Uitspraak 201110753/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:8
- Datum uitspraak
- 5 september 2012
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201110753/1/V1.
Datum uitspraak: 5 september 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 8 september 2011 in zaak nr. 10/37241 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 september 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Niet in geschil is dat het Bureau Documenten het door de vreemdeling overgelegde paspoort van Tsjaad authentiek heeft bevonden. Evenmin is in geschil dat Bureau Documenten niet heeft kunnen vaststellen op welke wijze het paspoort is verkregen, welke documenten aan het paspoort ten grondslag zijn gelegd en of het inhoudelijk gezien juist is.
3. In de enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 30 september 2010 onvoldoende heeft gemotiveerd door, in aanmerking genomen dat artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet aan de vreemdeling is tegengeworpen, de ongeloofwaardigheid van het relaas slechts te baseren op het feit dat de vreemdeling, van de gestelde Somalische nationaliteit, een als authentiek aan te merken Tsjadisch paspoort heeft overgelegd.
Hiertoe betoogt de minister dat hij het besluit van 30 september 2010 voldoende heeft gemotiveerd, omdat hij gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2011 in zaak nr. 201010701/1/V2, heeft mogen uitgaan van de authenticiteit van het door de vreemdeling overgelegde paspoort en derhalve van zijn Tsjadische nationaliteit. Voorts betoogt de minister in dit verband dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen de omstandigheden dat de vreemdeling reeds bij aankomst op Schiphol heeft verklaard dat hij de Somalische nationaliteit bezit en dat de gegevens in het door hem overgelegde paspoort onjuist zijn, dat hij Somalisch spreekt en zijn stamlijn kan noemen, dat na DNA-onderzoek is komen vast te staan dat hij geen familie is van de reisgenoot die zijn broer zou zijn, dat veel corruptie voorkomt in Tsjaad en dat in Somalië niet of nauwelijks officiële documenten zijn te verkrijgen.
3.1. De minister heeft zich in het besluit van 30 september 2010 en het daarin ingelaste voornemen daartoe op het standpunt gesteld dat de vreemdeling, gelet op het overgelegde authentieke Tsjadische paspoort, de Tsjadische nationaliteit bezit en dat het relaas van de vreemdeling geen betrekking heeft op gebeurtenissen en omstandigheden in de Republiek Tsjaad, zodat geen verdere inhoudelijke beoordeling van dat relaas behoeft plaats te vinden.
4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juli 2009 in zaak nr. 200901280/1/V2), staat het de minister niet vrij aan een door een vreemdeling ter staving van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd overgelegd paspoort waarvan de echtheid door hem niet wordt betwist, geen waarde te hechten louter op basis van gerezen twijfel.
Nu in het door de vreemdeling overgelegde authentieke paspoort is aangegeven dat hij de Tsjadische nationaliteit bezit, heeft de minister daarvan bij de beoordeling van de asielaanvraag derhalve in redelijkheid kunnen uitgaan. Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van 18 januari 2011, had, indien de vreemdeling had gewild dat het paspoort niettemin buiten beschouwing zou worden gelaten, omdat het volgens hem op frauduleuze wijze is verkregen, het op zijn weg gelegen dit aannemelijk te maken door daarnaar onderzoek te laten verrichten bij de Tsjadische autoriteiten. Dat heeft hij echter niet gedaan. De minister heeft voorts de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden terecht onvoldoende geacht om aan het paspoort geen waarde te hechten.
Gelet hierop en nu het relaas van de vreemdeling betrekking heeft op gebeurtenissen en omstandigheden in Somalië en niet in de Republiek Tsjaad, heeft de rechtbank niet onderkend dat voor de minister geen aanleiding bestond dat relaas inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister het besluit van 30 september 2010 onvoldoende heeft gemotiveerd.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de minister voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 30 september 2010 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
6. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de minister ten onrechte geen taalanalyse heeft laten verrichten om uitsluitsel omtrent zijn herkomst te verkrijgen.
6.1. In het besluit van 30 september 2010 en het daarin ingelaste voornemen daartoe heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, een taalanalyse een middel is dat wordt ingezet indien documenten betreffende de identiteit, nationaliteit en reisroute ontbreken. Volgens de minister was hij, nu de vreemdeling volledig is gedocumenteerd, niet gehouden om een taalanalyse te laten verrichten.
6.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is het aan de vreemdeling om zijn gestelde herkomst aannemelijk te maken. De minister kan de vreemdeling daarin weliswaar tegemoet komen door een taalanalyse te laten verrichten indien bij hem twijfel is gerezen over de door de vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, doch hij is daartoe niet gehouden. Nu de minister, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bij de beoordeling van de asielaanvraag in redelijkheid ervan uit heeft kunnen gaan dat de vreemdeling de Tsjadische nationaliteit bezit, bestaat geen grond voor het oordeel dat hij in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van het laten verrichten van een taalanalyse.
De beroepsgrond faalt.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 8 september 2011 in zaak nr. 10/37241;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2012
488-734