Uitspraak ​201300998/1/A1


Volledige tekst

​201300998/1/A1.
Datum uitspraak: 24 juli 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heerlen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 december 2012 in zaak nr. 11/1308 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de wijziging van het gebruik van het pand aan de [locatie] te Heerlen (hierna: het perceel) naar artsenpraktijk/apotheek.

Bij besluit van 24 juni 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover dit ziet op het ontbreken van het voorschrift bij de omgevingsvergunning tot het voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein, het besluit van 24 januari 2011 met het voorschrift tot het voorzien in parkeren door middel van minimaal zes parkeerplaatsen op eigen terrein aangevuld en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een nadere uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.J.Th.B. Gerlag, advocaat te Kerkrade, en het college, vertegenwoordigd door W.A.A. Buttolo, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. E.H.C.K. Reijans, advocaat te Echt, gehoord.

Overwegingen

1. Het project voorziet in het wijzigen van het gebruik van de begane grond van het pand als een makelaarskantoor naar een huisartsenpraktijk en apotheek. Dit gebruik is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Heerlen-West", nu op dit perceel de bestemming "Wonen (vrijstaande woningen)" met differentiatie VI rust, wat betekent dat ter plaatse op de begane grond kantoren zijn toegestaan. Het college heeft met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in verbinding gelezen met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, omgevingsvergunning verleend voor het project.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen moet worden uitgegaan van de aanvraag om omgevingsvergunning, nu ter plaatse ook een woning en geldautomaat aanwezig zijn en het college deze bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein had moeten betrekken. Voorts voert hij daartoe aan dat het college voor de apotheek een onjuiste parkeernorm heeft toegepast.

2.1. Eerst ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] betoogd dat de parkeerplaatsen op de bouwtekening zijn ingetekend op de gronden met de bestemming "Tuinen" en die bestemming een gebruik voor parkeren niet toestaat. Niet valt in te zien waarom [appellant] dit niet eerder dan ter zitting heeft kunnen inbrengen, zodat het college daarop naar behoren had kunnen reageren. Bij deze stand van zaken verzet het belang van een goede procesorde zich tegen heropening van het onderzoek teneinde de juistheid van de stelling van [appellant] te onderzoeken. De Afdeling zal deze stelling dan ook niet in haar beoordeling betrekken.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004 in zaak nr. 200400798/1, behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Dit betekent dat bij het parkeren op eigen terrein, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dient te worden uitgegaan van de aanvraag en de wijziging van de parkeerbehoefte als gevolg van het aangevraagde met het bestemmingsplan strijdige gebruik. Nu het project voorziet in een wijziging van het gebruik van de begane grond van het pand naar huisartsenpraktijk en apotheek, behoefde het college de gestelde parkeerproblematiek die verband houdt met de ter plaatse aanwezige geldautomaat en de woning niet bij het besluit te betrekken.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het project 6 parkeerplaatsen bedraagt. In de door de raad van de gemeente Heerlen bij besluit van 2 november 2010 vastgestelde Parkeernota Heerlen 2010 (hierna: de Parkeernota) is voor een apotheek met een vloeroppervlakte van 100 m² een parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen opgenomen. Nu het project voorziet in een apotheek van 50 m², heeft het college de parkeernorm naar rato toegepast en een norm van 1,35 parkeerplaatsen gehanteerd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de parkeernorm niet naar rato mocht toepassen. Voorts is in de Parkeernota voor een artsenpraktijk een parkeernorm opgenomen van 2 parkeerplaatsen per behandelkamer. Het project voorziet in 2 behandelkamers, zodat in een parkeerbehoefte van 4 parkeerplaatsen moet worden voorzien. Uit het voorgaande blijkt dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project met 7 parkeerplaatsen op eigen terrein in voldoende parkeerplaatsen voorziet.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de parkeerproblematiek die verband houdt met de geldautomaat een handhavingskwestie betreft en in deze procedure niet ter beoordeling voor ligt.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Graaff-Haasnoot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013

531-776.