Uitspraak 200302625/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:2
- Datum uitspraak
- 7 juli 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 januari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) appellant ongewenst verklaard. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200302625/1.
Datum uitspraak: 7 juli 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 april 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) appellant ongewenst verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 3 juli 2002 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 april 2003, verzonden op 11 april 2003, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 6 mei 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2003, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen. Appellant is niet ter zitting verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Artikel 17 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG); Tweede gedeelte inzake het Burgerschap van de Unie, luidt:
1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld.
Artikel 18, eerste lid, bepaalt dat iedere burger van de Unie het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
2.1.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, eerste alinea, van Richtlijn 90/364/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PbEG 1990, L 180), kennen de lidstaten het verblijfsrecht toe aan onderdanen van de lidstaten die het recht niet bezitten op grond van andere bepalingen van het gemeenschapsrecht alsmede van hun familieleden, als omschreven in artikel 1, lid 2, mits zij voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben die alle risico’s in het gastland dekt en over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komen.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, tweede alinea, kan de lidstaat voor de afgifte van de verblijfskaart of het verblijfsdocument van de aanvrager slechts verlangen dat hij een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort overlegt en aantoont dat hij voldoet aan de in artikel 1 gestelde voorwaarden.
Ingevolge het tweede lid, tweede alinea, voorzover thans van belang, mogen de lidstaten uitsluitend om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid van de bepalingen van deze richtlijn afwijken. In dat geval is Richtlijn 64/221/EEG van toepassing.
2.1.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn 64/221/EEG van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 25 februari 1964, voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf (PbEG 1964, 056), moeten de maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene.
Ingevolge het tweede lid vormt het bestaan van strafrechtelijke veroordeling op zichzelf geen motivering van deze maatregelen.
Ingevolge artikel 7, voor zover thans van belang, wordt het besluit tot verwijdering van het grondgebied aan de betrokkene medegedeeld. Deze mededeling vermeldt de toegemeten termijn, waarbinnen het grondgebied moet worden verlaten. Behoudens in dringende gevallen mag deze termijn niet korter zijn dan veertien dagen in geval betrokkene nog geen verblijfsvergunning heeft ontvangen en niet korter dan een maand in de overige gevallen.
Ingevolge artikel 8, voor zover thans van belang, moet betrokkene tegen het besluit tot verwijdering van het grondgebied kunnen beschikken over de mogelijkheden van beroep die openstaan voor de eigen onderdanen tegen bestuursrechtelijke besluiten.
2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef, onderdeel e, onder 1°, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder gemeenschapsonderdanen verstaan onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-verdrag) gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven.
Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, voor zover thans van belang, heeft een vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan, zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het EG-verdrag.
Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, kan de vreemdeling door de minister ongewenst worden verklaard indien hij in Nederland verblijft anders dan op grond van artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, en hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Ingevolge artikel 112 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, ter uitvoering van een verdrag, dan wel van een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie regels worden gesteld in verband met het rechtmatig verblijf van vreemdelingen, waarbij ten gunste van deze vreemdelingen kan worden afgeweken van deze wet.
2.2.1. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), voor zover thans van belang, wint de Minister omtrent een te nemen beslissing op bezwaar advies in van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, die optreedt als commissie in de zin van artikel 7:13 onderscheidenlijk artikel 7:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), indien bij de bestreden beschikking wordt vastgesteld dat een gemeenschapsonderdaan geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet toekomt, dan wel dat dit is geëindigd, op grond van gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid als bedoeld in richtlijn (EG) nr. 64/221 van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PbEG 1964, 056).
Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kan de vreemdeling grond van artikel 67, eerste lid, onder c, van de Wet door de minister in ieder geval ongewenst worden verklaard indien de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, wegens een misdrijf bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot een of meer vrijheidsontnemende straffen of maatregelen, waarvan de totale duur zes maanden of meer bedraagt.
Ingevolge artikel 8.13, eerste lid, blijft uitzetting van een gemeenschapsonderdaan achterwege zolang niet is gebleken dat hem geen verblijfsrecht toekomt of dat zijn verblijfsrecht is vervallen.
