Uitspraak 200801113/1

Datum van uitspraak: woensdag 24 december 2008
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2008:BG8259

200801113/1.
Datum uitspraak: 24 december 2008

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 februari 2008 in
zaak nr. 07/820 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (hierna: het college) het door [appellant] tegen de afwijzing van zijn verzoek om, voor zover thans van belang, handhavend tegen een op het perceel [locatie] te [plaats] gebouwde schuur (hierna: de schuur) op te treden gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 maart 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.P. Stekelenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2006, in zaak nr. 200507078/1 valt af te leiden dat het college handhavend tegen de schuur kon optreden, in zoverre die zonder, dan wel in afwijking van de verleende bouwvergunning is opgericht.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan dat niet doen. Dit kan zich voordoen, in geval concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Niet in geschil is dat geen concreet zicht bestaat op legalisering.

2.4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de financiële gevolgen zich tegen handhavend optreden verzetten slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 4 mei 2005 in zaak nr. 200409054/1), biedt de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene, ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.

Het college heeft aan de financiële belangen van de eigenaar van de schuur ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend. Hierbij is van belang dat deze, door zonder en in afwijking van een vergunning te bouwen, het risico van handhaving heeft aanvaard. Ook anderszins in niet gebleken van bijzondere omstandigheden, in verband waarmee het college had moeten afzien van handhavend optreden.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 juni 2007 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt ook voor vernietiging in aanmerking

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 februari 2008 in zaak nr. 07/820;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen van 12 juni 2007, kenmerk RME/06.8376 en 07.2209;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.332,86 (zegge: dertienhonderdtweeëndertig euro en zesentachtig cent), waarvan € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Tubbergen aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Tubbergen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Bindels
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008

85.