Uitspraak 200706124/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2008:3167
- Datum uitspraak
- 31 januari 2008
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de raad der gemeente Steenwijkerland (hierna: de raad) het verzoek van [wederpartij] om het toekennen van een planschadevergoeding afgewezen.
- Vereenvoudigde behandeling
- Schadevergoeding
Toon inhoud
200706124/2.
Datum uitspraak: 31 januari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
de raad der gemeente Steenwijkerland,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/86 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 juli 2007 in het geding tussen:
[wederpartij],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de raad der gemeente Steenwijkerland (hierna: de raad) het verzoek van [wederpartij] om het toekennen van een planschadevergoeding afgewezen.
Bij besluit van 12 december 2006 heeft de raad het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 juli 2007, verzonden op die datum, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
2. Overwegingen
2.1. De raad heeft de afwijzing van het verzoek om het toekennen van een planschadevergoeding gebaseerd op een op zijn verzoek uitgebracht advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ).
In dit advies is geconcludeerd dat [wederpartij] geen recht heeft op vergoeding van planschade, omdat hij ten tijde van het in werking treden van het schadeveroorzakende bestemmingsplan niet in een zakenrechtelijke rechtsbetrekking stond tot de zaak waaraan schade is geleden. Het feit dat [wederpartij] als erfgenaam de eigendom van die zaak na het in werking treden van dat bestemmingsplan onder algemene titel heeft verkregen, doet volgens de SAOZ aan deze conclusie niet af, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2004, in zaak nr. 200304840/1. Ook de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001, in zaak nr. 200100765/1 (AB 2001, 396) doet volgens de SAOZ aan deze conclusie niet af.
2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad ten onrechte stelt dat [wederpartij] niet in aanmerking kan komen voor een planschadevergoeding.
Daartoe heeft zij overwogen dat uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2004 niet kan worden afgeleid dat een erfgenaam uitsluitend als belanghebbende in de zin van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is aan te merken en tot het verzoek en de verkrijging daarop van een planschadevergoeding is gerechtigd, wanneer de erflater in een eerder stadium een verzoek om planschade heeft ingediend. Voorts heeft zij overwogen dat uit die uitspraak van de Afdeling niet kan worden afgeleid dat is gebroken met de jurisprudentielijn, gevolgd in onder meer voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001, dat in geval van verkrijging onder algemene titel, anders dan bij verkrijging onder bijzondere titel, geen grond bestaat voor beperking van schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO wegens voorzienbaarheid van de planologische verslechtering ten tijde van de eigendomsverkrijging.
2.3. In hoger beroep betoogt de raad dat de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan voormelde uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2004 en 26 september 2001 en dat zij ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] in aanmerking kan komen voor een planschadevergoeding.
2.4. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 januari 2008, in zaak nr. 200704454/2; aangehecht) volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2004 niet dat erfgenamen slechts in aanmerking komen voor vergoeding van planschade indien zij op het moment dat het schadeveroorzakende bestemmingsplan rechtskracht verkreeg, een zakelijk recht hadden op het perceel waarop het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, volgt uit voormelde uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2004 en 26 september 2001 niet dat erfgenamen slechts in aanmerking komen voor vergoeding van planschade indien de erflater reeds een verzoek om vergoeding van planschade heeft ingediend. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat niet is gebroken met de jurisprudentielijn dat in geval van eigendomsverkrijging onder algemene titel door vererving, anders dan bij verkrijging onder bijzondere titel, geen grond bestaat voor beperking van schadevergoeding wegens voorzienbaarheid van de planologische verslechtering ten tijde van de eigendomsverkrijging, indien vaststaat dat er voor de erflater geen sprake was van voorzienbaarheid van de planologische verslechtering.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. bepaalt dat van de gemeente Steenwijkerland een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Rop
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2008
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
417.