Uitspraak 201303125/2/A4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3252
- Datum uitspraak
- 7 juni 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 maart 2011 heeft het college aan maatschap [maatschap] een verklaring (hierna: de verklaring) als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een gemelde verandering van een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te Bergeijk.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
201303125/2/A4.
Datum uitspraak: 7 juni 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
De vennootschap onder firma De Putse Hoeve Catering, gevestigd te Bergeijk, waarvan de vennoten zijn [vennoot sub 1A] en [vennoot sub 1B], en de vennootschap onder firma Firma De Putse Hoeve, gevestigd te Bergeijk, waarvan de vennoten zijn [vennoot sub 2A] en [vennoot sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: De Putse Hoeve),
verzoeksters,
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2011 heeft het college aan maatschap [maatschap] een verklaring (hierna: de verklaring) als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot een gemelde verandering van een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te Bergeijk.
Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college een besluit genomen op het door onder meer De Putse Hoeve hiertegen gemaakte bezwaar.
Bij besluit van 26 februari 2013 heeft het college opnieuw een besluit genomen.
Tegen dit besluit heeft onder meer De Putse Hoeve beroep ingesteld.
De Putse Hoeve heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 mei 2013, waar De Putse Hoeve, vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers, werkzaam bij Jonkers Advies, en het college, vertegenwoordigd door B. van Dorsten en E. Verhagen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [maatschap], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Voor de inrichting is bij besluit van 25 februari 2008 een revisievergunning verleend. De melding die aan het besluit van 3 maart 2011 ten grondslag ligt ziet onder meer op uitbreiding van de inrichting met een biggenstal.
Bij het besluit van 20 december 2011 heeft het college het door De Putse Hoeve tegen het besluit van 3 maart 2011 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit, voor zover dat ziet op de verklaring, herroepen.
Bij het bestreden besluit van 26 februari 2013 is het college wegens nieuwe inzichten teruggekomen van het besluit van 20 december 2011 en heeft het onder herroeping van het besluit van 3 maart 2011 de verklaring opnieuw gegeven.
3. De Putse Hoeve betoogt dat de verklaring niet opnieuw kon worden gegeven, omdat die verklaring bij het onherroepelijk geworden besluit van 20 december 2011 was geweigerd.
3.1. Het college stelt dat het besluit van 20 december 2011 enkel een herroeping van het besluit van 3 maart 2011 inhoudt, en geen weigering van de verklaring.
3.2. Voorafgaand aan het besluit van 20 december 2011 heeft de Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Bergeijk op 21 juni 2011 een advies uitgebracht. Het advies concludeert, voor zover hier van belang, dat het college de melding niet had mogen accepteren, omdat de gemelde verandering leidt tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu. Onder verwijzing naar dit advies is in het besluit van 20 december 2011 het bezwaar van De Putse Hoeve in zoverre gegrond verklaard en het besluit van 3 maart 2011 herroepen. Verder vermeldt de uitspraak van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 13 november 2012 inzake de voor de te realiseren biggenstal verleende bouwvergunning dat het college heeft verklaard dat de herroeping van het besluit van 3 maart 2011, voor zover dat ziet op de verklaring, moet worden gezien als een weigering van die verklaring.
Onder deze omstandigheden is de voorzitter van oordeel dat het thans ingenomen standpunt van het college dat het besluit van 20 december 2011 enkel een herroeping inhoudt niet kan worden gevolgd, en dat moet worden aangenomen dat met de herroeping van het besluit van 3 maart 2011 tevens was beoogd de verklaring te weigeren. Dit besluit is onherroepelijk geworden.
Het besluit van 26 februari 2013, waarbij de verklaring alsnog is gegeven, is, zoals het college ter zitting ook naar voren heeft gebracht, gebaseerd op het gewijzigde inzicht dat de gemelde verandering geen grotere nadelige gevolgen zou hebben voor het milieu. De feiten en omstandigheden waarop de weigering van 20 december 2011 is gebaseerd zijn evenwel niet gewijzigd. Gelet hierop mocht het college naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet terugkomen van haar eerdere, onherroepelijke weigering en alsnog de verklaring geven. De voorzitter ziet aanleiding het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk van 26 februari 2013, kenmerk BER-2010-0710;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding van bij de vennootschappen onder firma De Putse Hoeve Catering en Firma De Putse Hoeve in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk aan de vennootschappen onder firma De Putse Hoeve Catering en Firma De Putse Hoeve het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat.
w.g. Wortmann w.g. Aal
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013
584.