Uitspraak 201108319/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2012:330
- Datum uitspraak
- 28 september 2012
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 juli 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
201108319/1/V2.
Datum uitspraak: 28 september 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 22 juli 2011 in zaak nrs. 11/21861 en 11/21859 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. Hetgeen in het hogerberoepschrift als eerste grief is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.
3. In de tweede grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij – omdat hij het ontbreken van de identiteitsdocumenten niet in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, maar in het kader van de positieve overtuigingskracht aan de vreemdeling heeft tegengeworpen – een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. De voorzieningenrechter gaat er ten onrechte van uit dat het niet beschikken over bepaalde documenten geen rol kan of mag spelen bij de beoordeling van de vraag of van de verklaringen van de vreemdeling positieve overtuigingskracht uitgaat, indien het ontbreken van die documenten niet tevens toerekenbaar is geacht in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Het oordeel van de voorzieningenrechter berust dan ook op een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2005 in zaak nr. 200408567/1 (JV 2005/191), aldus de minister.
3.1. Uit voormelde uitspraak van 24 maart 2005 volgt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 juni 2010 in zaak nr. 200906409/1/V3, dat de minister bij de beoordeling of van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat, niet opnieuw en uitsluitend een in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 genoemde omstandigheid kan tegenwerpen. Daaruit volgt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 april 2012 in zaak nr. 201108311/1/V2, echter niet dat het ontbreken van bepaalde documenten, zoals in dit geval een identiteitsdocument, alleen in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan een vreemdeling kan worden tegengeworpen en dat het ontbreken van een bepaald document geen betekenis kan hebben voor de door de minister te verrichten beoordeling of van het relaas positieve overtuigingskracht uitgaat. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 juli 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
5. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat haar asielrelaas positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. De minister heeft daarbij ten onrechte van belang geacht dat zij niet kan verklaren over het referendum van 1993, nu zij toentertijd slechts acht jaar oud was, aldus de vreemdeling.
5.1. In het besluit van 4 juli 2011 en het daarin ingelaste voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over haar identiteit, nationaliteit en herkomst positieve overtuigingskracht missen en daarom ongeloofwaardig zijn. Daaraan heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat, ondanks dat zij op dat moment acht jaar oud was, van de vreemdeling verwacht mag worden dat zij enige kennis heeft over het referendum van 1993, nu zij op dat moment bij haar ouders woonde en zij het jaar daarop naar school is gegaan, zodat zij zich redelijkerwijs op een later moment op de hoogte had kunnen laten stellen van deze voor Eritreërs belangrijke gebeurtenis.
5.2. Onbestreden is dat van het relaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan om het geloofwaardig te kunnen achten. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister zich, op de in het besluit van 4 juli 2011 neergelegde gronden, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de vreemdeling verwacht kon worden dat zij ten minste enige kennis heeft over het referendum van 1993. Gelet daarop, in samenhang met de in voormeld besluit gegeven motivering over het ontbreken van een identiteitsdocument, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gehele relaas ongeloofwaardig is.
6. De vreemdeling heeft in beroep tevens aangevoerd dat de minister heeft miskend dat zij niet volledig is besneden en dat haar moeder haar altijd heeft voorgehouden dat zij, bij een eventueel huwelijk, alsnog besneden moet worden.
6.1. Zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen, heeft de minister zijn standpunt, dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig is, deugdelijk gemotiveerd. Indien de minister zich op het standpunt stelt dat het asielrelaas van een vreemdeling, daaronder begrepen de verklaringen met betrekking tot zijn herkomst, identiteit en nationaliteit, wegens het ontbreken van positieve overtuigingskracht ongeloofwaardig is, kan verdere bespreking van de asielmotieven van de desbetreffende vreemdeling achterwege blijven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 31 augustus 2006 in zaak nr. 200605347/1 (JV 2006, 402), hebben de asielmotieven immers slechts betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van de vreemdeling.
7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop het betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 22 juli 2011 in zaak nr. 11/21859;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Loon
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012
284-657.