Uitspraak 200603757/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AZ2024
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200603757/1.
Datum uitspraak: 27 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/19584 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 april 2006 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 1 april 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 28 april 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 mei 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat uit artikel 21, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet volgt dat een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd slechts kan worden verleend, indien direct voorafgaand aan de aanvraag sprake is geweest van vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf en daarom ten onrechte niet is onderzocht of de door de vreemdeling in bezwaar gestelde omstandigheden aanleiding geven om van dat vereiste af te wijken, heeft miskend dat de bepaling geen ruimte biedt zodanige vergunning te verlenen, indien geen sprake is geweest van vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan de aanvraag. Dit betekent dat de rechtbank evenzeer ten onrechte heeft overwogen dat hij de vreemdeling ten onrechte niet op het door deze gemaakte bezwaar heeft gehoord, aldus de minister.
2.1.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren hier te lande rechtmatig verblijf heeft genoten, als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, dan wel l, slechts worden afgewezen op één van de onder a tot en met f van die bepaling vermelde gronden.
2.1.2. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-99, 26 732, nr. 3, p. 3) is gekozen voor een systeem van volgtijdelijke verblijfsvergunningen, waarbij achtereenvolgens een vergunning voor bepaalde tijd en, bij ongewijzigde omstandigheden, na drie jaar in geval van een verblijfsvergunning asiel of vijf jaar in geval van een verblijfsvergunning regulier een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend.
Uit deze geschiedenis (Nader rapport, Kamerstukken II, 1998-99, 26 732, A, p. 8 en 17) valt voorts af te leiden dat bedoeld is dat de desbetreffende vreemdeling eerst voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in aanmerking komt, indien direct voorafgaand aan de aanvraag sprake is geweest van vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf, maar de gekozen systematiek niet uitsluit dat, indien daarvan geen sprake is geweest, de gevraagde vergunning niettemin wordt verleend. Daarbij is gedacht aan de wedertoelating van vreemdelingen die binnen een jaar nadat zij zijn teruggekeerd naar het land van herkomst met een beroep op de Remigratiewet aangeven terug te willen keren naar Nederland, in welk geval de desbetreffende vreemdeling niet direct voorafgaand aan zijn terugkeer naar Nederland vijf aaneengesloten jaren in het bezit zal zijn geweest van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, maar desalniettemin aanleiding kan bestaan hem na terugkeer in Nederland de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen.
2.1.3. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit artikel 21, eerste lid, van de Vw 2000 aldus niet dat de minister geen verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan verlenen, indien direct voorafgaand aan de aanvraag geen sprake is geweest van vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf.
In zoverre falen de grieven.
2.1.4. Terzake van de uitoefening van de bij artikel 20, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 aan hem verleende bevoegdheid voert de minister beleid dat is vermeld in paragraaf B1/3.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Volgens dat beleid wordt de vergunning niet verleend aan vreemdelingen die op het moment van de aanvraag of de beslissing daarop geen vijf jaren in Nederland verblijven als houder van een geldige verblijfsvergunning, of als vreemdeling die van rechtswege krachtens het gemeenschapsrecht of krachtens het Associatieverdrag EEG/Turkije verblijfsgerechtigd is. Van het aldus gevoerde beleid kan ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht weliswaar worden afgeweken, doch slechts onder bijzondere omstandigheden, dat wil zeggen indien zich feiten of omstandigheden voordoen die niet zijn of moeten worden geacht te zijn betrokken bij de vaststelling van de desbetreffende beleidsregel.
2.1.5. In het besluit van 20 oktober 2004 heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat, nu de vreemdeling van 8 tot 23 juni 2003 niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven, geen sprake is geweest van vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf. In bezwaar heeft de vreemdeling, ten betoge dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking ten gunste van haar van de aldus toegepaste beleidsregel, gesteld dat zij gedurende die periode geen aanvraag om verlenging van haar verblijfsvergunning kon indienen, omdat zij niet over een paspoort beschikte en zij voorts langdurig hier te lande heeft verbleven. Gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de geschiedenis van totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 en de inhoud en strekking van paragraaf B1/3.2.1. van de Vc 2000, moeten omstandigheden, als de aldus gestelde, echter worden geacht te zijn betrokken bij de vaststelling van de voormelde beleidsregel. De minister heeft zich in het besluit van 1 april 2005 reeds hierom terecht op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling aldus gestelde omstandigheden niet bijzonder zijn in vorenbedoelde zin, zodat hij haar daarover niet hoefde te horen.
In zoverre slagen de grieven.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep ongegrond verklaren.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 april 2006 in zaak
no. AWB 05/19584;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006
284-418.