Uitspraak 201200120/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:2814
- Datum uitspraak
- 1 mei 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij onderscheiden besluiten van 3 februari 2011 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
201200120/1/V3.
Datum uitspraak: 1 mei 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 14 december 2011 in zaken nrs. 11/22139, 11/22140, 11/22141, 11/22142 en 11/22143 in de gedingen tussen:
[de vreemdeling 3], [de vreemdeling 1], [de vreemdeling 2], [de vreemdeling 4] en [de vreemdeling 5], (hierna tezamen: de vreemdelingen)
en
de minister.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 3 februari 2011 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij onderscheiden besluiten van 30 juni 2011 heeft de minister de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 14 december 2011 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, (hierna: de aanvraag) worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: mvv-vereiste).
Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is te reizen.
Volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient voor de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 neergelegde vrijstelling te worden beoordeeld of de desbetreffende vreemdeling, al dan niet onder voorwaarden, in staat is te reizen. Voorts kan ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) vrijstelling worden verleend van het mvv-vereiste, indien de terugkeer van een vreemdeling in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Volgens paragraaf B8/2.1 wordt onder medische noodsituatie verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder "op korte termijn" wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.
3. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, aangezien het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) het door de behandelaars van vreemdeling 1 ingenomen standpunt dat een veilige behandelomgeving voor haar noodzakelijk is, niet heeft weersproken, het, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2009 in zaak nr. 200805014/1, gehouden was nader te onderzoeken of in het land van herkomst wordt voldaan aan het vereiste van een veilige behandelomgeving. Hiertoe voert de staatssecretaris, onder verwijzing naar het Protocol Bureau Medische Advisering van het BMA van oktober 2010, aan dat het BMA geen uitspraken kan doen over de door een vreemdeling in het land van herkomst te ondervinden gevoelens van onveiligheid dan wel over de vraag of de behandelomgeving in dat land veilig is. Uit de beslissingen van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het CTG) kan evenmin worden afgeleid dat het BMA, indien een behandelaar van een vreemdeling meent dat een veilige behandelomgeving een noodzakelijk vereiste is voor een effectieve behandeling in het land van herkomst, hierop nader dient in te gaan, aldus de staatssecretaris. In dat verband wijst de staatssecretaris op de beslissing van het CTG van 27 april 2010 in zaak nr. C2009/105 (JV 2010/262). De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat ten onrechte is overwogen dat het aan het besluit van 30 juni 2011 ten grondslag gelegde BMA-advies met betrekking tot vreemdeling 1 van 6 januari 2011 en de aanvullende nota van 4 mei 2011 niet inzichtelijk zijn, aldus de staatssecretaris.
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 25 juli 2006 in zaak nr. 200601304/1) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1) moet de staatssecretaris, indien hij een BMA-advies, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.
Bij uitspraak van 20 december 2011 in zaak nr. 201105916/1/V1 heeft de Afdeling voorts overwogen dat uit de jurisprudentie van het CTG volgt (onder meer de beslissing van 27 april 2010, in zaak nr. C2009/105 (JV 2010/262) en de beslissing van 15 maart 2011, in zaak nr. C2010/126 (JV 2011/241)), dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de staatssecretaris omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.
3.2. Bij brief van 30 november 2010 hebben de behandelaars van vreemdeling 1 desgevraagd medegedeeld dat bij haar sprake is van een chronische posttraumatische stressstoornis met psychotische belevingen, angst en suïcidaliteit die direct te relateren zijn aan een traumatische ervaring in het land van herkomst, namelijk de moord op haar destijds zesjarige dochter. Herinneringen aan die gebeurtenis en beelden over Armenië vormen triggers waardoor zij heftige herbelevingen krijgt. Bovendien zorgt de continu aanwezige angst voor terugzending voor sterke onrust. Voorwaarden voor behandeling van trauma's zijn volgens de behandelaars een stabiele leefomgeving, een goede opvang in een sociaal netwerk en een omgeving waarin vreemdeling 1 zich veilig kan voelen. De behandelaars stellen dat behandeling in een door vreemdeling 1 als onveilig ervaren omgeving gecontra-indiceerd is. Voorts hebben zij uit de behandelcontacten sterk de indruk gekregen dat vreemdeling 1 haar land als extreem onveilig ervaart.
Op grond van onder meer deze medische informatie heeft het BMA op 6 januari 2011 een advies uitgebracht. Hierin wordt, voor zover thans van belang, geconcludeerd dat vreemdeling 1 lijdt aan een chronische posttraumatische stressstoornis met onder andere psychotische belevingen, angst en suïcidaliteit. Bij uitblijven van psychiatrische behandeling en medicatie kan mogelijk de psychose in ernst toenemen waarbij sprake is van het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn. Voorts staat in het BMA-advies vermeld dat de vraag of de behandelomgeving voor vreemdeling 1 veilig is, dan wel door haar als veilig kan worden ervaren, niet door de medisch adviseur kan worden beantwoord.
