Uitspraak 200405161/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AR5194
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voorzover thans van belang, geweigerd appellante ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200405161/1.
Datum uitspraak: 27 oktober 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 26 mei 2004 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voorzover thans van belang, geweigerd appellante ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen.
Bij besluit van 7 juni 2002 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 7 juli 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Appellante klaagt dat de rechtbank het beroep ten onrechte wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij inmiddels meerderjarig was geworden. Volgens appellante heeft de rechtbank aldus miskend dat zij belang kan ontlenen aan artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). Dat haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moest worden verleend, toen zij nog minderjarig was, kan van belang zijn voor de beoordeling van een aanspraak op verlening van een vergunning voor voortgezet verblijf, die zij op grond van die bepaling heeft gesteld, aldus appellante.
2.1.1. Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf, worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.
Ingevolge artikel 3.52 van het Vb 2000 kan, in andere gevallen dan vermeld in de artikelen 3.50 en 3.51, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf, worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van de minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.
2.1.2. Appellante heeft op 20 maart 2002 een aanvraag om verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Op 1 januari 2004 heeft zij de leeftijd van achttien jaar bereikt.
2.1.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante vóór het bereiken van die leeftijd nimmer drie jaar over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking alleenstaande minderjarige vreemdeling zou hebben beschikt, zodat aan haar evenmin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor voortgezet verblijf op de voet van artikel 3.51 van het Vb 2000 kan worden verleend. Voorts heeft zij met recht overwogen dat artikel 3.52 van het Vb 2000, mede gelet op de Nota van Toelichting bij die bepaling (Stb. 2000, 497, p. 129), geen steun biedt voor het oordeel dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen daarvan zijn uitgesloten, doch dat hetgeen bij dat artikel is bepaald moet worden beschouwd als een uitzondering op artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000.
Zij heeft evenwel ten onrechte overwogen dat appellante, nu zij meerderjarig was, geen belang meer had bij de beoordeling van haar beroep. Artikel 3.52 van het Vb 2000 schept voor de minister de bevoegdheid een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf te verlenen wegens bijzondere individuele omstandigheden. In de Nota van Toelichting (Stb. 2000, 497, p. 129) wordt vermeld dat het daarbij kan gaan om individuele gevallen, als ook om groepen gevallen. Dat daar vervolgens enige groepen worden vermeld, waarop de besluitgever in het bijzonder het oog had, sluit niet uit dat ook in andere gevallen zodanige vergunning kan worden verleend. Gegrondverklaring van het beroep zou er dan ook toe kunnen leiden dat aan appellante tot 1 januari 2004 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling zou worden verleend, zij op grond daarvan tot voormelde datum rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Vw 2000 zou hebben en dat die omstandigheid van belang is voor de beoordeling van een aanspraak op verlening van een verblijfsvergunning voortgezet verblijf die zij op grond van artikel 3.52 van het Vb 2000 heeft gesteld. De grieven slagen.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.3. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 26 mei 2004 in zaak nr. AWB 02/51395;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op € 322,00, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Huijben
Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004
313-430.