Uitspraak 201209556/2/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:7
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2012
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 juli 2012 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
201209556/2/V1.
Datum uitspraak: 16 oktober 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 september 2012 in zaak nr. 12/25028 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2012 heeft de minister de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 6 september 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het gestelde belang van de vreemdeling bij de gevraagde voorziening is hierin gelegen, dat wordt voorkomen dat hij wordt uitgezet zolang niet is beslist op het door hem ingestelde hoger beroep.
2. Het hoger beroep van de vreemdeling ziet alleen op het oordeel van de rechtbank over het aan de vreemdeling opgelegde inreisverbod. Ook indien dit hoger beroep zou slagen, doet dat niet af aan de bevoegdheid van de minister om tot uitzetting van de vreemdeling over te gaan. Hoewel de vreemdeling is aangekondigd dat hij op korte termijn zal worden uitgezet, ziet de voorzitter onder deze omstandigheden geen aanleiding om de voorziening, als verzocht, te treffen.
3. Het verzoek dient dan ook als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Verheij w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012
620.