Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200603548/1

Uitspraak 200603548/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AY3647
Datum uitspraak
3 juli 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 maart 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200603548/1.
Datum uitspraak: 3 juli 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 10 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 juni 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. R.J.C. Braams, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Vos-Koster en D. Engel, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekster stelt dat haar inrichting niet langer vergunningplichtig is, maar valt onder het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen, aangezien de hoofdactiviteit "het wassen van motorvoertuigen" is. Volgens haar zal de vergunningplicht in ieder geval op 1 januari 2007 worden opgeheven door het Besluit algemene regels milieubeheer. Indien tot die tijd al moet worden uitgegaan van een vergunningplicht, dan kan het gedeeltelijk beëindigen van het "afleveren van motorbrandstoffen" volgens haar gelegaliseerd worden door middel van een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer.

Voorts voert zij met betrekking tot de begunstigingstermijn aan dat zij geen invloed heeft op de termijn waarbinnen, na indiening van de in de last impliciet gevorderde aanvraag voor een revisievergunning, een nieuwe milieuvergunning van kracht is.

2.2. De Voorzitter is er op voorhand onvoldoende van overtuigd dat de vergunningplicht van de inrichting is vervallen. Deze vraag van feitelijke aard leent zich beter voor beoordeling in het kader van de beslissing op bezwaar. Over de opgelegde last onder dwangsom overweegt de Voorzitter als volgt.

2.3. De opgelegde last luidt: "U dient de overtreding van artikel 8.1 lid b/c Wetmilieubeheer te beëindigen door er zorg voor te dragen dat voor uw veranderde inrichting binnen de hierna te noemen begunstigingstermijn in het bezit bent van een toereikende milieuvergunning".

2.4. Het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht dient te zijn gericht op het beëindigen dan wel het voorkomen van herhaling van een overtreding door de overtreder. Hier is de last opgelegd wegens het uitvoeren van activiteiten zonder vergunning als vereist in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer.

De opgelegde last laat verzoekster geen andere mogelijkheid om de overtreding te beëindigen dan door er zorg voor te dragen dat zij voor haar veranderde inrichting binnen zeven maanden na het inwerkingtreden van het dwangsombesluit in het bezit is van een toereikende milieuvergunning. Door het indienen van een aanvraag, zoals van verzoekster wordt verlangd, wordt die overtreding echter nog niet opgeheven. Bovendien heeft verzoekster het niet in haar macht dat zij binnen de begunstigingstermijn in het bezit is van de aangevraagde vergunning. Deze last verdraagt zich dan ook niet met het bepaalde in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht. De Voorzitter ziet reeds hierom aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Het verzoek komt voor toewijzing in aanmerking.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen van 30 maart 2006, kenmerk 3306\A_P26495/968, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente De Ronde Venen aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente De Ronde Venen aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2006

157-456.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon