Uitspraak 201301810/2/A1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3413
- Datum uitspraak
- 14 maart 2013
- Inhoudsindicatie
- Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 1 februari 2013 van de voorzieningenrechter. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
201301810/2/A1.
Datum uitspraak: 14 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Helmond,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013 in zaak nrs. 12/4009 en 12/4019 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Someren.
Openbare zitting gehouden op 14 maart 2013 om 10:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. D.A.C. Slump voorzitter (vz.)
ambtenaar van staat: mr. A.M.L. Hanrath
Verschenen:
[verzoeker], bijgestaan door mr. D. van de Weerdt.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 1 februari 2013 van de voorzieningenrechter. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het primaire besluit van 3 juli 2012, verzonden 5 juli 2012, en het besluit op bezwaar van 22 november 2012, verzonden 23 november 2012, met ingang van 25 februari 2013, de datum van indiening van het verzoek om voorlopige voorziening;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Someren aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) vergoedt.
Daartoe overweegt hij het volgende.
Nu het college door omstandigheden die voor zijn risico komen niet ter zitting vertegenwoordigd is, kan een aantal feitelijke vragen niet worden beantwoord. Hierdoor is thans niet bekend of het college al dan niet ontkent hetgeen door de [getuigen] bij de voorzieningenrechter is verklaard en in hun overgelegde schriftelijke verklaringen staat omtrent de gestelde uitlatingen van [toezichthouder]. Voorts is niet buiten twijfel of het door de voorzieningenrechter onderschreven standpunt van het college, dat [toezichthouder] in dit geval niet bevoegd was namens het college de vermeende toezeggingen te doen, zonder meer juist is, gelet op de brief van het college aan [verzoeker] van 5 november 2010. Vaststelling van de ontbrekende feiten en beantwoording van deze rechtsvraag dient plaats te vinden door de Afdeling in de bodemprocedure. Gelet op het vorenstaande, en in aanmerking genomen de in geding zijnde belangen, bestaat aanleiding voor de tussenliggende periode een ordemaatregel te treffen.
w.g. Slump w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van staat
392.