Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200603204/2

Uitspraak 200603204/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:9
Datum uitspraak
30 juni 2006
Inhoudsindicatie
Het beroep richt zich tegen het besluit van verweerder van 15 maart 2006, waarbij aan vergunninghoudster een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is verleend voor het oprichten en in werking hebben van een composteerinrichting gevestigd aan de [locatie] te [plaats].Verzoekers hebben de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200603204/2.
Datum uitspraak: 30 juni 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Socar Holding B.V." en anderen, gevestigd te Lelystad,
verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,
verweerder.

Openbare zitting gehouden op 12 juni 2006 om 10.00 uur en voortgezet op 30 juni 2006 om 10.00 uur

Tegenwoordig:
staatsraad mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter;

ambtenaar van Staat: mr. P.J. Blok.

Verschenen:
verzoekers, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Wolbers, advocaat te Arnhem en [gemachtigde], werkzaam bij deskundigenbureau Buro Blauw;
verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.A.I. Eringfeld, mr. R. Orie,
ing. M. Suselbeek, S.A. Haddocks, ambtenaren van de provincie;
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Top Compost B.V." (hierna: vergunninghoudster), partij, vertegenwoordigd door mr. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, en op de openbare zitting gehouden op 30 juni 2006 tevens door [deskundige], werkzaam bij de Nederlandse organisatie voor toegepaste natuurwetenschappen TNO.

1. Procesverloop

Het beroep richt zich tegen het besluit van verweerder van 15 maart 2006, waarbij aan vergunninghoudster een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is verleend voor het oprichten en in werking hebben van een composteerinrichting gevestigd aan de [locatie] te [plaats].
Verzoekers hebben de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Flevoland van 15 maart 2006, MB/06.030178/N, voor zover het de voorschriften 4.2.4 en 4.2.5 betreft;

II. treft de voorlopige voorziening dat de geurimmissie ter plaatse van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen van derden ten gevolge van de opslagen en activiteiten binnen de inrichting van Top Compost B.V. de waarde van 8 ge/m3 als 98-percentiel niet mag overschrijden;

III. treft de voorlopige voorziening dat geen dierlijke mest mag worden geaccepteerd en voorts dat de dierlijke mest die op maandag 3 juli 2006 te 0.00 uur nog aanwezig is binnen de inrichting, zo snel mogelijk moet worden verwerkt;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Flevoland tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1427,00 (zegge: veertienhonderdzevenentwintig euro), waarvan € 1127,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 300,00 is toe te rekenen aan door een deskundige gemaakte kosten; het dient door de provincie Flevoland aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Flevoland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Daartoe overweegt hij het volgende.

Verzoekers brengen naar voren dat de behandeling van hun verzoek om een voorlopige voorziening kan worden beperkt tot hun betoog dat vanwege de inrichting sprake is van ernstige geurhinder. Daarbij wijzen zij onder meer op het in hun opdracht opgestelde geurrapport van Buro Blauw van 25 oktober 2004, waaruit volgens hen blijkt dat de geurnormen als opgenomen in de voorschriften 4.2.4 en 4.2.5 veel te ruim zijn om een aanvaardbaar hinderniveau te bereiken.

In voorschrift 4.2.4 is bepaald dat de geurimmissie ter plaatse van bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen van derden ten gevolge van de opslag en activiteiten binnen de inrichting van Top Compost B.V. de waarde van 13 ge/m3 als 98-percentiel, 26 ge/m3 als 99,5-percentiel en 52 ge/m3 als 99,9-percentiel niet mag overschrijden.
In voorschrift 4.2.5 is bepaald dat in aanvulling op voorschrift 4.2.4 bovendien ter plaatse van bedrijfswoningen van derden de geurimmissie ten gevolge van de opslagen en activiteiten binnen de inrichting van Top Compost de waarde van 5 ge/m3 als 95-percentiel niet mag overschrijden.

Volgens verweerder wordt met deze voorschriften een acceptabel geurhinderniveau bereikt. Daarbij wijst hij op het provinciale geurbeleid, vastgelegd op 16 maart 2004 in de "Beleidsregels voor de beoordeling van geurhinder in de milieuvergunning en ruimtelijke ordening". Daarin is onder meer opgenomen dat de zogenoemde hedonische waarde moet worden betrokken bij het bepalen van het acceptabel geurhinderniveau. Tevens wordt in dat beleid een onderscheid gemaakt tussen gevoelige, minder gevoelige en niet-gevoelige bestemmingen. Verweerder acht het gelet op dat beleid redelijk dat de nabij de inrichting gelegen gebouwen en woningen op een industrieterrein voor categorie IV industrie minder bescherming krijgen dan bijvoorbeeld woningen die zijn gelegen in een woonwijk.
Volgens verweerder volgt uit het rapport van TNO van juni 2005 dat de voorgeschreven normen voor zowel bedrijfswoningen als bedrijfsgebouwen, mede gelet op de berekende hedonische waarden, acceptabel zijn te achten.