Ingevolge het tweede lid wordt de vreemdeling die onderdaan is van een staat die partij is bij het EG-verdrag en die geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan toekomt, dan wel wiens verblijfsrecht is vervallen, niet uitgezet dan nadat hem een termijn van ten minste vier weken is gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd.
Ingevolge het derde lid blijft uitzetting van de in het tweede lid bedoelde vreemdeling achterwege zolang niet is beslist op een tijdig ingediend bezwaar tegen een beschikking als bedoeld in het tweede lid.
Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kan in dringende gevallen worden afgeweken van het bepaalde in het tweede en derde lid.
2.2.2. Volgens paragraaf B10/7.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) gelden voor een onderdaan van een staat die partij is bij het EG-verdrag die geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onverkort de regels als genoemd in B1/2.2.4. van de Vc 2000.
Volgens paragraaf B1/2.2.4.4. van de Vc 2000 gaat het bij grond c van artikel 67 van de Vw 2000 onder meer om de categorie vreemdelingen die tot een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld of waarbij een langdurige vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, waarbij onder langdurig een periode van zes maanden of langer wordt verstaan.
2.3. Bij besluit van 11 januari 2002 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, overwogen dat appellant geen gemeenschapsonderdaan is, omdat hij niet economisch actief is en aangetoond noch gebleken is dat hij geen economisch niet actief onderdaan is. Appellant is bij vonnis van 18 april 2001 van de arrondissementsrechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren wegens overtreding van artikel 10, derde of vierde lid en artikel 2, eerste lid, onder A, B en C van de Opiumwet en artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet hierop wordt aangenomen dat appellant een gevaar voor de openbare orde vormt. Nu appellant tevens geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, wordt hij ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.5, aanhef en onder b, van het Vb 2000 ongewenst verklaard. Indien moet worden aangenomen dat sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven tussen appellant en zijn echtgenote en kinderen als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), dan is deze gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.
Bij besluit van 3 juli 2002 heeft de staatssecretaris dit besluit op deze gronden in bezwaar gehandhaafd.
2.4. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat de staatssecretaris op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant niet kan worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onderdeel e, onder 1°, van de Vw 2000 en dat hem ook geen verblijfsrecht toekomt in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Het in paragraaf B1/2.2.4.4. van de Vc 2000 neergelegde beleid is niet onredelijk en aan de vereisten voor ongewenstverklaring is voldaan. Van een inmenging in het gezinsleven is geen sprake, omdat de ongewenstverklaring er niet toe strekt appellant een verblijfstitel te ontnemen die hem tot uitoefening van dat gezinsleven in staat stelde.
2.5. De Afdeling overweegt als volgt.
2.5.1. Vast staat dat appellant van Duitse nationaliteit is. Gesteld noch gebleken is dat appellant een verblijfsrecht aan de artikelen 39, 43 of 49 van het EG-verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen kan ontlenen.
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 17 september 2002 in de zaak C-413/99 (Baumbast, R. en Secretary of State for the Home Department, Jurispr. 2002, blz. I-7091) dient evenwel ook te worden onderzocht of appellant aan artikel 18, eerste lid, EG een verblijfsrecht kon ontlenen.
2.5.2. In dat arrest heeft het Hof van Justitie onder 81 tot en met 87 als volgt overwogen:
"Het Hof heeft vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie weliswaar gepreciseerd dat dit recht van verblijf, dat rechtstreeks wordt toegekend door het EG-verdrag, afhankelijk was van de voorwaarde dat de betrokkene een economische werkzaamheid in de zin van de artikelen 48, 52 of 59 EG-verdrag verricht (thans, na wijziging, artikelen 39 EG, 43 EG en 49 EG) (zie arrest van 5 februari 1991, Roux, C-363/89, Jurispr. blz. I-273, punt 9), doch dit neemt niet weg dat sindsdien de status van burger van de Europese Unie in het EG-verdrag is ingevoerd en dat artikel 18, lid 1, EG elke burger het recht verleent om vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven en te reizen.
