Uitspraak 201302659/2/R6
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3251
- Datum uitspraak
- 7 juni 2013
- Inhoudsindicatie
- In januari 2013 heeft de minister met toepassing van artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) het rijksinpassingsplan "Hoogwatergeul Veessen-Wapenveld" (hierna: rijksinpassingsplan) vastgesteld.
- Voorlopige voorziening
- RO - Overijssel
Toon inhoud
201302659/2/R6.
Datum uitspraak: 7 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Limosa Limosa B.V., gevestigd te Kampen, en andere,
verzoeksters,
en
de minister van Infrastructuur en Milieu,
verweerder.
Procesverloop
In januari 2013 heeft de minister met toepassing van artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) het rijksinpassingsplan "Hoogwatergeul Veessen-Wapenveld" (hierna: rijksinpassingsplan) vastgesteld.
Door de minister zijn ter uitvoering van het rijksinpassingsplan een aantal uitvoeringsbesluiten genomen, die zijn vermeld in de openbare kennisgeving zoals gepubliceerd in de Staatscourant (2013, 2721).
Tegen het rijksinpassingsbesluit en/of tegen één of meer uitvoeringsbesluiten hebben onder meer Limosa Limosa en andere beroep ingesteld.
Limosa Limosa en andere hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 mei 2013, waar Limosa Limosa en andere, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting Waterschap Vallei en Veluwe, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, G. van der Schee, A. Smeek, F.W. Bloemers, J.H.W. Bogers, K. van der Wal en P. Nijsen, als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het rijksinpassingsplan maakt de aanleg van de hoogwatergeul Veessen-Wapenveld mogelijk, inhoudende de aanleg en instandhouding van dijken, in- en uitlaatvoorzieningen, het aanleggen van infrastructuur, het (her) inrichten van watergangen en het slopen van bestaande erven.
3. Het verzoek van Limosa Limosa en andere om een voorlopige voorziening te treffen heeft alleen betrekking op het uitvoeringsbesluit waarbij de minister een omgevingsvergunning heeft verleend voor een periode van vijf jaar voor het in afwijking van de in het besluit genoemde bestemmingsplannen gebruiken van gronden voor het aanleggen van een laad- en loswal aan de locatie Breeweg, een bouwweg die benodigd is voor de aanleg van de hoogwatergeul Veessen-Wapenveld, alsmede voor het doen vellen van houtopstanden om voornoemde voorzieningen te kunnen realiseren.
4. Gezien het verhandelde ter zitting stelt de voorzitter vast dat Limosa Limosa en andere alleen een verzoek om voorlopige voorziening hebben ingediend vanwege de aantasting van de weidevogelbiotoop als gevolg van de aanleg van een tijdelijke bouwweg op de locatie Breeweg.
5. Limosa Limosa en andere betogen dat de tijdelijke bouwweg niet op de voorziene locatie moet worden aangelegd vanwege de nadelige effecten op de weidevogels in het gebied. Volgens hen doorsnijdt de bouwweg een broedkolonie weidevogels en wordt de biotoop van de weidevogels daardoor onomkeerbaar aangetast. Zij voeren aan dat een beter alternatief is om de bouwweg aan te leggen langs de bestaande Breeweg, omdat de weidevogels daar minder hinder van zullen ondervinden. Volgens Limosa Limosa en andere zijn er langs de bestaande Breeweg minder broedplaatsen van weidevogels te vinden dan in het gebied waar de bouwweg is voorzien. Dit heeft volgens hen te maken met het zogenoemde uitwijkgedrag van weidevogels waardoor weidevogels in de regel niet broeden vlak langs een weg. De minister heeft ten onrechte het door hen voorgestane alternatief niet onderzocht, aldus Limosa Limosa en andere.
5.1. De minister stelt bij het bepalen van de locatie voor de bouwweg te hebben gekeken naar een zo kort mogelijke route waarbij een zekere afstand tot bebouwing wordt gehouden en rekening wordt gehouden met de eigendomssituatie van de percelen. Daarbij is volgens de minister getracht de wegen zoveel mogelijk langs bestaande kavels en waterlopen te realiseren. Dit om de overlast voor de agrarische bedrijven zoveel mogelijk te beperken, aldus de minister. Voorts brengt de minister naar voren rekening te hebben gehouden met de weidevogels in het gebied door alleen van de bouwweg gebruik te maken buiten het broedseizoen dat ongeveer loopt van maart tot en met juli, zodat broedende vogels niet worden verstoord. Dit is ook voorgeschreven in het ecologisch werkprotocol, aldus de minister. Volgens de minister moet voorkomen worden dat artikel 11 van de Flora- en faunawet wordt overtreden. Verder brengt de minister naar voren dat het gebied kwalitatief beter wordt gemaakt voor de weidevogels wanneer het project is gerealiseerd.
Ten aanzien van het door Limosa Limosa en andere voorgestane alternatief stelt de minister dat dit alternatief leidt tot een langere weg voor het bouwverkeer en tot een doorsnijding van de huiskavel van Maatschap [maatschap A]. Daarnaast zullen ook de percelen van [maatschap B] minder goed bereikbaar zijn. Daartoe brengt de minister naar voren dat de Schraatgravenweg niet langer kan dienen als ontsluitingsweg voor de percelen van [maatschap B], omdat de watergang langs de Schraatgravenweg vanwege de aanleg van de watergeul verbreed moet worden. De percelen van [maatschap B] kunnen volgens de minister dan alleen nog bereikt worden via de bestaande Breeweg, maar dit wordt bemoeilijkt wanneer de bouwweg daar langs gelegd wordt. De minister acht het voorts onwenselijk dat gedurende langere tijd [maatschap B] voor het ontsluiten van zijn percelen gebruik zou moeten maken van dezelfde weg waar ook het zware bouwverkeer over rijdt.
5.2. In het ecologisch werkprotocol is ten behoeve van de weidevogels voorgeschreven dat tijdens het broedseizoen geen transporten over de bouwweg bij de Breeweg worden uitgevoerd. Dit ter voorkoming dat broedende vogels worden verstoord. Het ecologisch werkprotocol behoort bij het besluit van 9 januari 2013 waarbij de staatssecretaris van Economische Zaken voor het projectgebied ontheffing heeft verleend van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 8 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het uitsteken, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op enigerlei andere wijze van de groeiplaats verwijderen van het rapunzelklokje en de veldsalie, alsmede van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het beschadigen, vernielen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de buizerd, havik, huismus, poelkikker, bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad en de rivierrombout. Voor zover Limosa Limosa en andere hebben gesteld dat weidevogels niet alleen zogenoemd uitwijkgedrag vertonen wanneer de bouwweg wordt gebruikt, maar ook wanneer de weg gedurende het broedseizoen niet wordt gebruikt, overweegt de voorzitter dat zij deze stelling niet hebben onderbouwd. Limosa Limosa en andere hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de tijdelijke bouwweg zodanig zijn dat zich een onaanvaardbare aantasting van de weidevogelbiotoop voordoet.
5.3. De minister heeft terecht gesteld dat hij dient te beslissen op de aanvraag, zoals deze is ingediend. Indien een project op zichzelf voor de minister aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
Ter zitting is gebleken dat het voorstel van Limosa Limosa en andere om de bouwweg te realiseren langs de buitenkant van de percelen van Maatschap [maatschap A] leidt tot een langere afstand die het bouwverkeer dan moet afleggen en tot extra bochten die voor het bouwverkeer minder gewenst zijn. Het door Limosa Limosa en andere gedane voorstel om de werkzaamheden aan de Schraatgravenweg zo te plannen dat deze weg nog zo lang mogelijk als ontsluitingsweg kan dienen voor de percelen van [maatschap B] stuit eveneens op bezwaren. Ter zitting heeft de minister naar voren gebracht dat het niet mogelijk is deze werkzaamheden uit te stellen, omdat de watergang bij de Schraatgravenweg vanwege de waterhuishouding in het gebied al aan het begin van het project moet worden verbreed. Limosa Limosa en andere hebben naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van de minister onjuist is. Limosa Limosa en andere hebben hun stellingname dat [maatschap B] hooguit vier tot vijf keer per jaar zijn percelen hoeft te bereiken, niet nader gemotiveerd. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat met het door Limosa Limosa en andere gewenste alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
5.4. Voor zover Limosa Limosa en andere ter zitting hebben aangevoerd dat de bouwweg naar het noorden zou kunnen worden verlegd, overweegt de voorzitter dat Limosa Limosa en andere dit alternatief niet nader hebben onderbouwd. Reeds daarom ziet de voorzitter daarin geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
6. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.
w.g. Van Diepenbeek w.g. Alderlieste
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013
590.