Uitspraak 200604063/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AZ1590
- Datum uitspraak
- 24 oktober 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 december 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200604063/1.
Datum uitspraak: 24 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/45893 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 4 mei 2006 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 16 juni 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.
Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.
Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).
2.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 108-109) moet worden afgeleid dat de in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 neergelegde bevoegdheid discretionair van aard en beperkt van omvang is. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door wet- en regelgever niet zijn voorzien. Volgens een brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 19 september 1997 (Kamerstukken II 1997-1998, 24 544, nr. 16, p. 1) is voorts als beleidsuitgangspunt gekozen dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd.
2.3. De minister klaagt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank in reactie op het betoog van de vreemdeling over de onveilige situatie in Somalië ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op het ontbreken van een sociaal vangnet voor de vreemdeling van de kant van leden van dezelfde clan of minderheid, hij niet in redelijkheid zonder nadere motivering heeft kunnen besluiten dat in het geval van de vreemdeling geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op basis waarvan het van een bijzondere hardheid zou getuigen onverkort aan het mvv-vereiste vast te houden.
2.3.1. Door zoals hierboven aangegeven te overwegen en in dit verband betekenis toe te kennen aan het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de algemene situatie in Somalië van mei 2005, heeft de rechtbank miskend dat deze omstandigheden, zoals de minister terecht betoogt, niet nopen tot toepassing van de hardheidsclausule. Daartoe wordt overwogen dat uit het systeem van de Vw 2000 volgt dat een beroep op de algemene situatie in het land van herkomst, zoals hier gedaan, dient te worden beoordeeld in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Met deze overweging heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat zij tevens heeft overwogen dat terugkeer naar één van de naburige landen om daar een mvv aan te vragen mogelijk is.
De grief slaagt.
2.4. Grief 2 mist zelfstandige betekenis.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2005 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
2.5.1. Voor zover de vreemdeling in beroep heeft betoogd dat terugkeer naar Somalië om daar een mvv aan te vragen, gelet op het voor dat land geldende beleid van categoriale bescherming gevaarlijk is en mogelijk een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) oplevert, overweegt de Afdeling dat hetgeen zij in dat kader naar voren heeft gebracht, niet kan leiden tot het met dat betoog beoogde doel, reeds omdat terugkeer naar dat land voor het aanvragen van een mvv niet noodzakelijk is, aangezien het volgens de minister - naar in beroep onvoldoende gemotiveerd is bestreden - voor haar ook mogelijk is om in één van de naburige landen van Somalië een mvv aan te vragen. De enkele stelling van de vreemdeling dat zij in die landen evenmin een sociaal vangnet heeft, maakt dit niet anders. Niet valt in te zien dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling gelet op haar leeftijd in staat kan worden geacht zich zelfstandig staande te houden tijdens haar tijdelijke verblijf in het buitenland.
2.5.2. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat vasthouden aan het mvv-vereiste in haar geval strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM.
Ook dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 oktober 2004 in zaak no. 200403858/1, JV 2004/436), is bij de beantwoording van de vraag of het niet voldoen aan het mvv-vereiste kan worden tegengeworpen geen ruimte voor toepassing van deze verdragsbepaling, doch dient in het kader van de behandeling van een aanvraag om verlening van een mvv te worden onderzocht of de verdragsbepaling tot toelating noopt, indien daartoe anderszins geen aanleiding bestaat.
2.5.3. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.
2.6. Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling het door de vreemdeling tegen het besluit van 4 oktober 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 4 mei 2006 in zaak no. AWB 05/45893;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006
309-485.