Uitspraak 200603569/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AZ0871
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200603569/1.
Datum uitspraak: 12 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/49902 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 april 2006 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 13 april 2006, verzonden op 14 april 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij besluit van 15 mei 2006 heeft de minister de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.
Bij brieven van 22 en 29 mei 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Bij brief van 24 mei 2006 heeft de minister meegedeeld dat hij zijn hoger beroep handhaaft.
Bij brief van 28 augustus 2006 heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2006, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.W. Costermans, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Anders dan de vreemdeling heeft betoogd brengt de omstandigheid dat de grief van de minister gericht is tegen verschillende rechtsoverwegingen niet met zich dat deze onvoldoende is gespecificeerd. Het is duidelijk tegen welke onderdelen van de uitspraak de grief zich richt en op welke gronden de minister zich niet met die onderdelen kan verenigen.
Het bepaalde in artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) staat mitsdien niet aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de weg.
2.2. De vreemdeling voert aan dat de minister geen processueel belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van de uitspraak van de rechtbank van 13 april 2006, nu de minister haar bij besluit van 15 mei 2006 alsnog de gevraagde vergunning heeft verleend.
Zoals volgt uit eerdere jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 21 september 2005 in zaak no. 200502852/1, JV 2005/433), worden de aangevallen uitspraak van de rechtbank en het nadere besluit waarmee een bestuursorgaan heeft beoogd gevolg te geven aan die uitspraak, aan het oordeel van de Afdeling onderworpen. Nu uit het besluit van 15 mei 2006 blijkt dat dit er toe strekt gevolg te geven aan de uitspraak van 13 april 2006, is het processueel belang van de minister gegeven.
2.3. In de grief klaagt de minister onder meer dat de rechtbank, door te oordelen dat de vreemdeling in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten in Colombia ten dele niet bereid en ten dele niet in staat waren haar bescherming te bieden tegen de bedreigingen door de guerrillabeweging FARC, heeft miskend dat de vreemdeling heeft verklaard de autoriteiten niet te hebben ingelicht over het telefoontje dat zij kreeg in verband met de aanslag op een vriend van de universiteit en de ontvoering van haar dochter. Zij heeft alleen aangifte gedaan van de twee keer dat zij werd lastig gevallen door personen met bivakmutsen. De vreemdeling heeft de autoriteiten dan ook niet in staat gesteld de ernst van de bedreigingen te beoordelen. Voorts heeft de politie haar geïnformeerd over de mogelijkheden haar te beschermen in Palmira naar aanleiding van de bedreigingen aldaar. Indien de vreemdeling van mening was dat de reactie van het Openbaar Ministerie in Cartago niet adequaat was, kon zij zich tot andere of hogere autoriteiten wenden, hetgeen zij heeft nagelaten.
2.3.1. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling aangifte heeft gedaan bij de politie van Palmira, haar woonplaats, en van Cartago, de plaats waarnaar zij was uitgeweken, en bij het Openbaar Ministerie te Cartago. De politie in Palmira was wel bereid bescherming te bieden door middel van korte huisbezoeken. Deze bescherming kan volgens de rechtbank niet als effectief worden aangemerkt tegen de concrete en herhaalde, met fysiek geweld - waaronder de kortdurende ontvoering van de dochter - gepaard gaande doodsbedreigingen door de FARC. Bovendien behoort de vreemdeling tot een risicogroep als bedoeld in het ambtsbericht van 19 januari 2005 en plegen bedreigingen als hier aan de orde met regelmaat te worden uitgevoerd. De politie in Cartago was niet bereid bescherming te bieden. Niet gebleken is dat het Openbaar Ministerie te Cartago een onderzoek heeft gestart, zodat het standpunt van de minister dat dit onderzoek had moeten worden afgewacht niet kan worden gevolgd. Niet zonder meer kan worden gesteld dat het Openbaar Ministerie bereid was om bescherming te bieden.
2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2002 in zaak no. 200202206/1; JV 2002/306), mag van een vreemdeling worden gevergd dat hij zich, alvorens hij zijn land van herkomst verlaat om hier te lande bescherming te zoeken, tot de autoriteiten van dat land wendt om bescherming te krijgen, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos zou zijn geweest. Indien dit laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van de autoriteiten aannemelijk maken dat de autoriteiten van het land van herkomst niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
2.3.3. Volgens paragraaf 4.5 van het in onderdeel C8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 opgenomen asielbeleid ten aanzien van Colombia dienen asielzoekers die stellen te vrezen voor vervolging door één van de strijdende partijen aannemelijk te maken dat zij niet in aanmerking komen voor bescherming dan wel dat effectieve bescherming in hun geval niet mogelijk is. Daarbij kan in beginsel worden verwacht dat asielzoekers die aangifte van hun problemen doen bij de autoriteiten de reactie van de autoriteiten op deze aangifte afwachten. Personen die aangifte doen en direct zonder enige reactie af te wachten Colombia verlaten dienen aannemelijk te maken waarom het niet mogelijk was de reactie van de autoriteiten af te wachten. Indien asielzoekers niet aannemelijk kunnen maken dat in hun geval geen bescherming kan worden geboden bestaat geen aanleiding een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 van de Vw 2000 te verlenen.
Volgens paragraaf 3.1 kunnen leden van sociale bewegingen, intellectuelen en (lokale) politici in Colombia een verhoogd risico lopen op vervolging door met name de guerrillabewegingen en de paramilitairen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan mensenrechtenactivisten, vakbondsleiders, onderwijzers, journalisten en gerechtelijke onderzoekers. Indien asielzoekers behorende tot een van deze groepen aannemelijk maken dat zij vanwege hun (vermeende) activiteiten vervolging vrezen en geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten kunnen zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.
2.3.4. Niet in geschil is dat de vreemdeling op 19 februari 2004 bij de politie aangifte heeft gedaan van doodsbedreigingen door de FARC. Aan haar is op 26 februari 2004 een ultimatum van een maand gesteld om zich alsnog bij de FARC aan te sluiten. In maart 2004 ontving de vreemdeling een brief van de politie waarin stond dat zij geen bescherming kon krijgen omdat zij in Cartago woonde; indien zij terug zou keren naar Palmira zou zij wel bescherming kunnen krijgen, bestaande uit korte huisbezoeken van de politie. Op 22 maart 2004 heeft de vreemdeling bij het Openbaar Ministerie in Cartago aangifte gedaan. Op dezelfde dag heeft zij Colombia verlaten.
2.3.5. Volgens het hierboven weergegeven asielbeleid ten aanzien van Colombia dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat haar geen effectieve bescherming kan worden geboden, ook als zij tot een risicogroep zou behoren. De algehele situatie in Colombia, zoals deze blijkt uit het algemeen ambtsbericht van 19 januari 2005, is bij dit beleid betrokken.
Vaststaat dat de vreemdeling naar aanleiding van haar aangifte bescherming is aangeboden door de politie van Palmira. Dat deze bescherming in haar geval niet effectief zou zijn geweest dan wel dat in haar geval niet alsnog effectieve maatregelen konden worden getroffen heeft de minister niet aannemelijk gemaakt hoeven achten, nu de vreemdeling niet van de geboden bescherming gebruik heeft gemaakt, maar Colombia heeft verlaten.
De minister heeft mitsdien op goede gronden geoordeeld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.
De grief slaagt.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.
Gelet op het vorenoverwogene, zal de Afdeling, nu het in beroep aangevoerde geen aanleiding geeft voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 20 oktober 2004 alsnog ongegrond verklaren.
2.5. Het besluit van de minister van 15 mei 2006 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Afdeling zal dit besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrekken.
Uit het voorgaande volgt dat aan het besluit van 15 mei 2006 de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 april 2006 in zaak no. AWB 04/49902;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van 15 mei 2006 gegrond;
V. vernietigt dat besluit.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. De Groot
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2006
210