Uitspraak 201301977/2/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3289
- Datum uitspraak
- 5 mei 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
- Voorlopige voorziening
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201301977/2/V3.
Datum uitspraak: 5 mei 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 30 januari 2013 in zaak nr. 13/1174 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 30 januari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Daarnaast heeft de vreemdeling krachtens artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Dit verzoek is aan de voorzitter van de Afdeling doorgezonden.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij de voorzieningenrechter ingediend, terwijl een hoger beroep van de vreemdeling bij de Afdeling aanhangig is tegen voormelde uitspraak van 30 januari 2013.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013 in zaak nr. 201103977/1 vloeit voor dit geval voort dat de voorzitter van de Afdeling bij uitsluiting bevoegd is dit verzoek in behandeling te nemen en dat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar open staat.
Het door de vreemdeling krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 gemaakte bezwaar zal worden aangemerkt als aanvulling op het verzoek om voorlopige voorziening.
Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling op 6 mei 2013 om 11.15 uur wordt uitgezet.
Bij mondelinge uitspraak van 5 mei 2013 heeft de voorzitter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Daartoe is overwogen dat in hetgeen de vreemdeling aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd geen grond is om aan te nemen dat de uitspraak van 30 januari 2013 in hoger beroep zal worden vernietigd en dat niet van de rechtmatigheid van de uitzetting en de wijze waarop deze wordt geëffectueerd kan worden uitgegaan.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
w.g. Lubberdink w.g. Van Loo
voorzitter ambtenaar van staat
418.