerij zou worden gebruikt, zal met het bouwvlak nieuwe bebouwing aan het buitengebied worden toegevoegd. Gelet op het voorgaande heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen het door [appellant sub 36] gewenste bouwvlak niet op te nemen. Het betoog faalt.

45.8. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kapel" te Gemonde is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegen strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 37]

46. [appellant sub 37] betoogt dat de raad de aanduiding "relatie" tussen de bouwvlakken op de percelen [locatie 27] en [locatie 28] te Gemonde ten onrechte heeft vastgesteld omdat de bouwvlakken ten onrechte zijn gekoppeld, nu op de percelen afzonderlijke agrarische bedrijven zijn gevestigd. Door de koppeling wordt hij beperkt in de mogelijkheden voor nevenfuncties bij zijn agrarische bedrijven. Verder betoogt hij dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak op het perceel [locatie 28] ten onrechte heeft vastgesteld, nu zijn tweede bestaande en vergunde bedrijfswoning niet als zodanig is bestemd. Ten slotte voert hij aan dat de genoemde percelen ten onrechte niet de aanduiding "bebouwingsconcentratie" hebben gekregen, waardoor de mogelijkheden voor nevenactiviteiten beperkter zijn.

46.1. De raad stelt zich op het standpunt dat al in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" een koppeling tussen de percelen [locatie 27] en [locatie 28] was opgenomen. Verder stelt de raad dat nu slechts een tijdelijke tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie 28] is vergund, slechts één permanente bedrijfswoning als zodanig is bestemd, zoals dat ook in het voorheen geldende plan het geval was. Het perceel [locatie 27] is in de structuurvisie Buitengebied opgenomen in een bebouwingsconcentratie, waardoor bij het opnemen van een daartoe strekkende aanduiding op dit perceel geen belang bestaat. Het perceel [locatie 28] ligt niet in een bebouwingsconcentratie.

46.2. Het perceel [locatie 28] heeft de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "intensieve veehouderij" en een bouwvlak. Het perceel [locatie 27] heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" en een bouwvlak. De twee bouwvlakken zijn door de functieaanduiding "relatie" gekoppeld en hebben niet de aanduiding "bebouwingsconcentratie".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, en artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder d, van de planregels is op de voor "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "relatie" één gekoppeld bouwvlak toegestaan.

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.3, sub a, en artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.3, sub a, is binnen het bouwvlak één bedrijfswoning toegestaan, tenzij op de verbeelding is aangeduid dat het aantal wooneenheden 'o' of '2' woningen bedraagt.

Artikel 3, lid 3.6, sub 3.6.2 en sub 3.6.3, en artikel 5, lid 5.6, sub 5.6.2 en 5.6.3, bevatten bepalingen over het onder voorwaarden verlenen van een omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van bepaalde niet-agrarische nevenfuncties binnen en buiten een bebouwingsconcentratie.

46.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied", dat in werking is getreden in 2002, hadden de percelen [locatie 27] en [locatie 28] de medebestemming "Agrarische Bedrijfsdoeleinden" en waren de bouwvlakken op de detailplankaart door een pijlaanduiding gekoppeld, die stond voor "één bouwvlak vormend".

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van dat plan, zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, is in verband met deze bestemming toegelaten één bedrijfswoning met daarbij behorende bijgebouwen, behoudens percelen waarop blijkens een aanduiding op de detailplankaart geen bedrijfswoning is, dan wel twee bedrijfswoningen zijn toegestaan.

46.4. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie 27] in 1995 bij de verkoop daarvan aan [appellant sub 37] feitelijk is gescheiden van de rest van het agrarische bedrijf en de bedrijfswoning op het perceel [locatie 29]. Vervolgens zijn de percelen ook planologisch gescheiden in het voorheen geldende plan, waarbij het agrarisch bouwvlak ter plaatse is beperkt tot het perceel [locatie 27] en bij de vaststelling van het plan een koppeling is aangebracht met het perceel [locatie 28]. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze koppeling is aangebracht om te voorkomen dat een nieuw volwaardig agrarisch bouwperceel zou kunnen ontstaan met bijbehorende mogelijkheden, zoals een bedrijfswoning en uitbreidingsmogelijkheden. De Afdeling acht dat niet onredelijk. Gelet hierop en nu beide percelen van [appellant sub 37] zijn heeft de raad in redelijkheid in aansluiting op het voorheen geldende plan de bouwvlakken kunnen koppelen. Voor zover [appellant sub 37] betoogt dat de raad het oorspronkelijke agrarische bouwvlak van [locatie 29] en [locatie 27] dient te herstellen, wordt daarvoor in het aangevoerde geen aanleiding gevonden, nu deze percelen reeds sinds het voorheen geldende plan zowel feitelijk als planologisch zijn gescheiden, waarbij het perceel [locatie 29] een woonbestemming heeft gekregen en in overeenstemming hiermee wordt gebruikt. Het betoog faalt.

46.5. Door de koppeling is op de percelen [locatie 27] en [locatie 28] één bedrijfswoning toegestaan. Wat betreft de tweede bedrijfswoning, stelt de Afdeling vast dat op 26 september 1975 een bouwvergunning is verleend voor het verbouwen van een stal tot woonhuis op het perceel [locatie 28]. Daarin staat dat het woonhuis het karakter van een tijdelijke woning dient te hebben en slechts mag worden bewoond door de geadresseerde van het besluit, [appellant sub 33], en zijn echtgenote. In aanmerking genomen dat het gemeentelijke beleid terughoudend is voor tweede bedrijfswoningen om verstening van het buitengebied te voorkomen, heeft de raad in deze vergunning in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de tot woning verbouwde stal als permanente tweede bedrijfswoning te bestemmen. Het betoog faalt.

46.6. In de structuurvisie Buitengebied zijn de bebouwingsconcentraties weergegeven, waaronder Sint-Lambertusweg/Boomstraat. Blijkens de kaart van deze bebouwingsconcentratie ligt het perceel [locatie 27] in deze bebouwingsconcentratie en het perceel [locatie 28] niet. Nu de raad heeft gesteld dat hij voor het toekennen van de aanduiding "bebouwingsconcentratie" is aangesloten bij de structuurvisie heeft de raad door het niet toekennen van de aanduiding aan het perceel [locatie 27] onzorgvuldig gehandeld. Het betoog van de raad dat [appellant sub 37] bij het toekennen van deze aanduiding in zoverre geen belang meer heeft, nu het perceel volgens de structuurvisie Buitengebied in de bebouwingsconcentratie valt, kan niet worden gevolgd. In de planregels zijn immers de mogelijkheden voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan voor niet-agrarische nevenactiviteiten beperkter voor percelen buiten een bebouwingsconcentratie, dan voor percelen in een bebouwingsconcentratie. Het betoog slaagt.

Wat betreft het perceel [locatie 28] wordt in het aangevoerde geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad, in afwijking van de structuurvisie Buitengebied, ter plaatse de aanduiding "bebouwingsconcentratie" had dienen toe te kennen. Daarbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het perceel, gelet op de beperktere bebouwingsdichtheid ter plaatse, niet meer tot de bebouwingsconcentratie behoort. Het betoog faalt in zoverre.

46.7. In hetgeen [appellant sub 37] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aan de [locatie 27], voor zover niet is voorzien in de aanduiding "bebouwingsconcentratie", is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep van [appellante sub 38]

47. [appellante sub 38] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtverwerkingsbedrijf" aan de [locatie 30] in Gemonde ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat in afwijking van het vorige plan haar bestaande buitenopslag niet als zodanig is toegestaan, terwijl deze noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van haar houtverwerkingsbedrijf. Voorts wenst zij op haar perceel een overkapping van ongeveer 1850 m² op te richten.

47.1. Over het aanmerken van de buitenopslag als met het plan strijdig gebruik stelt de raad zich op het standpunt, zoals verwoord in 20.1. Verder acht de raad een overkapping van 1850 m² niet wenselijk, nu daarmee verstening van het buitengebied optreedt. Daarbij wijst de raad op de structuurvisie Buitengebied, waarin het bedrijf in zijn huidige omvang reeds als niet passend in de omgeving is aangemerkt.

47.2. Het perceel heeft de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - houtverwerkingsbedrijf" en "maximum bebouwd oppervlak (m²) = 7500". Ter plaatse is een bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.2, aanhef en onder f, van de planregels mag de maximale oppervlakte aan bebouwing binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan zoals legaal aanwezig is op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan, tenzij is aangegeven wat het maximale bebouwde oppervlakte mag bedragen. De maximale bebouwde oppervlakte aan bebouwing mag dan niet meer bedragen dan is aangegeven. Dit is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning.

47.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" had het perceel de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B10".

Ingevolge artikel 18, lid 1, aanhef en onder a, van de bij dat plan behorende voorschriften zijn de gronden bestemd voor de uitoefening van een houtverwerkingsbedrijf.

