Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201302315/4/A4

Uitspraak 201302315/4/A4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:3246
Datum uitspraak
7 juni 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een varkenshouderij aan de [locatie] te Rijkevoort.
  • Voorlopige voorziening
  • Vee e.a. dieren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201302315/4/A4.
Datum uitspraak: 7 juni 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A], [appellant B] en [appellant C] (hierna: [verzoeker] en anderen), allen wonend te Rijkevoort, gemeente Boxmeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een varkenshouderij aan de [locatie] te Rijkevoort.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.
Voorts hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 mei 2013, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P.L.M. van de Velden, werkzaam bij de gemeente, en ing. M.M.J. Pijnenburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door haar [directeur] bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Voor de inrichting is eerder, voor zover hier van belang, op 11 juli 2006 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend.

Bij het bestreden besluit is een veranderingsvergunning verleend voor onder meer de uitbreiding van de inrichting met een mestverwerkingsinstallatie en een mobiele mestscheider.

3. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het college zich bij de besluitvorming niet objectief heeft opgesteld.

3.1. Dat het college zich niet objectief zou hebben opgesteld, kan uit het door [verzoeker] en anderen beschreven procedureverloop niet worden afgeleid. Reeds hierom bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre geen aanleiding.

4. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte vergunning heeft verleend voor de uitbreiding van de inrichting met een mestvergistingsinstallatie, omdat dit zal leiden tot een toename van geurhinder die toch al ernstig is.

4.1. Aan het bestreden besluit ligt onder meer het geuronderzoek ten grondslag zoals dat is uitgewerkt in het rapport van G&O Consult van 6 december 2011 (hierna: het geurrapport).

Het geurrapport vermeldt dat geurverspreidingsberekeningen zijn gemaakt. De resultaten van de verspreidingsberekeningen zijn, bij gebrek aan geurnormen voor mestvergistingsinstallaties, getoetst aan de geurcontour van 0,5 ouE/m³ als 98-percentiel zoals opgenomen in de Nederlandse emissierichtlijn lucht. Nu de dichtstbijzijnde woning zich buiten die contour bevindt, concludeert het geurrapport dat de mestvergistingsinstallatie niet zal leiden tot geurhinder in de omgeving.

Nu [verzoeker] en anderen niet gemotiveerd bestrijden dat de uitkomst van het geurrapport onjuist is, ziet de voorzitter wat betreft het aspect geurhinder geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. [verzoeker] en anderen vrezen voor geluidhinder als gevolg van een toename van het aantal transportbewegingen.

5.1. Aan het bestreden besluit ligt onder meer het geluidonderzoek ten grondslag zoals dat is uitgewerkt in het rapport van G&O Consult van 3 november 2011 (hierna: het geluidrapport).

Het geluidrapport vermeldt dat berekeningen zijn uitgevoerd. De resultaten van de berekeningen zijn dat de aan- en afvoer van mest naar de mestvergistingsinstallatie niet leidt tot een overschrijding van de in de revisievergunning voorgeschreven geluidgrenswaarden. [verzoeker] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij betogen, in de berekeningen van een te laag aantal transportbewegingen is uitgegaan.

Gelet hierop ziet de voorzitter ook wat betreft het aspect geluidhinder geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

6. [verzoeker] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen voorschriften aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning zijn verbonden voor de mobiele mestscheider.

6.1. Het college stelt dat de geur- en geluidbelasting van de mobiele mestscheider in de berekeningen van de onderscheidenlijke rapporten zijn betrokken en dat ook als de mobiele mestscheider in werking is aan de gehanteerde geurnorm en de voorgeschreven geluidgrenswaarden kan worden voldaan, zodat voor de mobiele mestscheider geen afzonderlijke voorschriften nodig zijn. [verzoeker] en anderen hebben het standpunt van het college niet gemotiveerd betwist, zodat ook in zoverre geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. [verzoeker] en anderen voeren aan dat niet zeker is dat de vereiste vergunning op grond van de Waterwet voor de lozingen vanuit de inrichting kan worden verleend.

7.1. De stelling dat voor de inrichting geen vergunning op grond van de Waterwet kan worden verleend raakt niet de onderhavige procedure.

8. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Aal
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013

584.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon