Uitspraak 201310359/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:4804
- Datum uitspraak
- 28 mei 2014
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
- Hoger beroep
- Andere zaken - Overige
Toon inhoud
201310359/1/V3.
Datum uitspraak: 28 mei 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 oktober 2013 in zaak nr. 13/17000 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 oktober 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt in zijn verweerschrift dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat niet een schriftelijke machtiging is overgelegd dat de persoon die het hogerberoepschrift heeft ingediend daartoe gemachtigd is.
In de aan de Afdeling overgelegde algemene machtiging van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is vermeld dat de persoon die het hogerberoepschrift heeft ingediend senior procesvertegenwoordiger is en uit hoofde van zijn functie is gemachtigd tot het instellen van hoger beroep.
Het betoog van de vreemdeling faalt.
2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is uitgesloten op voorhand dat hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan afdoen aan het eerdere besluit van 31 mei 2011. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat noch uit hetgeen de vreemdeling bij zijn aanvraag naar voren heeft gebracht, noch uit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 19 februari 2013 in vergelijking met de BMA-adviezen van 16 maart 2010 en 7 april 2011 uit de vorige procedure, volgt dat sprake is van een relevante verslechtering van de medische toestand van de vreemdeling sinds zijn vorige aanvraag. Zelfs indien moet worden aangenomen dat het BMA, gelet op de informatie van de behandelend psychiater van de vreemdeling van 7 mei 2012 en van de GGD arts,, had moeten vaststellen dat de vreemdeling ADL (Algemene dagelijkse levensverrichtingen) afhankelijk is, is geen sprake van een relevante verslechtering van de medische toestand van de vreemdeling, nu bij zijn eerdere aanvraag al is aangenomen dat de vreemdeling ADL afhankelijk is.
3. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.
3.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
3.2. De vreemdeling heeft eerder, op 25 juni 2009, een aanvraag om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, ingediend. Bij besluit van 22 maart 2011 is deze aanvraag afgewezen. Het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 mei 2011, dat in rechte onaantastbaar is geworden, ongegrond verklaard. Het besluit van 13 juni 2013 is van gelijke strekking als het besluit van 31 mei 2011, zodat op het tegen eerstgenoemd besluit gerichte beroep het onder 3. weergegeven beoordelingskader van toepassing is.
3.3. Bij de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling vermeld dat sprake is van een medische noodsituatie, nu hij niet is verzekerd, is uitgesloten van toegang tot medische en mantelzorg en dringend hulp nodig heeft. Ter staving hiervan heeft de vreemdeling een brief van zijn behandelend psychiater van 7 mei 2012 overgelegd, waarin wordt aangegeven dat de vreemdeling vanwege zijn beperkingen ten gevolge van een neuromusculaire aandoening hulp nodig heeft voor zijn dagelijkse activiteiten en verzorging.
3.4. Reeds omdat uit voormelde stukken niet blijkt dat de medische situatie van de vreemdeling sinds het eerdere besluit van 31 mei 2011 op relevante wijze is verslechterd - nu de gestelde ADL afhankelijkheid in de eerdere procedure al is aangenomen -, is op voorhand uitgesloten dat deze verklaring aan het besluit van 31 mei 3011 kan afdoen en doet zich geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld onder 3.1 voor.
De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens nog is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, is er voor toetsing van het besluit van 13 juni 2013 geen plaats. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 13 juni 2013 alsnog ongegrond worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 oktober 2013 in zaak nr. 13/17000;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van Roosmalen
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014
53.