Uitspraak 200602402/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AY6873
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 september 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellant ongewenst verklaard.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
English version
200602402/1.
Datum uitspraak: 7 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/28257 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 20 februari 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) appellant ongewenst verklaard.
Bij besluit van 27 mei 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 20 februari 2006, verzonden op 2 maart 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 14 april 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 2 en 3 betoogt appellant onder meer dat - samengevat weergegeven - de rechtbank, door te overwegen dat een vreemdeling, aan wie in verband met artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, een verblijfsvergunning is onthouden, maar die niet naar zijn land van herkomst kan worden uitgezet in verband met het risico van een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden strijdige behandeling, ongewenst kan worden verklaard, heeft miskend dat zodanige ongewenstverklaring disproportioneel is, omdat de betrokken vreemdeling hierdoor gedwongen wordt een strafbaar feit te plegen.
2.1.1. De rechtbank heeft met recht overwogen dat reeds als gevolg van de in rechte onaantastbare weigering om appellant een verblijfsvergunning asiel te verlenen, vóór zijn ongewenstverklaring op hem de rechtsplicht rustte om Nederland eigener beweging te verlaten. In de omstandigheid dat de minister in het besluit van 28 februari 2003, waarbij die weigering in bezwaar is gehandhaafd, te kennen heeft gegeven dat geen gedwongen verwijdering van appellant naar het land van herkomst zal plaatsvinden, is door zijn ongewenstverklaring geen verandering gekomen.
Zoals de rechtbank evenzeer met juistheid heeft overwogen, dient voorts de vraag hoe de strafrechtelijke consequenties van de ongewenstverklaring zich verhouden tot de omstandigheid dat appellant niet naar het land van zijn herkomst uitgezet zal worden, door het openbaar ministerie en de strafrechter te worden beantwoord.
2.1.2. De proportionaliteit van de ongewenstverklaring dient voor het overige beoordeeld te worden bij de individuele belangenafweging bij de beslissing over ongewenstverklaring van de desbetreffende vreemdeling. In hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister, die aan die belangenafweging in het besluit van 27 mei 2005 overwegingen heeft gewijd, appellant in redelijkheid niet ongewenst heeft kunnen verklaren.
De grieven 2 en 3 falen in zoverre.
2.2. Hetgeen overigens is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Beerse
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2006
310-470.