Uitspraak 201205665/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:3436
- Datum uitspraak
- 28 februari 2013
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
201205665/1/V2.
Datum uitspraak: 28 februari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 9 mei 2012 in zaak nr. 11/27238 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 29 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. De staatssecretaris betoogt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem gegeven motivering niet de conclusie kan dragen, dat de inmenging in het familie- en gezinsleven van de vreemdeling gerechtvaardigd is en derhalve de door hem gemaakte belangafweging in het kader van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet in rechte houdbaar is. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hem bij het maken van die belangenafweging een zekere beoordelingsruimte toekomt en ten onrechte haar oordeel in de plaats heeft gesteld van dat van hem.
2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.
Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
2.2. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen in onder meer het arrest van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, nr. 54273/00, (www.echr.coe.int), dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de lidstaat.
2.3. In hoger beroep is niet langer in geschil dat zowel tussen de vreemdeling en zijn partner als tussen de vreemdeling en de dochter van zijn partner familie- en gezinsleven bestaat, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Evenmin is in geschil dat het besluit van 29 juli 2011, waarbij de afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen is gehandhaafd, een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM betekent.
2.4. In voormeld besluit heeft de staatssecretaris het algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid afgewogen tegen het persoonlijk belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande met zijn partner en haar dochter en daarbij aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toegekend. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling tussen 2007 en 2010 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waarmee hem een verblijfsrecht van tijdelijke aard is toegekend. Nu de vreemdeling bekend was dat hij na het beëindigen van het categoriale beschermingsbeleid uit Nederland zou moeten vertrekken, komt de omstandigheid dat hij in die periode hier te lande een relatie is aangegaan voor diens risico. Voorts heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat, hoewel de partner van de vreemdeling en haar dochter zich in een lastige situatie bevinden, niet is gebleken dat het voor hen onmogelijk is zich in Irak of een ander land te vestigen dan wel dat zij in Irak geen steun kunnen krijgen van familieleden, vrienden of hulpverleningsinstanties. De staatssecretaris heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de dochter van de partner op 22 juni 2010 is geboren, zodat niet kan worden aangenomen dat zij in Nederland is geworteld. De partner van de vreemdeling, die in 2002 vanuit Irak naar Nederland is gekomen en vervolgens, evenals de vreemdeling, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, heeft hier te lande weliswaar een sociaal leven opgebouwd, maar nu zij ervan op de hoogte moet zijn geweest dat de vreemdeling slechts een tijdelijk verblijfsrecht was toegekend, komt het volgens de staatssecretaris voor hun risico dat zij om bij elkaar te kunnen blijven samen naar het land van herkomst of een derde land moeten afreizen. Volgens de staatssecretaris bestaan er geen objectieve belemmeringen het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, nu de vreemdeling, gelet op de verblijfsvergunning die hem was verleend, geen verdragsvluchteling is. Dat de partner van de vreemdeling een verstandelijke beperking heeft en zij en haar dochter de Nederlandse nationaliteit hebben, is evenmin voldoende om een objectieve belemmering aan te nemen, aangezien de verstandelijke beperking niet met medische stukken is gestaafd en Nederlanders zich over het algemeen in andere landen mogen vestigen. Ook de ondertoezichtstelling van de dochter van de partner brengt niet op voorhand een objectieve belemmering met zich, nu is gesteld noch gebleken dat dat een verhuizing naar Irak onmogelijk maakt. Ten slotte heeft de staatssecretaris bij zijn belangenafweging betrokken dat de vreemdeling een paspoort noch een ongehuwdverklaring heeft overgelegd, terwijl dat van hem kon worden verwacht, dat zijn partner niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt en dat de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens het in het bezit zijn van een reisdocument, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is.
