Uitspraak 201400705/1/V2
- Datum uitspraak
- 25 juni 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201400705/1/V2.
Datum uitspraak: 25 juni 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 december 2013 in zaak nr. 13/8182 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Desgevraagd heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2. Uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 juni 2013 in zaak nr. 201210774/1/V3 volgt dat inwilliging van een aanvraag van een vreemdeling om hem een verblijfsvergunning te verlenen, geacht moet worden de intrekking van een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod in te houden.
Bij besluit van 11 februari 2014 heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.
3. Uit het vorenstaande volgt dat het inreisverbod van 28 februari 2013 geacht moet worden te zijn ingetrokken. In zoverre heeft de vreemdeling geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2013 in zaak nr. 201207093/1/V2). Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de vreemdeling aangevoerd dat zijn belang bij de beoordeling van het hoger beroep ook erin is gelegen dat uit de verlening van voormelde verblijfsvergunning zou blijken dat hij geruime tijd ten onrechte een inreisverbod heeft gehad en dat hij derhalve gedurende die periode ten onrechte de negatieve gevolgen van dat inreisverbod heeft ondervonden. Hij heeft in zoverre echter evenmin belang bij een beoordeling van het hoger beroep, reeds omdat hij deze gestelde gevolgen niet heeft geconcretiseerd.
4. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Bossmann
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014
314-753.