Volgens artikel 17, lid 1, EG is eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, burger van de Unie. De hoedanigheid van burger van de Unie dient de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten te zijn (zie in die zin arrest van 20 september 2001, Grzelczyk, C-184/99, Jurispr. blz. I-6193, punt 31).
Bovendien verlangt het Verdrag betreffende de Europese Unie niet dat de burgers van de Unie een beroepsactiviteit in loondienst of als zelfstandige uitoefenen om de rechten te genieten waarin het tweede deel van het EG-verdrag, betreffende het burgerschap van de Unie, voorziet. Voorts bevat de tekst van dit Verdrag geen enkele aanwijzing die de conclusie rechtvaardigt dat burgers van de Unie die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd om aldaar een activiteit in loondienst te verrichten, wanneer deze activiteit wordt beëindigd, de rechten verliezen die het EG-verdrag hun op grond van dit burgerschap toekent.
Wat, in het bijzonder, het in artikel 18, lid 1, EG bepaalde recht betreft om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, moet worden vastgesteld dat dit recht door een duidelijke en nauwkeurige bepaling van het EG-verdrag rechtstreeks wordt toegekend aan iedere burger van de Unie. Baumbast heeft daarom louter in zijn hoedanigheid van onderdaan van een lidstaat, en dus van burger van de Unie, het recht, zich op artikel 18, lid 1, EG te beroepen.
Het is juist, dat dit verblijfsrecht van burgers van de Unie op het grondgebied van een andere lidstaat wordt toegekend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
De toepassing van de beperkingen en voorwaarden die volgens artikel 18, lid 1, EG aan de uitoefening van dat recht van verblijf mogen worden gesteld, is echter vatbaar voor rechterlijke toetsing. Eventuele beperkingen van en voorwaarden voor dit recht beletten derhalve niet dat de bepalingen van artikel 18, lid 1, EG voor particulieren rechten doen ontstaan, welke zij in rechte geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient te handhaven (zie in die zin arrest van 4 december 1974, Van Duyn, 41/74, Jurispr. blz. 1337, punt 7).
Wat de beperkingen en voorwaarden betreft die uit voorschriften van afgeleid recht voortvloeien, bepaalt artikel 1, lid 1, van richtlijn 90/364 dat de lidstaten van onderdanen van een lidstaat die op hun grondgebied willen verblijven, mogen verlangen dat zij voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben die alle risico's in het gastland dekt en over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komen."
Overwegingen 90, 91 en 94 luiden voorts als volgt:
"In elk geval gaan de in artikel 18 EG bedoelde en in richtlijn 90/364 vastgestelde beperkingen en voorwaarden uit van het idee dat de uitoefening van het verblijfsrecht van burgers van de Unie ondergeschikt kan worden gemaakt aan de legitieme belangen van de lidstaten. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat uit de vierde overweging van de considerans van richtlijn 90/364 blijkt dat degenen die het verblijfsrecht genieten, geen "onredelijke" belasting voor de algemene middelen van het gastland mogen vormen.
Deze beperkingen en voorwaarden moeten evenwel worden toegepast met inachtneming van de grenzen die het gemeenschapsrecht stelt en overeenkomstig de algemene beginselen ervan, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de ter zake vastgestelde nationale maatregelen passend en noodzakelijk moeten zijn om het beoogde doel te bereiken (zie in die zin arrest van 2 augustus 1993, Alluè e.a., C-259/91, C-331/91 en C-332/91, Jurispr. blz. I-4309, punt 15).
(…).
Derhalve moet op het eerste onderdeel van de derde vraag worden geantwoord dat een burger van de Europese Unie die in het gastland niet langer een recht van verblijf als migrerende werknemer geniet, in zijn hoedanigheid van burger van de Unie aldaar een verblijfsrecht kan genieten op grond van de rechtstreekse werking van artikel 18, lid 1, EG. Aan de uitoefening van dit recht kunnen de in deze bepaling bedoelde beperkingen en voorwaarden worden gesteld, doch de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, de nationale rechterlijke instanties moeten ervoor waken dat die beperkingen en voorwaarden worden toegepast met inachtneming van de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel."
