Uitspraak 201200544/2/R4


Volledige tekst

201200544/2/R4.
Datum uitspraak: 2 april 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], gemeente Westerveld,
verzoeker,

en

de raad van de gemeente Westerveld,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan Westerveld 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2012, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2012, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 maart 2012, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J.G. Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] voert aan dat de gronden waarop zijn snackkraam staat ten onrechte niet in het bestemmingsplan zijn opgenomen.

2.2.1. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

Op het perceel staat naast de mobiele snackkiosk van [verzoeker] ook een mobiele viskiosk, die eigendom is van een andere exploitant. De raad wenst, gelet op het kwetsbare, op een prominente plaats gelegen, perceel waarop de beide kiosken staan, een duurzame oplossing in de vorm van een vaste kiosk waarin beide exploitanten zich vestigen. Een mobiel verkooppunt en een gebouw op het perceel komt de ruimtelijke uitstraling volgens de raad niet ten goede. Beide exploitanten hebben geen overeenstemming kunnen bereiken. Daarom is de locatie niet in het bestemmingsplan opgenomen. Daarbij komt, aldus de raad, dat de grond waarop de kiosk van [verzoeker] staat eigendom is van de gemeente, terwijl [verzoeker] en de gemeente nog geen koopovereenkomst hebben gesloten.

Gelet hierop was het ten tijde van het bestreden besluit niet aannemelijk dat een kiosk voor beide exploitanten te realiseren was. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd bestaat naar het oordeel van de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.3. Volgens [verzoeker] is sprake van ongelijke behandeling, omdat het bestemmingsplan wel voorziet in bouwmogelijkheden voor een eendenverblijf.

2.3.1. Ten aanzien van de door [verzoeker] gemaakte vergelijking met de bouwmogelijkheid voor het eendenverblijf wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat in dat geval grond in eigendom is bij degene die het eendenverblijf wil bouwen. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [verzoeker] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.4. De bouwmogelijkheid voor het eendenverblijf is volgens [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd.

2.4.1. De raad voert aan dat de bouwmogelijkheden die in het bestemmingsplan "Diever 1985" waren opgenomen voor een dierenverblijf in het bestemmingsplan "Diever 2006" abusievelijk niet zijn opgenomen. In het onderhavige plan wordt dit hersteld.

2.4.2. De voorzitter is voorshands van oordeel dat het bestemmingsplan aldus voldoende is gemotiveerd.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bijleveld
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2012

433.