Uitspraak 200301081/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:AL4908
- Datum uitspraak
- 16 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant sub 1] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200301081/1.
Datum uitspraak: 16 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1],
2. de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 7 februari 2003 in het geding tussen:
appellant sub 1
en
appellant sub 2.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant sub 1] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 februari 2003, verzonden op 13 februari 2003, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben zowel de vreemdeling als de minister bij brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 20 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 februari 2003 heeft de minister een reactie op het hoger-beroepschrift van de vreemdeling ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In zijn reactie van 26 februari 2003 betoogt de minister dat het hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk is, aangezien deze daarbij geen procesbelang heeft. Dat betoog faalt. Weliswaar strekt de aangevallen uitspraak tot gegrondverklaring van het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep en tot vernietiging van het bestreden besluit, doch de minister zal opnieuw op de aanvraag van de vreemdeling moeten beslissen. Daarbij kan de minister teruggrijpen op overwegingen uit het vernietigde besluit waaromtrent de rechtbank heeft geoordeeld dat ze de toetsing in rechte kunnen doorstaan. De vreemdeling heeft er dus belang bij om zijn door de rechtbank verworpen argumenten in hoger beroep aan de orde te stellen.
2.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.
Ingevolge dat artikel, tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.
2.3. In zijn enige grief klaagt de vreemdeling dat - samengevat weergegeven - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister in redelijkheid het ontbreken van een paspoort en originele reisdocumenten op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 bij de beoordeling van zijn aanvraag heeft kunnen betrekken. Daartoe voert hij aan dat het ontbreken van voormelde bescheiden niet aan hem is toe te rekenen, omdat deze tijdens zijn vlucht naar Nederland of op Schiphol zijn gestolen. Voorts betoogt hij dat deze bescheiden niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, nu hij ter staving van zijn identiteit verschillende documenten, waaronder een nationale identiteitskaart, heeft overgelegd en zich in het dossier gegevens van de luchtvaartmaatschappij bevinden met betrekking tot zijn reisroute, waaronder een kopie van zijn vliegticket. Beoordelingsvrijheid van de minister bij de vaststelling welke documenten overgelegd dienen te worden, verdraagt zich niet met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus de vreemdeling.
2.3.1. Die grief faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 oktober 2002 in zaak nr. 200204638/1, gepubliceerd in JV 2003/2), is het aan de minister om te bepalen welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en ter onderbouwing daarvan hadden kunnen en moeten worden overgelegd. De omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn identiteit verscheidene documenten heeft overgelegd en dat via een onderzoek van de Koninklijke Marechaussee bij de desbetreffende luchtvaartmaatschappij kopieën van de reisdocumenten zijn achterhaald, die de verklaringen van de vreemdeling omtrent zijn reisroute bevestigen, laat onverlet dat de minister het niet overleggen van essentiële documenten als een paspoort en de originele reisdocumenten aan de vreemdeling heeft kunnen toerekenen, nu deze die bescheiden volgens eigen zeggen wel in zijn bezit heeft gehad en daarvan voor zijn vlucht van Japan naar Nederland gebruik heeft gemaakt. Dat de bescheiden nadien, zoals de vreemdeling stelt, gestolen zijn, heeft de minister, gelet op de verklaringen van de vreemdeling daaromtrent, niet aannemelijk hoeven achten. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de minister het zonder overtuigende verklaring niet overleggen van voormelde bescheiden op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid bij de beoordeling van de aanvraag van de vreemdeling, in het bijzonder van de geloofwaardigheid van diens relaas, heeft kunnen betrekken.
2.4. Het hoger beroep van de vreemdeling is derhalve kennelijk ongegrond.
2.5. In grief 1 klaagt de minister dat - samengevat weergegeven - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is. De rechtbank heeft, nu zij heeft overwogen dat de minister het niet overleggen van een paspoort en originele reisdocumenten in redelijkheid op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 bij de beoordeling van de aanvraag van de vreemdeling heeft kunnen betrekken, miskend dat in zo een geval van het asielrelaas van de vreemdeling een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan en heeft de geconstateerde ongerijmdheden en vaagheden ten onrechte geïsoleerd beoordeeld, aldus de minister.
2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 9 juli 2002 (in zaak nr. 200202328/1; gepubliceerd in JV 2002/275 en NAV 2002/234), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.
2.5.2. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 januari 2003 in zaak nr. 200206297/1 (gepubliceerd in JV 2003/103 en NAV 2003/100), mogen, indien aan een vreemdeling het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 mag worden tegengeworpen, ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 40/41) en de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, neergelegd in paragraaf C1/1 sub 2 en paragraaf C1/3 sub 2.2 en 3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, in het relaas, wil het geloofwaardig zijn, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. Bij de toepassing van dit beleid in een concreet geval komt de minister beoordelingsruimte toe.
2.5.3. In het bestreden besluit heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 1992 door het FARC systematisch is benaderd om illegale werkzaamheden voor hen te verrichten. Daartoe heeft de minister gemotiveerd uiteengezet dat de vreemdeling, die zijn relaas niet met enig bewijs heeft gestaafd, onvoldoende heeft kunnen verklaren hoe het FARC op de hoogte is geraakt van zijn terugkomst in Colombia nadat hij door de autoriteiten van de Verenigde Staten is uitgezet in 1995/1996 en weinig tot geen informatie heeft kunnen verschaffen aangaande de laatste opdracht die hij in juni 2002 van het FARC zou hebben gekregen. Bovendien heeft de minister de vreemdeling tegengeworpen dat hij zich niet eenduidig heeft uitgelaten op elementaire onderdelen van het relaas, namelijk over de gebeurtenissen in de periode van juni 2002 tot en met september 2002, met name over eventuele contacten met het FARC gedurende deze periode.
Gelet hierop, bestaat, hetgeen in rechtsoverweging 2.5.2. is overwogen in aanmerking genomen, geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is. De grief slaagt mitsdien.
2.6. Het hoger beroep van de minister is kennelijk gegrond. Grief 2 behoeft derhalve geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van de vreemdeling, gelet op het vooroverwogene, alsnog ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem van 7 februari 2003 in zaak nr. AWB 02/70511;
IV. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2003
32-359.