Uitspraak 201302005/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3171
- Datum uitspraak
- 11 juli 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 26 juli 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.
- Hoger beroep
- Rechtsbijstand
Toon inhoud
201302005/1/A2.
Datum uitspraak: 11 juli 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2013 in zaak nr. 12/9978 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Raad voor rechtsbijstand Den Haag (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.
Bij besluit van 21 september 2012 heeft hij het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling, van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van deze wet vallen.
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria nadere regels worden gesteld.
Ingevolge artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt), voor zover thans van belang, wordt voor rechtsbijstand ter zake van het kwijtschelden van een schuld geen toevoeging verleend.
2. De afgewezen aanvraag betreft rechtsbijstand ter zake van het instellen van beroep tegen de handhaving in bezwaar door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding van studieschuld.
De raad heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 7 van het Brt voor rechtsbijstand ter zake van het kwijtschelden van een schuld geen toevoeging wordt verleend.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad hem de toevoeging niet mocht weigeren, omdat hij door psychische problemen zonder bijstand van een advocaat niet in staat is op te komen tegen de afwijzing van zijn verzoek om kwijtschelding.
3.1. Het oordeel van de rechtbank dat de werkzaamheden, waarvoor een toevoeging is aangevraagd, uitsluitend werkzaamheden, als bedoeld in artikel 7 van het Brt, zijn, heeft [appellant] in hoger beroep niet bestreden. De rechtbank heeft de raad onder deze omstandigheden terecht gehouden geacht de aanvraag af te wijzen en geoordeeld wat [appellant] omtrent zijn psychische problemen heeft gesteld daaraan niet af kan doen.
Het betoog faalt.
4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hem door de afwijzing in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) de toegang tot een onafhankelijke rechter wordt ontzegd.
4.1. Dat betoog faalt evenzeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraken van 1 april 2009 in de zaken nrs. 200804691/1 en 200804696/1), mag de toegang tot de rechter worden beperkt en is dat niet in strijd met artikel 6 van het EVRM, mits de beperkingen het recht op die toegang niet in essentie schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn.
De rechtbank heeft de afwijzing terecht niet in strijd met artikel 6 van het EVRM geacht. Artikel 7 van het Brt leidt slechts tot een beperking van de bekostiging van rechtsbijstand in zaken betreffende de kwijtschelding van schulden. Die beperking schaadt het recht op toegang tot de rechter niet in essentie. Daarvoor is gekozen, omdat voor de belangenbehartiging in dergelijke zaken naar het oordeel van de besluitgever geen juridische deskundigheid vereist is, zo blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7 van het Brt (nota van toelichting, blz. 7, Staatsblad 1994, 32). Daarmee dient de bepaling een gerechtvaardigd doel. De gevolgen ervan zijn voorts niet onevenredig in verhouding tot dat doel, nu betrokkene zich kan laten bijstaan door een andere persoon of instelling, van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van de Wrb vallen. Dat dit niet mogelijk is, kan, anders dan [appellant] stelt, uit de enkele omstandigheid dat het Juridisch Loket hem heeft doorverwezen naar een advocaat, niet worden afgeleid.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Krokké
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2013
686.