Uitspraak 200604072/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:BB1187
- Datum uitspraak
- 28 juni 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 mei 2006 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
200604072/1.
Datum uitspraak: 28 juni 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de vreemdeling, aangeduid met nummer […],
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/23382 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 mei 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2006 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 30 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij daarbij de Afdeling verzocht haar schadevergoeding toe te kennen
Bij brief van 9 juni 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang, dient een beroepschrift de naam van de indiener te bevatten.
Ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van deze wet, voor zover thans van belang, is de afdeling, waartoe artikel 6:5 behoort, van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.
Ingevolge artikel 85, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, wordt, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.
2.2. Appellante is de indiener van het hoger-beroepschrift in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dat geschrift moet derhalve ingevolge die bepaling haar naam bevatten. Aan dat vereiste is niet voldaan. Het aan haar toegekende nummer kan niet als haar naam worden aangemerkt.
2.3. Het hoger beroep is derhalve, gelet op voormeld artikel 85, derde lid, van de Vw 2000, kennelijk niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van Soest-Ahlers
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006
343-474.