Uitspraak 200509551/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AX1166
- Datum uitspraak
- 4 mei 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200509551/1.
Datum uitspraak: 4 mei 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/40306 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 19 oktober 2005 in het geding tussen:
[vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 oktober 2005, verzonden op 21 oktober 2005, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 5 december 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1, 2 en 3 klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat in het besluit van 16 augustus 2004 van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling is uitgegaan, heeft miskend dat in dat besluit weliswaar de door de vreemdeling gestelde feiten niet zijn betwist, doch de aan die feiten ontleende vermoedens als ongeloofwaardig zijn gekwalificeerd. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte aan dit onderdeel van de beoordeling van de geloofwaardigheid voorbij is gegaan, door zich in de aangevallen uitspraak te beperken tot een beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas van de vreemdeling.
2.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op feiten en omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de desbetreffende vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.
2.2.1. De beoordeling door de minister van de door de vreemdeling gestelde en met bewijsmateriaal gestaafde feiten en omstandigheden dient door de rechter overeenkomstig de uitgangspunten van het bestuursrechtelijke bewijsrecht te worden getoetst.
2.2.2. Veelal is een asielzoeker niet in staat en kan redelijkerwijs ook niet van hem worden gevergd zijn relaas met afdoende bewijsmateriaal te staven. Om die asielzoeker tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, pleegt de minister blijkens het gestelde in paragrafen C1/1.2, C1/3.2.2 en C1/3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 het relaas en de daarin gestelde feiten en omstandigheden voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien is voor die tegemoetkoming vereist dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoet.
Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.
2.2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 januari 2003 in zaak no. 200206297/1; AB 2003, 286), komt de minister bij de toepassing van voormeld beleid in een concreet geval beoordelingsruimte toe. De minister beoordeelt de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en aldus geobjectiveerd te verrichten. Het op deze wijze beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas door de minister brengt met zich dat de rechter die beoordeling terughoudend zal dienen te toetsen.
Het vorenstaande geldt evenzeer voor de beoordeling door de minister van het realiteitsgehalte van de niet gestaafde vermoedens.
2.2.4. Ook indien de minister van oordeel is dat het asielrelaas op onderdelen aannemelijk gemaakt dan wel geloofwaardig is, zal de rechter het oordeel van de minister over de geloofwaardigheid van de andere onderdelen van dat relaas en de conclusies die de minister daaraan verbindt voor de geloofwaardigheid van de op dat relaas gebaseerde vrees voor vervolging terughoudend dienen te toetsen.
2.2.5. De terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechter de besluitvorming die tot het oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas of onderdelen daarvan heeft geleid, aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, moet toetsen, maar staat er aan in de weg dat de rechter bij die toetsing het eigen oordeel inzake de geloofwaardigheid in plaats stelt van dat van de minister.
2.2.6. Voor zover de minister van oordeel is dat de door de asielzoeker gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt of geloofwaardig zijn en de daaraan ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer te wachten staat plausibel, is vervolgens voor een terughoudende toets geen plaats, waar het de beoordeling van de zwaarwegendheid van het relaas betreft.
2.3. Aan zijn aanvraag heeft de vreemdeling, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat hij uit Nepal is gevlucht, uit vrees voor de autoriteiten vanwege het verstrekken van voedsel aan groepen Maoïsten. Hij is door militairen gewaarschuwd dat hij zou worden gedood, indien hij dit nogmaals zou doen. Ook stelt hij te vrezen voor de Maoïsten, die hem kort na deze waarschuwing hebben ontvoerd, omdat hij met militairen had gesproken. Na drie dagen heeft hij aan zijn ontvoerders weten te ontkomen en is hij teruggekeerd naar zijn woning, waar hij zich een week heeft schuilgehouden. Vervolgens is hij naar Pokhara gevlucht, waar hij hoorde dat de Maoïsten hem zochten, waarna hij Nepal is ontvlucht.
2.3.1. De minister heeft zich in het besluit van 16 augustus 2004, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat niet wordt getwijfeld aan de verklaringen van de vreemdeling over hetgeen hij in Nepal heeft meegemaakt, maar dat hij niet geloofwaardig acht dat de vreemdeling voor de autoriteiten van zijn land van herkomst heeft te vrezen, omdat de militairen hem slechts eenmaal op het verstrekken van voedsel aan de Maoïsten hebben aangesproken en daarna geen blijk meer hebben gegeven van een bijzondere negatieve interesse. De minister heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat evenmin geloofwaardig is dat de vreemdeling heeft te vrezen van de zijde van de Maoïsten, omdat hij zijn gevangenschap op eenvoudige wijze heeft weten te ontvluchten en niet is gebleken dat de Maoïsten nadien een bijzondere negatieve belangstelling voor hem hebben getoond.
2.3.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat, voor zover thans van belang, haar toetsing zich beperkt tot de vraag of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het relaas van de vreemdeling onvoldoende zwaarwegend is. De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op het asielrelaas, het niet onaannemelijk is dat de Nepalese autoriteiten de vreemdeling van maoïstische sympathieën zullen beschuldigen en de eerder geuite dreigementen ten uitvoer zullen brengen.
2.3.3. De Afdeling begrijpt de aangevallen overwegingen aldus dat de rechtbank bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas tevens heeft getoetst of de vermoedens van de vreemdeling, dat hij in Nepal heeft te vrezen voor de autoriteiten en de Maoïsten, gegrond zijn. De minister klaagt terecht dat de rechtbank hiermee niet heeft onderkend dat de beoordeling van het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling met betrekking tot de gestelde feiten geuite vermoedens aan de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas vooraf gaat en dat de rechtbank bij haar toetsing van het standpunt van de minister op dit punt ten onrechte geen terughoudendheid in acht heeft genomen.
De grieven 1, 2 en 3 slagen.
2.3.4. De grieven 4 en 5, gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep, de vernietiging van het besluit van 16 augustus 2004 en de toekenning van een proceskostenvergoeding aan de vreemdeling, slagen evenzeer, nu die beslissingen zijn gegrond op het hiervoor onjuist bevonden oordeel van de rechtbank.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.5. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem van 19 oktober 2005 in zaak
no. AWB 04/40306;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Van de Kolk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2006
347-480.