In het door de staatssecretaris bij brief van 21 april 2011 aan het BMA gedane verzoek om een aanvullend advies uit te brengen, is niet verzocht nader in te gaan op het aspect van de veilige behandelomgeving.
3.3. Gezien de hiervoor onder 3.1. genoemde beslissingen van het CTG, die de Afdeling in dit kader als uitgangspunt neemt, was het BMA in dit geval niet gehouden een nadere motivering te geven omtrent het bestaan van een veilige behandelomgeving in het land van herkomst dan wel bestendig verblijf van vreemdeling 1. De behandelaars hebben in de brief van 30 november 2010 vooral in algemene zin op het belang van een veilige behandelomgeving gewezen. Van een concrete op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van vreemdeling 1 toegesneden uiteenzetting omtrent de effectiviteit en het te verwachten verloop van een voorgezette behandeling van haar in het land van herkomst is geen sprake. Evenmin kan uit voormelde brief worden afgeleid dat de behandelaars van mening zijn dat behandeling van de klachten van vreemdeling 1 in Armenië dan wel Georgië zal plaatsvinden in een context van zodanige onveiligheid dat die behandeling als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het BMA-advies betreffende vreemdeling 1 van 6 januari 2011, voor zover het de veilige behandelomgeving betreft, niet zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel niet inzichtelijk en concludent is, zodat de staatssecretaris, door dit advies aan zijn besluit van 30 juni 2011 ten grondslag te leggen, niet in strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
4. Verder klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de BMA-adviezen betreffende vreemdeling 1 en 2 van 6 januari 2011, aangevuld bij nota van 4 mei 2011, onvoldoende inzichtelijk zijn nu deze op bepaalde punten afwijken van eerdere BMA-adviezen van 24 april 2008. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat in de recente BMA-adviezen uitdrukkelijk is vermeld dat die adviezen zijn gebaseerd op informatie die door de behandelaars van vreemdeling 1 en 2 zijn verstrekt. Dat het BMA op grond van die informatie gemotiveerd afwijkt van de eerdere adviezen van 24 april 2008 betekent niet dat de recente adviezen daarmee onjuist en onvolledig zijn, aldus de staatssecretaris.
4.1. Het BMA heeft in de adviezen van 6 januari 2011 gemotiveerd uiteengezet dat uit de van de behandelaars van vreemdeling 1 en 2 verkregen medische informatie blijkt dat zij ambulant psychiatrisch worden behandeld en bovendien autonoom functioneren zodat een fysieke overdracht naar het oordeel van de BMA-arts niet is aangewezen. Voorts heeft het BMA in de aanvullende nota van 4 mei 2011 toegelicht dat de aard van de klachten van vreemdeling 1 en 2 niet zodanig is dat zij niet in staat kunnen worden geacht om zelfstandig het vervoer naar de polikliniek psychiatrie te regelen teneinde behandeling te verkrijgen. Gelet op het onder 3.1. vermelde toetsingskader is in de BMA-adviezen van 6 januari 2011, aangevuld bij nota van 4 mei 2011, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aldus voldoende inzichtelijk gemaakt waarom een fysieke overdracht van vreemdeling 1 en 2 niet langer noodzakelijk wordt geacht.
Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de BMA-adviezen van 6 januari 2011 en de aanvullende nota van 4 mei 2011, voor zover het de reisvoorwaarden van vreemdeling 1 en 2 betreft, onvoldoende inzichtelijk zijn en dat de staatssecretaris, door deze adviezen aan zijn besluiten van 30 juni 2011 ten grondslag te leggen, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 30 juni 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
6. De vreemdelingen hebben betoogd dat het BMA ten onrechte geen overleg heeft gevoerd met de behandelend psychiater van vreemdeling 1 omtrent het effect van alternatieve medicatie op haar behandeling.
6.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 januari 2007 in zaak nr. 200605900/1 (JV 2007/94) heeft overwogen, behoort het tot de deskundigheid van het BMA om te beoordelen of een nadere specialistische inbreng voor de beantwoording van de door de staatssecretaris gestelde vragen noodzakelijk is. Onder vorenbedoeld deskundig oordeel van het BMA moet tevens het door de vreemdelingen bedoelde nader overleg met een behandelend psychiater worden begrepen, zodat het betoog faalt.
7. Voorts hebben de vreemdelingen betoogd dat de staatssecretaris bij zijn standpunt dat geen aanleiding bestaat om vreemdeling 1 krachtens artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 vrij te stellen van het mvv-vereiste, voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat, nu behandeling van vreemdeling 1 in Armenië gecontra-indiceerd is wegens het ontbreken van een veilige behandelomgeving, dit tevens een objectieve belemmering vormt om het gezinsleven in dat land uit te oefenen.
7.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3. is overwogen omtrent de veilige behandelomgeving voor vreemdeling 1 heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geen aanleiding gezien om vreemdeling 1 van het mvv-vereiste vrij te stellen.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 14 december 2011 in zaken nrs. 11/22139, 11/22140, 11/22141, 11/22142 en 11/22143;
III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Vonk
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013
345-708