Uitspraak 200603935/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AY7694
- Datum uitspraak
- 31 augustus 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 april 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200603935/1.
Datum uitspraak: 31 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/20674 en 06/20672 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 22 mei 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 april 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 6 juni 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Appellant klaagt dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2004/60 (hierna: het WBV 2004/60) geen voor hem relevante wijziging van het recht is, heeft miskend dat zijn aanvraag van 21 april 2006 geen herhaalde is.
2.1.1. Appellant heeft eerder, op 27 oktober 1999, om toelating als vluchteling verzocht. Bij besluit van 25 juli 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie deze aanvraag afgewezen, doch aan hem een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend, omdat zijn verwijdering van bijzondere hardheid zou getuigen in verband met de algehele situatie in Afghanistan.
Op 27 september 2002 heeft appellant een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 27 november 2003 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, welke afwijzing met de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 12 januari 2005 in rechte onaantastbaar is geworden.
Op 21 april 2006 heeft appellant de bij besluit van 27 april 2006 afgewezen aanvraag ingediend.
2.1.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.
Ingevolge artikel 33, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.
2.1.3. Door te overwegen dat het WBV 2004/60 geen voor appellant relevante wijziging van het recht is en zijn aanvraag derhalve een herhaalde is, is de voorzieningenrechter er ten onrechte aan voorbij gegaan dat, reeds omdat de wettelijke grondslag om op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te beslissen een andere is dan die om op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te beslissen, de aanvraag van 21 april 2006, ten opzichte van die van 27 september 2002, geen herhaalde is, waarvoor het in de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2003 in zaak no. 200206882/1 (AB 2003, 315) uiteengezette toetsingskader geldt. De vraag of sprake is van een relevante wijziging van het recht, komt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2006 in zaak no. 200506456/1, aangehecht ter voorlichting van partijen) eerst aan de orde, indien en voor zover sprake is van een herhaalde aanvraag.
2.1.4. Het besluit van 25 juli 2000 kan, reeds omdat appellant daaraan een verblijfsstatus ontleent, niet worden aangemerkt als een afwijzende beschikking, zodat de aanvraag van 21 april 2006 in dat opzicht evenmin als een herhaalde kan worden aangemerkt.
2.1.5. Uit het vorenstaande volgt dat appellant terecht betoogt dat de voorzieningenrechter de aanvraag van 21 april 2006 ten onrechte als een herhaalde heeft aangemerkt. De grief slaagt in zoverre.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het volgende overwogen.
2.3. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat de minister de beslissing dat ten aanzien van Sikhs en Hindoes afkomstig uit Afghanistan geen categoriaal beschermingsbeleid wordt gevoerd, onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.
2.3.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.
2.3.2. Naar aanleiding van het recentste ambtsbericht ten aanzien van Afghanistan, heeft de minister - onder verwijzing naar het beleid van de ons omringende landen - bij brief van 20 maart 2006 (TK 2005-2006, 19 637, nr. 1029) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bericht dat hij, hoewel de algehele veiligheidssituatie in Afghanistan zorgwekkend is, geen categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers voert. Gegeven de ruime beoordelingsmarge die de minister volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder andere uitspraak van 8 november 2001 in zaak no. 200104464/1; JV 2002/12) toekomt bij de beoordeling van de vraag of een asielzoeker voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in aanmerking komt, levert het in beroep aangevoerde geen grond op voor het oordeel dat hij hiertoe in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 22 mei 2006 zaak no. AWB 06/20672;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Loon
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006
284-502.