Uitspraak 200410273/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:15
- Datum uitspraak
- 28 april 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 oktober 2004 is [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200410273/1.
Datum uitspraak: 28 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar, van 8 december 2004 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2004 is [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 december 2004, verzonden op 9 december 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, wijziging van de tenuitvoerlegging van de bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 3 januari 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Desgevraagd heeft de minister bij brieven van 3 en 8 maart 2005 nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2005, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te ‘s-Gravenhage, is verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten. Bij brief van 16 maart 2005 heeft deze dat gedaan. Bij brief van 23 maart 2005 heeft de vreemdeling hierop gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de eerste grief klaagt de minister dat - samengevat weergegeven - de rechtbank, door de klacht van de vreemdeling over de duur van de dagelijkse insluiting in de cel in het huis van bewaring te honoreren, heeft miskend dat ingevolge de artikelen 60 en 69 van de Penitentiaire Beginselenwet voor dergelijke klachten een de rechter in vreemdelingenzaken uitsluitende rechtsgang openstaat bij de beklagcommissie van de commissie van toezicht van het Detentiecentrum Zeist en de beroepscommissie van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.
2.1.1. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voorzover thans van belang, verklaart de rechtbank het beroep gegrond, indien zij van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
2.1.2. Bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring in de zin van deze bepaling dient de rechtbank zich te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. Voorzover de desbetreffende vreemdeling over de toepassing van het regime binnen die plaats of ruimte klaagt, kan die klacht niet tot gegrondbevinding van het beroep leiden.
2.1.3. Aangezien de klacht van de vreemdeling over de duur van de insluiting in de cel uitsluitend betrekking heeft op de toepassing van het regime binnen het huis van bewaring, heeft de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond verklaard. De grief slaagt.
2.2. Het hoger beroep is gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
2.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat de rechtbank de bij haar voorgedragen beroepsgrond dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Nu de vreemdeling daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, komt de Afdeling aan een oordeel daarover niet toe. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar, van 8 december 2004 in zaak nr. AWB 04/48150;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Hazen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005
347-452.