Uitspraak 201207093/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:1373
- Datum uitspraak
- 23 september 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 juni 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201207093/1/V2.
Datum uitspraak: 23 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 13 juli 2012 in zaken nrs. 12/20091 en 12/20094 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 13 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.
2. Bij brief van 21 juni 2013 heeft de staatssecretaris de Afdeling ervan op de hoogte gesteld dat hij de vreemdeling bij besluit van 11 juni 2013 op haar aanvraag van 5 juni 2013, met ingang van de datum van de aanvraag en geldig tot 5 juni 2018, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft verleend. Bij brief van 17 juli 2013 heeft de vreemdeling toegelicht dat haar belang erin is gelegen dat de staatssecretaris haar in bezit stelt van een verblijfsvergunning als bedoeld in voormeld artikel met een ingangsdatum die vóór 5 juni 2013 ligt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2012 in zaak nr. 201112787/1/V1 volgt evenwel dat de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Zodanig belang kan evenmin worden ontleend aan het bij besluit van 20 juni 2012 uitgevaardigde inreisverbod. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2013 in zaak nr. 201210774/1/V3 volgt immers dat de inwilliging van de asielaanvraag de intrekking van het inreisverbod inhoudt.
3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Bossmann
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2013
314-691