Uitspraak 201300939/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3172
- Datum uitspraak
- 11 juli 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 december 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om een toevoeging afgewezen.
- Hoger beroep
- Rechtsbijstand
Toon inhoud
201300939/1/A2.
Datum uitspraak: 11 juli 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2012 in zaak nr. 12/2738 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 28 december 2011 heeft de raad een verzoek van [appellant] om een toevoeging afgewezen.
Bij besluit van 13 april 2012 heeft hij het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Rechtsbijstand wordt rechtsbijstand niet verleend, indien de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria nadere regels worden gesteld.
Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria wordt rechtsbijstand op basis van een toevoeging anders dan ten behoeve van eenvoudig rechtskundig advies, als zijnde van onvoldoende belang, niet verleend, indien het op geld waardeerbare belang beneden € 500,00 blijft.
2. Bij brief van 4 oktober 2011 heeft [appellant] het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (hierna: het college) verzocht hem krachtens de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB) een bijstandsuitkering te verlenen. Op 21 oktober 2011 heeft het hem meegedeeld dat het in samenspraak met hem opgestelde plan van aanpak, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, akkoord is bevonden, hij gehouden is daaraan mee te werken en toestemming heeft om met behoud van uitkering de in het plan vermelde activiteiten te verrichten. Bij brief van 1 december 2011 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hem daarmee verplichtingen zijn opgelegd, zonder dat hem gelijktijdig een bijstandsuitkering is toegekend. Voorts heeft op die dag het door de raad afgewezen verzoek gedaan.
3. Aan de afwijzing heeft de raad ten grondslag gelegd dat het op geld waardeerbare belang voor de procedure, waarvoor de toevoeging is aangevraagd, beneden € 500,00 blijft.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij met zijn bezwaarschrift heeft beoogd een besluit te krijgen op zijn aanvraag om toekenning van een bijstandsuitkering ten bedrage van € 890,00 per maand. Zij heeft voorts ten onrechte overwogen dat uit het besluit van 21 oktober 2011 kan worden afgeleid dat die uitkering hem reeds was toegekend, nu dat eerst bij besluit van 23 november 2011 is geschied, aldus [appellant].
4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad de toevoeging mocht weigeren wegens het ontbreken van voldoende belang. Het rechtsbelang, voor het behartigen waarvan [appellant] toevoeging heeft verzocht, was gelegen in het verkrijgen van een besluit op zijn aanvraag om toekenning van een bijstandsuitkering. Omdat het college [appellant] bij besluit van 23 november 2011 zodanige uitkering had toegekend, had hij op 1 december 2011 geen belang bij een toevoeging ten behoeve van het maken van bezwaar tegen het uitblijven ervan.
Het betoog faalt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden ervan, te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Krokké
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2013
686.