Uitspraak 200500701/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:4
- Datum uitspraak
- 2 mei 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 23 december 2004 heeft appellant (hierna: de minister) aanvragen van [vreemdeling A] en [vreemdeling B] (hierna: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200500701/1.
Datum uitspraak: 2 mei 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 14 januari 2005 in het geding tussen:
[vreemdeling A] en [vreemdeling B]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 23 december 2004 heeft appellant (hierna: de minister) aanvragen van [vreemdeling A] en [vreemdeling B] (hierna: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 14 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van de uitspraak nieuwe besluiten neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 27 januari 2005 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2.2. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
2.3. De voorzieningenrechter heeft aan zijn vernietiging van de besluiten van 23 december 2004 ten grondslag gelegd de door de vreemdelingen bij brieven van 6 januari 2005 overgelegde stukken. Nu deze stukken eerst in beroep zijn overgelegd konden deze, mede gelet op de aard en het karakter daarvan, slechts op de voet van artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van die besluiten worden betrokken. Deze stukken dateren evenwel, behoudens een aanbiedingsbrief van 5 januari 2005 van Open Doors en een daarbij overgelegd afschrift van een e-mailbericht, van voor het nemen van deze besluiten en niet gesteld noch gebleken is dat deze niet eerder hadden kunnen worden overgelegd. Van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 is derhalve in zoverre geen sprake, zodat de voorzieningenrechter deze stukken ten onrechte bij de beoordeling van de beroepen heeft betrokken.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de minister heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.
2.5. Zoals de Afdeling reeds meermalen heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 april 2003 in zaak no. 200206882/1; AB 2003, 315), dient de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct te treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.
Daaronder moeten onder meer worden begrepen, feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, ingevolge artikel 31, eerste lid van de Vw 2000 behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve ingevolge laatstbedoelde bepaling behoorden te worden overgelegd.
Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.
Evenzeer eerder heeft de Afdeling overwogen dat eerst sprake kan zijn van nieuwe feiten indien de overgelegde stukken afkomstig zijn uit objectieve bron die de feiten, gesteld in het asielrelaas, bevestigt, zodat het relaas in het licht daarvan opnieuw onder ogen moet worden gezien (uitspraak van 25 september 2003, in zaak no. 200304202/1; JV 2003/504) en voorts dienen de desbetreffende stukken te zijn voorzien van een geautoriseerde vertaling (uitspraak van 30 augustus 2002, in zaak no. 200204300/1; JV 2002/357).
2.6. De door de vreemdelingen aan hun herhaalde aanvragen ten grondslag gelegde stukken hadden voorzover het betreft de in de aangevallen uitspraak onder de nummers 1, 2, 3, 4 en 6 vermelde stukken eerder kunnen en derhalve moeten worden overgelegd. De in die uitspraak onder de nummers 5, 7, 8 en 12 vermelde stukken alsmede de voormelde aanbiedingsbrief van 5 januari 2005 van Open Doors en het daarbij overgelegde afschrift van een e-mailbericht, zijn niet afkomstig uit een objectieve bron als vorenbedoeld. Het onder nummer 9 aangeduide stuk is niet vergezeld van een geautoriseerde vertaling. Deze stukken kunnen daarom niet worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden.
Van de onder de nummers 10 en 11 vermelde stukken is op voorhand uitgesloten dat deze kunnen afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust aangezien de vreemdelingen op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt dat en op welke wijze deze stukken een relatie hebben met hun asielrelaas.
2.7. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 14 januari 2005 in zaak nr. AWB 04/57225 en 04/57227;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van Gastel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2005
261.