Uitspraak 200701912/3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:BU2801
- Datum uitspraak
- 31 mei 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Moordrecht (hierna: het college) verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast de zonder bouwvergunning gebouwde bouwwerken op het perceel aan de [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200701912/3.
Datum uitspraak: 31 mei 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te Moordrecht,
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht).
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Moordrecht (hierna: het college) verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast de zonder bouwvergunning gebouwde bouwwerken op het perceel aan de [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden.
Naar aanleiding van het door verzoeker daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 5 december 2006 zijn besluit van 29 maart 2005 voor wat betreft de "witte schuur" gehandhaafd en verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast deze schuur binnen drie maanden na verzending van het besluit op bezwaar te verwijderen.
Bij uitspraak van 5 maart 2007, no. AWB 06/10256, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 16 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Eveneens bij brief van 16 maart 2007, ook bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het college besloten om de tenuitvoerlegging van het handhavingsbesluit van 5 december 2006 op te schorten tot 4 weken na de uitspraak in de bodemprocedure.
Bij brief van 22 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken en heeft hij de Voorzitter verzocht om het college te veroordelen in de bij hem opgekomen kosten, gemaakt voor het verzoek om voorlopige voorziening.
Bij brief van 23 april 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter doet uitspraak zonder zitting.
2.2. Geen doel treft het verweer van het college dat verzoeker niet-ontvankelijk zou zijn in zijn verzoek omdat hij dat op een niet-bestaand wetsartikel heeft gebaseerd. Uit het verzoekschrift blijkt voldoende duidelijk waartoe het verzoek strekt.
2.3. Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, in geval van intrekking van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die wet worden veroordeeld.
2.4. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorziening-procedure dient de vraag of sprake is van "geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen" in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bezwaar- of (hoger)beroepsprocedure. Aldus wordt "geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen" in de zin van dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voorlopig opschort, dan wel de gevraagde voorlopig maatregel verricht, waardoor onevenredig nadeel wordt voorkomen. Van opschorting van het bestreden besluit is, gezien de inhoud van het besluit van het college van 20 maart 2007, sprake, zodat geheel aan verzoeker is tegemoet gekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
In de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van het besluit is opgeschort uit coulance, zoals het college in zijn verweerschrift aanvoert, is geen reden gelegen om van een proceskostenveroordeling af te zien, nu het voor verzoeker niet kenbaar was dat het college de tenuitvoerlegging van het besluit hangende het hoger beroep van verzoeker uit eigen beweging zou opschorten en er voor hem dus reden bestond een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.
2.5. Het verzoek dient als kennelijk gegrond op na te melden wijze te worden toegewezen.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Recht doende in naam der Koningin:
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moordrecht tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,-- (zegge: driehonderd tweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Moordrecht aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Schortinghuis
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007
66-560.