2.5.3. Nu appellant onderdaan van een lidstaat is en daarmee burger van de Unie, komt hem, gelet op voormeld arrest, een recht toe om ingevolge artikel 18, eerste lid, EG op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, met dien verstande dat daaraan voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld. Voor deze voorwaarden en beperkingen kan, gelet op voormeld arrest, worden aangesloten bij hetgeen in artikel 1, eerste lid, en artikel 2, tweede lid, tweede alinea, van de Richtlijn 90/364/EEG is bepaald. Zolang en indien het onderzoek naar deze analoog toe te passen voorwaarden en beperkingen van deze Richtlijn niet heeft uitgewezen dat daaraan niet is voldaan, wordt het uit die verdragsbepaling voortvloeiend recht van verblijf aangenomen.
De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant niet kan worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onderdeel e, onder 1°, van de Vw 2000.
2.5.4. Hiermee is sprake van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, omdat een redelijke uitleg van de bepaling meebrengt dat ook zij, die een verblijfsrecht rechtstreeks aan het EG-verdrag ontlenen en niet aan een op dat verdrag gebaseerde regeling, binnen de reikwijdte van de bepaling vallen.
De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van voormeld artikel 8, aanhef en onder e, en dat daarom geen sprake is van een inmenging in het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
2.5.5. Nu appellant als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onderdeel e, onder 1°, van de Vw 2000 met een verblijfsrecht in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 moet worden aangemerkt, vloeit daaruit enerzijds voort dat de staatssecretaris appellant in elk geval niet ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.5, aanhef en onder b, van het Vb 2000 ongewenst kon verklaren en anderzijds dat ingevolge artikel 112 van de Vw 2000 de bepalingen van Hoofdstuk 8, Afdeling 2, paragraaf 2 van het Vb 2000, in het bijzonder artikel 8.13, van toepassing zijn. De rechtbank heeft dit miskend.
2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 januari 2003 in zaak nr. 200205393/1, gepubliceerd in JV 2003/82), is met voormeld artikel 8.13 beoogd aan artikel 7 van Richtlijn 64/221/EEG uitvoering te geven. Deze Richtlijn dient ingevolge artikel 2, tweede lid, tweede alinea, van de Richtlijn 90/364/EEG en gelet op voormeld arrest van Hof van Justitie van 17 september 2002 in acht te worden genomen bij het onderzoek of aan de beperkingen en aan de voorwaarden van artikel 1, eerste lid, eerste alinea, van laatstvermelde Richtlijn is voldaan. Daaruit vloeit voort dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris het aan appellant ingevolge artikel 18, eerste lid, EG toekomende verblijfsrecht slechts kon beëindigen op grond van openbare orde in de zin van Richtlijn 64/221/EEG, waarbij de staatssecretaris is gebonden aan de uitleg door het Hof van Justitie in het arrest van 17 oktober 1977 in zaak 30/77 (Bouchereau, Jurispr., blz. 1999) van deze term en, gelet op het arrest van Hof van Justitie van 17 september 2002, aan het communautair evenredigheidsbeginsel, en niet eerder dan dat voor het nemen van de beslissing op bezwaar ingevolge artikel 1.5 van het Vb 2000 advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken is ingewonnen.
2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van de staatssecretaris, waarbij het bezwaar tegen de ongewenstverklaring van appellant ongegrond is verklaard, wegens schending van artikel 1.5 van het Vb 2000 vernietigen en zal zij het daartegen gerichte beroep alsnog gegrond verklaren. Aangezien niet vaststaat, welke beslissing op het bezwaar van appellant rechtens moet worden genomen, ziet de Afdeling voorts geen grond om toepassing te geven aan het bepaalde bij artikel 8:72, derde lid, van de Awb. De minister zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.
2.8. De minister dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 7 april 2003 in zaak nr. AWB 02/59106;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 3 juli 2002, kenmerk 0102-08-2038;
V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant te worden betaald;
VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht € 109,00 voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en € 175,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van de Kolk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2003
347.