Uitspraak 200806597/1 en 200806597/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2008:764
- Datum uitspraak
- 10 oktober 2008
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het College zorgverzekeringen (hierna: het college) de aanvraag van de stichting Stichting Com.wonen (hierna: de stichting) om een subsidie voor het verwezenlijken van een ADL-cluster in de gemeente Capelle aan den IJssel afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Geld
Toon inhoud
200806597/1 en 200806597/2.
Datum uitspraak: 10 oktober 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
de stichting Stichting Com.wonen, gevestigd te Rotterdam,
appellante,
en
het College zorgverzekeringen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het College zorgverzekeringen (hierna: het college) de aanvraag van de stichting Stichting Com.wonen (hierna: de stichting) om een subsidie voor het verwezenlijken van een ADL-cluster in de gemeente Capelle aan den IJssel afgewezen.
Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het college het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2008, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft de stichting de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 september 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigden], beiden werkzaam bij de stichting en [gemachtigde], werkzaam bij de stichting Stichting Fokus Exploitatie (hierna: Fokus), en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.D. van der Herberg en drs. J van Nieuwkoop, zijn verschenen.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ), voor zover thans van belang, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het college overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt.
Ingevolge artikel 3.1.7, eerste lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet kunnen, in afwijking van artikel 44 van de AWBZ, tot 1 januari 2009 door het college volgens bij ministeriële regeling te stellen regels ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten subsidies worden verstrekt voor andere dan de in dat artikel genoemde doeleinden, voor zover voor die doeleinden op het moment van inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 1p van de Ziekenfondswet ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten subsidies werden verstrekt.
De Regeling subsidies AWBZ (hierna: de Regeling) strekt ter uitvoering van laatstgenoemd artikel.
Ingevolge artikel 2.7.2 van de Regeling worden voor de bouw en de exploitatie van ADL-clusters projectsubsidies verstrekt aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die een ADL-cluster wil bouwen en exploiteren.
Ingevolge artikel 2.7.4 van de Regeling wordt geen subsidie verstrekt indien met de bouw van het cluster een aanvang is gemaakt voordat is beslist op de subsidieaanvraag.
2.3. Bij het bestreden besluit heeft het college de afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd, omdat de aanvraag is ingediend nadat met de bouw van het ADL-cluster was aangevangen.
2.4. Onbetwist is dat op 25 oktober 2007 met de heiwerkzaamheden ter plaatse van de blokken 1 en 5, waarin het ADL-cluster gerealiseerd zal worden, is begonnen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarmee een aanvang met de bouw van het ADL-cluster als bedoeld in artikel 2.7.4 van de Regeling is gemaakt. Voorts is onbetwist dat de subsidieaanvraag eerst op 21 december 2007 is ingediend.
2.5. In beroep heeft de stichting betoogd dat zij erop mocht vertrouwen dat het indienen van de subsidieaanvraag nadat met de bouw van het ADL-cluster was aangevangen niet in de weg stond aan het honoreren van die aanvraag. In dat verband heeft de stichting gewezen op het gesprek dat op 11 september 2007 heeft plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de stichting en het college. Volgens de stichting heeft het college zich daarbij dermate positief uitgelaten over de, zich reeds in een vergevorderd stadium bevindende, bouwplannen, dat zij daaraan het vertrouwen mocht ontlenen dat de aanvraag zou worden gehonoreerd. Het college stelt zich daarentegen op het standpunt dat het gebruikelijk is dat eerst een oriënterend gesprek plaatsvindt voordat daadwerkelijk een subsidieaanvraag wordt ingediend en dat het gesprek van 11 september 2007, ook conform de wens van de stichting, slechts oriënterend van aard was.
2.6. Voorop staat dat artikel 2.7.4 van de Regeling niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is en dat de Regeling het niet mogelijk maakt van deze bepaling af te wijken. De enkele omstandigheid dat het college zich tijdens het gesprek op 11 september 2007 positief heeft uitgelaten over de bouwplannen van de stichting is geenszins toereikend om in weerwil van deze bepaling het beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren.
2.7. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat het college reeds op grond van de te late indiening van de aanvraag het verstrekken van de subsidie heeft kunnen weigeren.
2.8. Het beroep is ongegrond.
2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2008
47-230.