Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201109287/1/V1

Uitspraak 201109287/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:3414
Datum uitspraak
8 maart 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft de minister van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201109287/1/V1.
Datum uitspraak: 8 maart 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
2. [vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 juli 2011 in zaak nr. 10/29770 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft de minister van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juli 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling en de minister hebben ieder een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Hetgeen in het hogerberoepschrift van de vreemdeling is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond.

4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt in het besluit van 5 augustus 2010 dat de beschieting van de vreemdeling niet is te herleiden tot een van de limitatieve gronden in paragraaf C2/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De staatssecretaris betoogt dat zelfstandige betekenis toekomt aan het opzettelijk toebrengen van fysieke pijn en leed. Nu de vreemdeling bij de beschieting niet is geraakt, heeft zich geen fysieke pijn en leed voorgedaan en betreft het gestelde geestelijke letsel geen ernstige mishandeling, aldus de staatssecretaris.

4.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de staatssecretaris een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, verlenen aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van de staatssecretaris op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

De wijze waarop de staatssecretaris van deze bevoegdheid gebruik pleegt te maken is uiteengezet in paragraaf C2/4.2 van de Vc 2000.

4.2. In de limitatieve opsomming van gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot verblijfsaanvaarding, vermeld in paragraaf C2/4.2.3 van de Vc 2000, gaat het om marteling, verkrachting of ernstige mishandeling. In deze paragraaf is eveneens vermeld dat onder ernstige mishandeling wordt verstaan het opzettelijk toebrengen van pijn en leed dat zwaar lichamelijk of geestelijk letsel tot gevolg heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2002 in zaak nr. 200202903/1, JV 2002/307), heeft het woord "ernstige" in die opsomming zelfstandige betekenis.

4.3. Blijkens het rapport van het nader gehoor van 11 juli 2006 heeft de vreemdeling bij die gelegenheid verklaard dat hij op weg naar de woning van een vriend is beschoten, maar niet geraakt.

4.4. De staatssecretaris heeft in het besluit van 5 augustus 2010 de door de vreemdeling gestelde beschieting geloofwaardig geacht, doch zich op het standpunt gesteld dat ernstige mishandeling in de zin van paragraaf C2/4.2.3 van de Vc 2000 niet aan de orde is. Hiermee heeft de staatssecretaris aan het in paragraaf C2/4.2 van de Vc 2000 neergelegde traumatabeleid geen toepassing gegeven die niet valt te rijmen met het in het kader van dat beleid gehanteerde begrip ernstige mishandeling. De rechtbank heeft in hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd derhalve ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris het besluit van 5 augustus 2010 in zoverre, met de verwijzing naar de limitatieve opsomming in paragraaf C2/4.2.3 van de Vc 2000, niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 augustus 2010 alsnog ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Immigratie en Asiel gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 juli 2011 in zaak nr. 10/29770;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Vink
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013

154-734.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon