Uitspraak 200602661/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AY9476
- Datum uitspraak
- 18 september 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 september 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellant ongewenst verklaard.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200602661/1.
Datum uitspraak: 18 september 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/33603 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 maart 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellant ongewenst verklaard.
Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 10 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 april 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
In het kader van de toepassing van de artikelen 8:29 en 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 87 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de WIV 2002), heeft appellant de Afdeling desgevraagd bij brief van 10 augustus 2006 toestemming verleend om uitspraak mede te doen op grondslag van de onderliggende stukken van de ambtsberichten van 14 juli 2004 en 22 april 2002, waarvan hij geen kennis kan nemen. De minister heeft evenbedoelde toestemming verleend bij brief van 14 augustus 2006. Op 1 september 2006 heeft de Afdeling inzage gehad in de desbetreffende stukken.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard, indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l van deze wet.
Ingevolge die aanhef en onder e kan een vreemdeling in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard.
Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005 in zaak no. 200500640/1 (JV 2005/326) in rechte onaantastbaar.
De minister heeft zich in het besluit van 31 augustus 2005 op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, appellant een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Aan dit standpunt heeft hij een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 14 juli 2004 (hierna: het ambtsbericht) ten grondslag gelegd.
2.2. In grief 1 klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door te overwegen dat de term 'nationale veiligheid' geen voorafgaande nadere concretisering behoeft, heeft miskend dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 20 juni 2002 in de zaak Al Nashif tegen Bulgarije (JV 2002/239), niet de conclusie kan worden getrokken dat het begrip 'nationale veiligheid' in het geheel niet hoeft te worden gedefinieerd, nu in de Bulgaarse regelgeving is opgenomen, binnen welk kader de nationale veiligheid mogelijk in het geding is en daarom voor Al Nashif - anders dan voor hemzelf - voorzienbaar was dat zijn gedrag onder 'gevaar voor de nationale veiligheid' zou vallen.
2.2.1. Dat in de Bulgaarse regelgeving, naar gesteld, is opgenomen, binnen welk kader de nationale veiligheid mogelijk in het geding is, leidt niet tot de conclusie dat uit voormeld arrest moet worden afgeleid dat het EHRM een dergelijk kader vereist om aan het in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) besloten vereiste van 'foreseeability of the law' te voldoen. Het arrest van het EHRM van 8 juni 2006 in de zaak Lupsa tegen Roemenië (EHRC 2006/98) geeft voor een dergelijke conclusie evenmin aanleiding. Het Hof heeft in dit arrest, voor zover thans van belang, overwogen dat "in the particular context of measures affecting national security, the requirement of foreseeability cannot be the same as in many other fields" en "Threats to national security vary in character and time and are therefore difficult to define in advance.". Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de term 'nationale veiligheid' geen voorafgaande nadere concretisering behoeft.
Grief 1 faalt.
2.3. In de grieven 2 en 3, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door te overwegen dat de minister in redelijkheid zonder nader onderzoek het ambtsbericht aan het bij haar bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen en daarom dat besluit niet in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen, heeft miskend dat de minister tijdens de bestuurlijke voorfase tot nader onderzoek gehouden was, omdat het ambtshalve karakter van het besluit tot ongewenstverklaring met zich brengt dat de bewijslast in het geheel bij de minister ligt, het een belastend besluit betreft met ingrijpende gevolgen, het besluit slechts is gestoeld op het ambtsbericht en de WIV 2002 het voor appellant onmogelijk maakt kennis te nemen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken. Voorts is de omstandigheid dat de rechtbank aanleiding heeft gezien om op de voet van artikel 8:45 van de Awb van de onderliggende stukken kennis te nemen volgens appellant niet te verenigen met haar oordeel dat de minster van nader onderzoek mocht afzien en valt volgens appellant niet in te zien, waarom de minister in dit geval geen nader onderzoek heeft gedaan, terwijl individuele ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken beleidsmatig door hem wel aan nader onderzoek worden onderworpen.