47.4. De Afdeling is, onder verwijzing naar 20.5, van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover de bestaande en legale buitenopslag is aangemerkt als strijdig gebruik, onder het overgangsrecht is gebracht en derhalve niet als zodanig is toegestaan, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat het gemeentebestuur in dit geval voornemens is voormeld gebruik te doen beëindigen. Evenmin is gebleken dat de belangen die zijn gediend bij het niet als zodanig toestaan van de buitenopslag en zijn afgewogen tegen de belangen van [appellante sub 38] bij dit gebruik. Het betoog slaagt.

47.5. Blijkens de structuurvisie Buitengebied ligt het perceel van [appellante sub 38] in de kernrandzone Noordzijde Gemonde. Daarover staat in de structuurvisie dat door de grote hoeveelheid bebouwing, en de schijnbaar willekeurige verspreiding daarvan de relatie dorp-buitengebied aan de noordzijde van Gemonde vrijwel verloren is gegaan en dat bij het vertrek van functies door ontstening het zicht op het achterland kan worden hersteld. Over de houthandel van [appellante sub 38] is verder opgenomen dat deze qua functie, maar niet qua schaal in de kernrandzone past en dat bij vertrek van het bedrijf de panden achter de gevelrooilijn dienen te worden gesloopt. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Gelet op het voorgaande is het mogelijk maken van de door [appellante sub 38] gewenste overkapping in strijd met het gemeentelijke beleid. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Gelet op het voorgaande bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd. Het betoog faalt.

47.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtverwerkingsbedrijf" aan de [locatie 30] te Gemonde, voor zover buitenopslag niet als zodanig is toegestaan, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Proceskosten

48. De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 7], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 23], [appellante sub 30], [appellant sub 32], [appellant sub 34], [appellant sub 35] en [appellante sub 38] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige beroepen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart niet-ontvankelijk:

a. het beroep van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.9.15, van de planregels;

b. het beroep van de erven [appellant sub 5], voor zover het betreft het plandeel "Wonen" en het bouwvlak aan de [locatie 2] te Berlicum en artikel 8, lid 8.5.4, van de planregels;

c. het beroep van [appellante sub 10], voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rbv locatie" en het ontbreken van de aanduiding "intensieve veehouderij" en de mogelijkheid voor een bedrijfswoning op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" aan de [locatie 7] te Berlicum;

d. het beroep van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Sint-Michielsgestel;

e. het beroep van [appellant sub 27A] en [appellante sub 27B];

f. het beroep van [appellant sub 31], voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch" op de percelen, kadastraal bekend sectie E, nummers 107 en 805 nabij [locatie 23] te Den Dungen;

II. verklaart de beroepen van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, [appellant sub 2], de erven [appellant sub 5], [appellante sub 7] en anderen, [appellante sub 14], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], [appellante sub 30], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellante sub 38] gedeeltelijk en de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], [appellant sub 8], [appellante sub 13], de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V., [appellant sub 23], [appellant sub 34] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 16 december 2010, voor zover het betreft:

a. artikel 3, lid 3.9.11, sub i en j, artikel 5, lid 5.9.11, sub i en j, en artikel 6, lid 6.9.11, sub i en j, van de planregels;

b. artikel 1, onder 1.66, van de planregels, voor zover geiten- en schapenhouderijen niet zijn uitgesloten;

c. artikel 5, lid 5.9.17, van de planregels;

d. artikel 6, lid 6.9.13, van de planregels;

e. artikel 3, lid 3.9.1, artikel 5, lid 5.9.1 en artikel 6, lid 6.9.1, van de planregels, voor zover is voorzien in een tweede bedrijfswoning;

f. het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "begraafplaats" aan de Hooghei te Berlicum;

g. de maatvoeringsaanduiding "maximum bebouwd oppervlak (850 m²)" op het plandeel met de bestemming "Recreatie" aan de [locatie 1] te Berlicum;

h. het plandeel met de bestemming "Bos" ten oosten van [locatie 1] te Berlicum, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

i. de plandelen met de bestemming "Bos", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 2 en kaart 2A;

j. het plandeel met de bestemming "Verkeer - Zandpad", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 3;

k. het plandeel met de bestemming "Water - Vaarweg", voor zover extensief recreatief medegebruik en fietspaden zijn toegestaan en het de gronden betreft van de erven [appellant sub 5] ten oosten van de Zuid-Willemsvaart;

l. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aan de [locatie 5] te Sint-Michielsgestel;

