Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200603913/2

Uitspraak 200603913/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AZ2742
Datum uitspraak
13 november 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 april 2006 heeft verweerder aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: vergunninghouder) een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet verleend voor het onttrekken van grondwater aan de Ketellap 1 te Wervershoof. Dit besluit is op 14 april 2006 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Grondwaterwet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200603913/2.
Datum uitspraak: 13 november 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2006 heeft verweerder aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: vergunninghouder) een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet verleend voor het onttrekken van grondwater aan de Ketellap 1 te Wervershoof. Dit besluit is op 14 april 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 24 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2006.
Bij brief van 28 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 oktober 2006, waar verzoeker in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. P.J.J. Oosterling en ing. A. van der Kraan, ambtenaren van het hoogheemraadschap, en [deskundige].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vergunning heeft betrekking op een onttrekking van maximaal 80 m3 grondwater per uur, 58.560 m3 per maand en in totaal 413.400 m3, over een periode van 39 weken. De onttrekking betreft een bronbemaling ten behoeve van een uitbreiding van de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Wervershoof.

2.3. Artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet bepaalt dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend.

In het tweede lid van dit artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen.

2.4. Verzoeker vreest onder meer voor schade als gevolg van de grondwateronttrekking. Verzoeker vreest in de eerste plaats voor schade aan zijn woningen en aan en in de schuren en kassen van zijn bloembollenbedrijf als gevolg van zettingen. Ter zitting heeft hij in dit verband met name aangevoerd dat reeds een kleine zetting in de kassen tot grote schade kan leiden, in verband met de door hem gebruikte methode om tulpen te kweken. Om het risico op zettingen zoveel mogelijk te voorkomen, wil verzoeker dat er damwanden worden geslagen rond de bouwputten. In de tweede plaats vreest verzoeker dat de heipalen onder de genoemde bebouwingen droog zullen vallen en zullen gaan rotten.

2.4.1. Verweerder stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat het risico op het optreden van schade bij verzoeker zeer gering is. Hiertoe verwijst verweerder onder meer naar de maatregelen die zijn opgenomen in het monitoringsplan bij de vergunning. Vanwege dit geringe risico kan het slaan van damwanden niet in redelijkheid worden geëist, aldus verweerder.

2.4.2. De Voorzitter stelt voorop dat een voorlopige voorzieningsprocedure zich niet leent voor een uitgebreide beoordeling van de bezwaren van verzoeker. Een dergelijke beoordeling kan eerst in de bodemprocedure plaatsvinden, ten behoeve waarvan naar verwachting een deskundigenbericht zal worden gevraagd. Thans dient te worden beoordeeld of, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen.

De Voorzitter stelt vast dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de haalbaarheid van maatregelen, zoals het slaan van damwanden, die het risico op het optreden van zettingen op het perceel van verzoeker zoveel mogelijk zouden kunnen uitsluiten. Voorts heeft verweerder geen inzicht verworven in de gevolgen die eventuele zettingen voor het bedrijf van verzoeker kunnen hebben, met name gezien de in het bedrijf verrichte activiteiten. In dit verband overweegt de Voorzitter dat in het monitoringsplan bij de vergunning niet is voorzien in het monitoren van eventuele zettingen in de tot het bedrijf behorende kassen. Ter zitting heeft verweerder op de voornoemde punten geen duidelijkheid verschaft. De Voorzitter ziet in het vorenstaande aanleiding het verzoek toe te wijzen.

De Voorzitter zal, gelet op de belangen van vergunninghouder, trachten de voortgang van de bodemprocedure zoveel mogelijk te bespoedigen.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 12 april 2006, kenmerk 2005-32276;

II. gelast dat de provincie Noord-Holland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Melse
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2006

191-442.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon