Uitspraak 200505211/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU2565
- Datum uitspraak
- 7 september 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 september 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200505211/1.
Datum uitspraak: 7 september 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 03/53515 en AWB 04/38463 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 3 mei 2005 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2003 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 mei 2005, verzonden op 17 mei 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen, thans met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 juni 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De minister klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling ten onrechte niet op het door hem gemaakte bezwaar is gehoord.
2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 juli 2003 in zaak no. 200302801/1), vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en mag daarvan slechts worden afgezien, indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.
Omdat de vreemdeling reeds bij zijn aanvraag een gemotiveerd beroep heeft gedaan op artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), de minister daarop in het besluit van 24 september 2003 is ingegaan en de vreemdeling in de bezwaren van 8 oktober 2003 geen nieuwe gezichtspunten ter zake naar voren heeft gebracht, is aan voormelde maatstaf voldaan. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat de vreemdeling tijdens een hoorzitting nieuwe gezichtspunten te berde brengt die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben geleid, doet daaraan niet af, omdat de minister de beslissing om van horen af te zien dient te nemen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld. Voorts volgt uit het voorgaande dat, anders dan in de zaak waar de door de voorzieningenrechter aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2005 in zaak no. 200406983/1, JV 2005/128 op ziet het geval was, de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld bijzondere omstandigheden aan te voeren en hij van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt.
De grief slaagt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2004 alsnog ongegrond verklaren, aangezien de door de vreemdeling gestelde omstandigheden geen grond bieden voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daarin geen aanleiding is te vinden om van de in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 geregelde bevoegdheid gebruik te maken.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 3 mei 2005 in zaak no. AWB 04/38463;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Gastel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005
261.