m. het plandeel met de bestemming "Agrarisch", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 4;

n. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 5;

o. de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan [locatie 11] te Berlicum, voor zover dit niet in overeenstemming is met de bestaande noordelijke stal en garage;

p. het plandeel met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "nutsvoorziening" aan de Esscheweg te Berlicum;

q. artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.2 en artikel 24, lid 24.3, onder a, van de planregels;

r. artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.1, van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder;

s. de aanduiding "vrijwaringszone-vaarweg 1" en "vrijwaringszone-vaarweg 2" op het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 14] en [locatie 15] te Berlicum;

t. het plandeel met de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "tuincentrum" aan de [locatie 18] te Berlicum en het plandeel met bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "houtverwerkingsbedrijf" aan de [locatie 19] te Sint-Michielsgestel;

u. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 22] te Den Dungen, voor zover ter plaatse buitenopslag niet als zodanig is toegestaan;

v. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 24] te Den Dungen, voor zover de machineberging niet als zodanig is bestemd;

w. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vleesverwerkend bedrijf" aan de Poeldonk te Den Dungen;

x. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf" aan de [locatie 26] te Den Dungen, voor zover buitenopslag niet als zodanig is toegestaan;

y. het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kapel" te Gemonde;

z. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aan de [locatie 27] te Gemonde, voor zover niet is voorzien in de aanduiding "bebouwingsconcentratie";

aa. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtverwerkingsbedrijf" aan de [locatie 30] te Gemonde, voor zover buitenopslag niet als zodanig is toegestaan;

IV. draagt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak en met inachtneming hiervan een nieuw plan, voor zover dit onder III is vernietigd, met uitzondering van de onder III.s. genoemde onderdelen, vast te stellen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat:

a. van de in artikel 1, onder 1.66, van de planregels opgenomen definitie van intensieve veehouderij geiten- en schapenhouderijen zijn uitgesloten;

b. op het plandeel met de bestemming "Recreatie" aan de [locatie 1] te Berlicum een maximaal toegestaan bebouwd oppervlak geldt gelijk aan de bestaande en legale bebouwing, zoals aanwezig op datum van verzending van deze uitspraak;

c. artikel 24, lid 24.3, onder a, van de planregels luidt: "de veiligheid met betrekking tot de gasleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten";

d. aan artikel 24, lid 24.4, onder 24.4.1, van de planregels sub e wordt toegevoegd dat luidt: "het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, zoals bedoeld in deze bepaling, slechts verlenen mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder;

VI. bepaalt dat de onder V getroffen voorlopige voorzieningen vervallen op de datum van inwerkingtreding van het onder IV bedoelde plan;

VII. verklaart de beroepen van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, [appellant sub 2], [appellante sub 7] en anderen, [appellante sub 10], [appellante sub 14], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], [appellante sub 30], [appellant sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellante sub 38] voor het overige en de beroepen van de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant het Groene Hart, [appellant sub 9], [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B], [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19A] en [appellante sub 19B], [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 26], [appellante sub 28] en anderen, [appellant sub 29], [appellant sub 33] geheel ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten, als volgt:

a. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 912,72 (zegge: negenhonderdtwaalf euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 3] een bedrag van € 38,72 (zegge: achtendertig euro en tweeënzeventig cent);

c. aan [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] een bedrag van € 912,72 (zegge: negenhonderdtwaalf euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. aan de erven [appellant sub 5] een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. aan [appellante sub 7] en anderen een bedrag van € 911,12 (zegge negenhonderdelf euro en twaalf cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. aan [appellante sub 13], een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. aan [appellante sub 14] een bedrag van € 912,72 (zegge: negenhonderdtwaalf euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. aan [appellant sub 23] een bedrag van € 911,12 (zegge negenhonderdelf euro en twaalf cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. aan [appellante sub 30] een bedrag van € 655,50 (zegge: zeshonderdvijfenvijftig euro en vijftig cent), dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

j. aan [appellant sub 32] een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

k. aan [appellant sub 34] een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

l. aan [appellant sub 35] een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro) dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

m. aan [appellante sub 38] een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

b. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2];

c. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3];

d. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor de erven [appellant sub 5], met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 8];

g. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 7] en anderen,met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

h. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 13];

i. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 14];

j. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V.;

k. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B];

l. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 23];

m. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 30];

n. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 32];

o. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 34];

p. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 35];

q. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 36];

r. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 37];

s. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 38]

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kegge
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012

459-662-709-715.