2.5. De rechtbank heeft voor haar oordeel, dat het standpunt van de staatssecretaris dat de inmenging in het familie- en gezinsleven van de vreemdeling gerechtvaardigd is niet deugdelijk is gemotiveerd en daarom de door hem gemaakte belangafweging niet in rechte houdbaar is, van belang geacht dat uit het dossier blijkt dat de vreemdeling het familie- en gezinsleven met zijn partner en haar dochter is aangegaan toen hij in het bezit was van een verblijfsvergunning, de partner sinds 2002 in Nederland verblijft, zij en haar dochter de Nederlandse nationaliteit hebben en de vreemdeling zijn inburgeringsexamen heeft gehaald. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling weliswaar niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, maar dat hieraan in redelijkheid niet veel gewicht kan worden toegekend, nu de vreemdeling tot aan de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning een zelfstandig inkomen had, hij door die intrekking zijn baan is kwijtgeraakt en hij, zijn partner en haar dochter daardoor afhankelijk zijn geworden van de uitkering van zijn partner. Ook heeft de rechtbank van belang geacht dat, gelet op de geringe ernst van het door de vreemdeling gepleegde strafbare feit, in redelijkheid niet veel gewicht kan worden toegekend aan zijn strafrechtelijke veroordeling. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de partner van de vreemdeling verstandelijke en psychische beperkingen heeft, als gevolg waarvan zij een uitkering ontvangt, en dat voorstelbaar is dat die omstandigheid voor de vreemdeling een belemmering vormt om het familie- en gezinsleven met zijn partner en haar dochter buiten Nederland uit te oefenen. Daarnaast blijkt volgens de rechtbank uit het dossier dat de gezinssituatie kwetsbaar is, dat zij in belangrijke mate afhankelijk zijn van hulpverleningsinstanties en dat de vreemdeling een stabiele rol binnen het gezin vormt. Voorts is de ondertoezichtstelling van de dochter van de partner weliswaar inmiddels opgeheven, maar dit had blijkbaar met name van doen met de aanwezigheid van de vreemdeling in het gezin, aldus de rechtbank.
2.6. Door aan de hiervoor onder 2.5 vermelde feiten en omstandigheden doorslaggevend belang te hechten en voorbij te gaan aan de overige door de staatssecretaris bij zijn belangenafweging betrokken feiten en omstandigheden, zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven, heeft de rechtbank op onjuiste wijze getoetst, of de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging in rechte houdbaar is en voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Dat volgens de rechtbank in redelijkheid niet veel gewicht kan worden toegekend aan de omstandigheden dat de vreemdeling niet over voldoende middelen van bestaan beschikt en strafrechtelijk is veroordeeld, betekent niet dat de staatssecretaris deze omstandigheden niet bij de belangenafweging heeft kunnen betrekken. Door te overwegen dat voorstelbaar is dat een objectieve belemmering bestaat het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, is de rechtbank er voorts aan voorbij gegaan dat, zoals de staatssecretaris ook in het door hem bij de rechtbank ingediende verweerschrift ter toelichting van het besluit heeft uiteengezet, de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zorg en begeleiding van zijn partner wegens een verstandelijke beperking medisch noodzakelijk is dan wel dat deze niet in Irak door de vreemdeling of hulpverleningsinstanties kan worden gecontinueerd. Weliswaar komt bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM betekenis toe aan de door de rechtbank vermelde omstandigheid dat de partner van de vreemdeling sinds 2002 in Nederland verblijft, maar nu, zoals de staatssecretaris in het besluit en in zijn verweerschrift heeft uiteengezet, personen met de Nederlandse nationaliteit zich over het algemeen in andere landen mogen vestigen en de partner bovendien in Irak is geboren, heeft de staatssecretaris terecht van betekenis geacht dat niet is gebleken van een objectieve belemmering, als vorenbedoeld. Het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde, onder 2.4 vermelde feiten en omstandigheden, met name dat niet is gebleken dat het voor de vreemdeling, zijn partner en haar dochter onmogelijk is zich in Irak of een ander land te vestigen dan wel dat zij in Irak geen steun kunnen krijgen van familieleden, vrienden of hulpverleningsinstanties en er ook overigens geen objectieve belemmeringen bestaan het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, geeft geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris, bij de "fair balance" die moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlandse algemeen belang anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat inmenging in de uitoefening door de vreemdeling van zijn recht op familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.
4. Voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen resterende beroepsgrond is beslist, wordt aan deze beroepsgrond niet toegekomen. Over die beroepsgrond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgrond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geschil.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 9 mei 2012 in zaak nr. 11/27238;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Klinkers
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2013
549.