2.3.1. Het ambtsbericht luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
"Uit onderzoek van de AIVD is naar voren gekomen dat [appellant] alias A. alias B. geboren op […] te […] opnieuw het voornemen heeft om op gewelddadige jihad te gaan. Onder gewelddadige jihad wordt door de AIVD verstaan de gewapende strijd in al haar vormen tegen alle vijanden van de islam. Betrokkene is op 12 juni 2002 aangehouden geweest na het uitbrengen van een ambtsbericht door de AIVD (kenmerk […] van 22 april 2002) aan de Landelijk Officier Terreurbestrijding waarin hij aangeduid werd als lid van een netwerk dat zich met name bezighield met het materieel, financieel, en logistiek ondersteunen en met het propageren, plannen en daadwerkelijk aanwenden van geweld ten behoeve van de internationale, gewelddadige jihad. Dit heeft geleid tot een rechtszaak in mei/juni 2003 waarbij betrokkene vrijgesproken is. Het Openbaar Ministerie heeft het voornemen om in hoger beroep tegen deze uitspraak te gaan. Betrokkene trachtte in februari 2004 naar Turkije te reizen via Duitsland ten behoeve van de gewelddadige jihad met als uiteindelijk doel Irak. In Turkije werd hij aangehouden en teruggestuurd naar Duitsland alwaar hij tot 15 juli 2004 in vreemdelingendetentie zal zitten. Op 15 juli 2004 zal hij door de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten worden overgedragen. Gebleken is dat de aanhouding van [appellant] bij hem niet heeft geleid tot andere opvattingen van, in zijn ogen, de islamitische plicht tot actieve deelname aan de gewelddadige jihad. De AIVD beschouwt betrokkene als een gevaar voor de nationale veiligheid.".
2.3.2. Uit het ambtsbericht blijkt aldus op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze, welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie dat appellant een gevaar voor de nationale veiligheid oplevert ten grondslag heeft gelegd, in het bijzonder het voornemen deel te nemen aan de gewelddadige jihad in Irak. Deze conclusie is niet onbegrijpelijk, zonder nadere toelichting. Vermelding van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende bron, dan wel bronnen, moest achterwege blijven vanwege de vertrouwelijkheid ervan. Het bood appellant echter voldoende aanknopingspunten om, indien daartoe aanleiding bestond, op het gestelde daarin in te gaan en aan te tonen dat het geheel of gedeeltelijk onjuiste of onvolledige feiten vermeldt.
Hetgeen appellant tegen de conclusie van het ambtsbericht heeft ingebracht, kan niet worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid hiervan. De minister mocht het ambtsbericht derhalve zonder nader onderzoek van de achterliggende stukken aan het besluit van 31 augustus 2005 ten grondslag leggen. Gelet op de aan de rechter bij wet toegekende bevoegdheden, doet hieraan niet af dat de rechtbank de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken op de voet van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb heeft ingezien. Dat de minister, naar gesteld, bij individuele ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken nader onderzoek van de achterliggende stukken pleegt te verrichten, verplichtte hem niet om dat in dit geval ook te doen.
Na kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, ziet de Afdeling evenmin als de rechtbank grond voor het oordeel dat het onderzoek waarop het ambtsbericht is gebaseerd onvoldoende zorgvuldig is geweest, dan wel de conclusie van het ambtsbericht niet kan dragen. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beslissing op bezwaar niet in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen.
De grieven 2 en 3 falen.
2.4. In grief 4 klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door geen schending van artikel 13 van het EVRM, gelezen in samenhang met artikel 3 van het EVRM, aan te nemen, nu hij, noch een derde persoon namens hem, van de stukken die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen kennis heeft kunnen nemen, heeft miskend dat niet is voldaan aan het uit voormeld arrest van het EHRM in de zaak Al Nashif tegen Bulgarije en het arrest van het EHRM van 1 maart 2005 in de zaak Haliti tegen Zwitserland (JV 2005/373) voortvloeiende vereiste van 'adversarial proceedings'.
2.4.1. De Afdeling heeft, evenals de rechtbank, met de procedure van artikel 8:29 van de Awb de mogelijkheid de niet aan appellant ter kennis gebrachte onderliggende stukken van het ambtsbericht in te zien en aldus de door de minister gemaakte afweging op basis van die stukken te beoordelen. Van deze mogelijkheid heeft de Afdeling - evenals de rechtbank - gebruik gemaakt. Uit voormelde arresten van het EHRM is niet af te leiden dat slechts sprake is van 'adversarial proceedings' in evenbedoelde zin, wanneer appellant de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken mag inzien, dan wel een derde voor hem in de gelegenheid wordt gesteld om op de feitelijke bevindingen van de rechter, na kennisneming van die stukken alleen door hem, te reageren. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte artikel 13 van het EVRM, gelezen in samenhang met artikel 3 van het EVRM, niet geschonden heeft geacht.
Ook grief 4 faalt.
2.5. In grief 5 klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat zich sinds de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005, waaruit volgt dat de minister door appellant niet aannemelijk gemaakt heeft hoeven achten dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die tot een andere conclusie leiden en de op 15 juli 2005 door de president van het EHRM getroffen 'interim measure' niet als zodanig kan worden aangemerkt. Hiertoe voert hij aan dat het EHRM zich nog geen eindoordeel heeft gevormd over de vraag of appellant bij terugkeer naar Algerije evenbedoeld risico loopt, een schending van voormelde bepaling dus niet op voorhand kan worden uitgesloten en voormelde uitspraak van de Afdeling daarom niet kan worden aangemerkt als het definitieve oordeel daarover.
2.5.1. Uit de getroffen maatregel kan niet worden afgeleid dat appellant bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Nu de 'interim measure' slechts een tijdelijke belemmering voor eventuele uitzetting van appellant naar Algerije vormt, heeft de rechtbank daarin terecht geen reden gezien om het in voormelde uitspraak van de Afdeling gegeven oordeel dat met de weigering appellant een verblijfsvergunning asiel te verlenen geen sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling niet te volgen.
Grief 5 faalt in zoverre.
2.6. In het tweede onderdeel van grief 5 klaagt appellant voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat zij de stelling van appellant dat de ongewenstverklaring zich niet met de getroffen 'interim measure' laat verenigen niet volgt, omdat thans niet vooruit kan worden gelopen op het oordeel van het EHRM, heeft miskend dat de getroffen 'interim measure' de rechtsgevolgen van artikel 45 van de Vw 2000 heeft opgeschort en hij Nederland dus niet hoeft te verlaten, terwijl de ongewenstverklaring hem het recht om in Nederland te verblijven op straffe van strafrechtelijke vervolging ontneemt.
2.6.1. Reeds als gevolg van de in rechte onaantastbare weigering om appellant een verblijfsvergunning asiel te verlenen, vóór zijn ongewenstverklaring, rustte op appellant de rechtsplicht om Nederland eigener beweging te verlaten. De getroffen 'interim measure' heeft dit en de andere in artikel 45 van de Vw 2000 voorziene rechtsgevolgen van die weigering niet ongedaan gemaakt of opgeschort. De 'interim measure' staat slechts tijdelijk in de weg aan de uitzetting van appellant naar Algerije. In zoverre heeft de ongewenstverklaring geen verder strekkende gevolgen, dan evenbedoelde weigering. De vraag, hoe de strafrechtelijke consequenties van de ongewenstverklaring zich verhouden tot de omstandigheid dat appellant gedurende het voortduren van de 'interim measure' niet naar Algerije zal worden uitgezet, dient in geval van vervolging deswege door het openbaar ministerie en de strafrechter te worden beantwoord.
Ook dit onderdeel van grief 5 faalt.
2.7. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2006
32-491.