Uitspraak 201306557/3/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:3779
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201306557/1/R6, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 16 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Smakkelaarsveld, Binnenstad" te herstellen. Bij wijze van voorlopige voorziening heeft de Afdeling dit besluit van de raad geschorst, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd".
- Voorlopige voorziening
- RO - Utrecht
Toon inhoud
201306557/3/R1.
Datum uitspraak: 15 oktober 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
de raad van de gemeente Utrecht,
verzoeker,
om opheffing van de bij tussenuitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201306557/1/R6, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:
de naamloze vennootschap FGH Bank N.V., gevestigd te Utrecht,
en
de raad van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201306557/1/R6, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 16 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Smakkelaarsveld, Binnenstad" te herstellen. Bij wijze van voorlopige voorziening heeft de Afdeling dit besluit van de raad geschorst, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd".
Bij brief van 11 september 2014 heeft de raad de voorzitter verzocht om de getroffen voorlopige voorziening gedeeltelijk op te heffen.
De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar FGH Bank, vertegenwoordigd door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, en drs. M.J.L.M. Gubbels, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, en drs. L.L.M. Herremans, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201306557/2/R6 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in het beroep van FGH Bank.
2. In artikel 8:80b, vierde lid aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een in de tussenuitspraak getroffen voorlopige voorziening in ieder geval vervalt zodra de bestuursrechter uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, heeft gedaan.
3. Het voorgaande betekent dat de bij de tussenuitspraak van 29 januari 2014 getroffen voorziening van rechtswege is vervallen. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het opheffen van de voorlopige voorziening af te wijzen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2014
533-739.