De Voorzitter overweegt dat volgens het advies van 22 juni 2006, opgesteld door de Stichting Advisering bestuursrechtspraak naar aanleiding van voormelde standpunten en het verhandelde ter zitting op 12 juni 2006 (hierna: het deskundigenbericht), naar het voorlopig oordeel van de deskundige bij het bepalen van het acceptabele hinderniveau van onjuiste hedonische waarden is uitgegaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de conclusie van TNO, dat eerst bij 17 ge/m3 als 98-percentiel lichte hinder wordt ervaren, waarschijnlijk is gebaseerd op metingen ten tijde van het gebruik van enkel structuurcompost en niet van dierlijke mest.
In het deskundigenbericht wordt voorts opgemerkt dat het, mede gelet op de bijzondere regeling voor composteerbedrijven G2 van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht en de daarin opgenomen richtwaarde voor verspreidliggende bebouwing, aannemelijk is dat bij een norm van 6 ge/m3 als 98-percentiel voor bedrijfsgebouwen en -woningen een acceptabel geurhinderniveau kan worden bereikt. Volgens het deskundigenbericht kan deze norm met de aangevraagde bedrijfsvoering ook worden nageleefd. Dat niettemin klachten worden ontvangen over geurhinder vanwege de inrichting zou volgens het deskundigenbericht kunnen duiden op situaties waarin de procesbewaking niet juist wordt gehanteerd en anaerobe processen ontstaan, die extra geurhinder met zich brengen. Met een juiste toepassing van de aan de vergunning verbonden middelvoorschriften zou dit evenwel moeten kunnen worden voorkomen.

Zowel verweerder als vergunninghouder achten het vooralsnog mogelijk dat het verwerken van dierlijke mest extra geurhinder met zich brengt. Vergunninghouder merkt daarbij op dat in afwachting van de uitspraak op het beroep de activiteiten met betrekking tot dierlijke mest tijdelijk zouden kunnen worden beëindigd.
Voorts onderschrijft verweerder de stelling van het deskundigenbericht dat waarschijnlijk, mede gelet op de door TNO en Buro Blauw overgelegde geurcontourtekeningen, kan worden voldaan aan een geurnorm van 6 ge/m3 ter plaatse van de nabijgelegen bedrijfswoningen. Wat bedrijfsgebouwen betreft wordt evenwel opgemerkt dat daarvoor de contour van 5 ge/m3 als 95-percentiel (wat overeenkomt met 8 ge/m3 als 98-percentiel) bepalend is, aangezien buiten die contour nog een aantal bedrijfsgebouwen is gelegen. Verweerder stelt daarom voor deze waarde te hanteren bij bedrijfsgebouwen.
Wat het bewaken van het proces en het voorkomen van anaerobe processen in de compost betreft zegt verweerder verder toe dat de inrichting scherp zal worden gecontroleerd en dat contact zal worden opgenomen met de klager én met de inrichting, zodra een klacht wordt ontvangen over geurhinder vanwege de inrichting.

Gezien het voorgaande en nu vooralsnog aannemelijk is geworden dat de geurnormen, opgenomen in voorschriften 4.2.4 en 4.2.5, onvoldoende bescherming tegen geurhinder bieden en aan een lagere norm door de inrichting kan worden voldaan, ziet de Voorzitter aanleiding met betrekking tot deze voorschriften de hierboven vermelde voorziening te treffen. Wat de hoogte van deze voorlopige norm betreft overweegt de Voorzitter dat aan bedrijfswoningen en gebouwen, ook als deze op een industrieterrein voor categorie IV zijn gelegen, enige bescherming toe komt teneinde hun bedrijfsvoering op redelijke wijze te kunnen uitvoeren. Evenwel dienen deze bedrijven rekening te houden met de omstandigheid dat zij op een industrieterrein voor categorie IV industrie zijn gevestigd zodat zij enige geurhinder kunnen verwachten.
Nu voorts aannemelijk is geworden dat het beëindigen van de activiteiten met betrekking tot dierlijke mest enige reductie van geurhinder met zich kan brengen en vergunninghouder te kennen heeft gegeven het accepteren van nieuw dierlijk mest tijdelijk te kunnen en willen staken, ziet de Voorzitter aanleiding om met betrekking tot het accepteren en verwerken van dierlijke mest de hierboven vermelde voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder dient op bovengenoemde wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

w.g. Konijnenbelt w.g. Blok
Voorzitter ambtenaar van Staat

428.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon