Uitspraak 200408471/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT3331
- Datum uitspraak
- 4 maart 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voorzover thans van belang, geweigerd appellante ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200408471/1.
Datum uitspraak: 4 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 17 september 2004 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voorzover thans van belang, geweigerd appellante ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 6 november 2002 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 september 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 november 2004 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De enige grief klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat appellante, hoezeer ook inmiddels meerderjarig, belang heeft bij een beoordeling van haar aanspraak op verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
2.1.1. De grief slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 oktober 2004 in zaak no. 200405161/1; JV 2004/481), kan de omstandigheid dat een vreemdeling, toen deze minderjarig was, aanspraak had op verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling van belang zijn voor de beoordeling van mogelijke aanspraak op verlening van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op de voet van artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Nu appellante ter zitting bij de rechtbank in verband met die bepaling heeft gesteld dat zij, voordat zij meerderjarig werd, hier te lande rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, heeft gehad, heeft de rechtbank het beroep ten onrechte wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk verklaard. Dat zij geen aanvraag om verlening van een vergunning op de voet van die bepaling had ingediend, maakt dat niet anders. Verlening van zodanige vergunning is niet uitgesloten door de enkele omstandigheid dat geen aanvraag is ingediend, voordat betrokkene meerderjarig is.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.3. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 17 september 2004 in zaak nr. AWB 02/90208;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van de bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 205,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Gastel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005
261-457.