Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201108098/1/V1

Uitspraak 201108098/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:3442
Datum uitspraak
27 februari 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 november 2010 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 17, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) de kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise te vergoeden, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201108098/1/V1.
Datum uitspraak: 27 februari 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 1 juli 2011 in zaak nr. 10/41162 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

het COa.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2010 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 17, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) de kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise te vergoeden, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 juli 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tweede grief klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zijn besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat de door het COa opgeworpen twijfels over de deskundigheid en onafhankelijkheid van de opsteller van de contra-expertise, die volgens het COa waarschijnlijk dezelfde persoon is als degene aan wiens deskundigheid en onafhankelijkheid reeds lang wordt getwijfeld, niet dragend zijn voor het standpunt dat de opsteller van de contra-expertise niet als onafhankelijk en ondeskundig kan worden beschouwd, reeds omdat niet vaststaat dat het om een en dezelfde persoon gaat. Het COa voert daartoe aan dat de twijfel over de deskundigheid en onafhankelijkheid van de opsteller van de contra-expertise niet is weggenomen, nu diens identiteit niet bekend is. Het COa voert, onder verwijzing naar artikel 17, derde lid, van de Rva 2005 en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2010 in zaak nr. 200904984/1/V1 (pdf, 736 kB), voorts aan dat het vooraf de onafhankelijkheid en deskundigheid van de desbetreffende persoon mag verifiëren teneinde te beoordelen of de voorgenomen contra-expertise redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling en toetsing in de asielprocedure en of de gevraagde kosten dus wel noodzakelijk zijn. Een beoordeling achteraf zou volgens het COa voor zowel hem, als de vreemdeling financiële risico's meebrengen.

1.1. Bij brief van 4 november 2010 heeft het COa, onder verwijzing naar de algemene bevindingen van het Bureau Land en Taal ten aanzien van de als AC-1 geduide anonieme deskundige Somalisch, de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om de deskundigheid van de opsteller van de contra-expertise nader te onderbouwen.

In reactie hierop heeft de vreemdeling bij brief van 4 november 2010 gesteld dat het COa met het eerder overgelegde geanonimiseerde CV van de opsteller van de contra-expertise over voldoende informatie beschikt om een besluit op de aanvraag te nemen, nu daaruit blijkt dat de opsteller van de contra-expertise over de juiste kennis en deskundigheid beschikt.

In het besluit van 26 november 2010 heeft het COa zich op het standpunt gesteld dat met het overleggen van het geanonimiseerde CV van de opsteller van de contra-expertise diens deskundigheid en onafhankelijkheid niet is aangetoond en dat het daarom de kosten voor het opstellen van een contra-expertise niet vergoedt.

1.2. Uit 1.1 volgt dat het COa de vreemdeling in de gelegenheid heeft gesteld om de deskundigheid van de opsteller van de contra-expertise te staven. Voor dit geval heeft de Afdeling de in de grief opgeworpen rechtsvraag reeds beantwoord in de uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201112376/1/v1 (pdf, 217 kB). Uit die uitspraak, waar de Afdeling bij blijft, volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het COa het besluit van 26 november 2010 in zoverre ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

2. Hetgeen het COa als eerste grief heeft aangevoerd met betrekking tot de aanvullende bandopname en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, in zoverre met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het inleidende beroep ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 1 juli 2011 in zaak nr. 10/41162;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013

32-688.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon