Uitspraak 200901089/1/H3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2009:BJ9515
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2009
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 juni 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) aan [vennoot A] een boete van € 900,00 opgelegd wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.
- Hoger beroep
- Boete
Toon inhoud
200901089/1/H3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2009.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 december 2008 in zaak nr. 07/772 in het geding tussen:
[wederpartij], gevestigd te [plaats], en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) aan [vennoot A] een boete van € 900,00 opgelegd wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.
Bij besluit van 13 februari 2007 heeft de minister het door [vennoot A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 december 2008, verzonden op 5 januari 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [vennoot A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het door hem gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 maart 2009.
[vennoot A] heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Bal en mr. I.L. de Graaf, beiden werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: de VWA), en [vennoot A], in persoon en bijgestaan door mr. O.M. Bos, advocaat te Woerden, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.
Ingevolge het vierde lid blijft de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, achterwege, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. De vaststelling geschiedt aan de hand van een document, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht, dan wel een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen document.
Ingevolge artikel 44a, eerste lid, kan de minister ter zake van de in de bijlage omschreven overtredingen een boete opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend.
Ingevolge artikel 2 van het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet bepaalt het in de kolommen I en II van de bijlage opgenomen bedrag de boete die opgelegd kan worden voor de in de bijlage omschreven overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de DHW.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, gelezen in verbinding met kolom I van de bijlage, geldt een bedrag van € 900,00 voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op de dag waarop een overtreding van artikel 20, eerste lid, van de DHW is begaan, minder dan vijftig werknemers telde.
2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 23 juni 2006 zijn de bevindingen van twee controleambtenaren van de VWA ten grondslag gelegd. Volgens de door hen opgemaakte processen-verbaal heeft een barmedewerker van een door [vennoot A] geëxploiteerd bowlingcentrum op 17 december 2005 alcoholhoudende drank verkocht aan een jongen die niet onmiskenbaar zestien jaar of ouder was, zonder vast te stellen of deze de vereiste leeftijd had bereikt.
2.3. Volgens de rechtbank blijkt uit de processen-verbaal onvoldoende dat de jongen niet onmiskenbaar de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Zij heeft in dat verband overwogen dat in de processen-verbaal slechts in algemene bewoordingen is omschreven waarop de controleambtenaren hun vaststelling hebben gebaseerd en dat deze vaststelling niet zonder meer wordt bevestigd door de werkelijke leeftijd van de jongen. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat de barmedewerker tegenover de controleambtenaren heeft verklaard dat hij niet over de leeftijd van de jongen twijfelde.
2.4. De minister betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, evenals in het strafrecht, uit kan worden gegaan van de juistheid van processen-verbaal die door beëdigde opsporingsambtenaren, zoals de controleambtenaren, zijn opgemaakt. Daarnaast voert hij aan dat, gezien de geschiedenis van de totstandkoming van de DHW, het vaststellen van de leeftijd van een aspirant-koper van alcoholhoudende drank slechts achterwege kan blijven, indien buiten twijfel is dat deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. De rechtbank is volgens de minister dan ook ten onrechte eraan voorbijgegaan dat de jongen de leeftijd van zestien jaar net had bereikt en dat andere uitlatingen van de barmedewerker erop wijzen dat deze de leeftijd van de jongen niet zeker wist.
2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2007 in zaak nr. 200702146/1), is, gelet op artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW, uitgangspunt van de aan de orde zijnde regeling dat de leeftijd moet worden vastgesteld voordat bedrijfsmatig of anders dan om niet tot verstrekking van alcoholhoudende drank mag worden overgegaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan ingevolge het vierde lid, eerste volzin, worden gemaakt, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. Het woord onmiskenbaar houdt blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1997/98, 25 969, nr. 3, blz. 28) in dat overduidelijk moet zijn dat die persoon de vereiste leeftijd heeft bereikt.
Voor het antwoord op de vraag of artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW is overtreden, mag het bestuursorgaan zich baseren op ter zake opgemaakte processen-verbaal van de controleambtenaren. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van het op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Dit sluit betwisting daarvan in rechte niet uit.
Vooropgesteld zij dat niet in geschil is dat de jongen, aan wie de barmedewerker alcoholhoudende drank heeft verstrekt, in het bowlingcentrum niet eerder naar zijn leeftijd is gevraagd. Zoals vermeld in de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, hebben de controleambtenaren gezien dat deze jongen niet onmiskenbaar de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Zij maakten dit op uit uiterlijke kenmerken, zoals lichaamsbouw, gelaat, kleding en gedrag. Naar het oordeel van de Afdeling wordt de juistheid van deze vaststelling bevestigd door het bromfietscertificaat dat de jongen desgevraagd aan de controleambtenaren heeft laten zien. Volgens de processen-verbaal bleek daaruit dat hij pas op 24 juni 2005 de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Dat de barmedewerker heeft verklaard dat hij niet over de leeftijd van de jongen twijfelde, doet niet af aan de vaststelling van de controleambtenaren. Volgens de processen-verbaal heeft de barmedewerker daarbij verklaard dat hij, gezien het late tijdstip, geen veertien- of vijftienjarigen meer verwachtte. Een dergelijke veronderstelling is onvoldoende om twijfel over de leeftijd van een aspirant-koper weg te nemen.
Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat uit de processen-verbaal voldoende blijkt dat de jongen niet onmiskenbaar de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Nu voorts niet wordt betwist dat de leeftijd van de jongen niet is vastgesteld alvorens alcoholhoudende drank aan hem werd verstrekt, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de processen-verbaal onvoldoende grond bieden om aan te nemen dat een overtreding van artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW is begaan.
2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover bestreden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [vennoot A] tegen het besluit van 13 februari 2007 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 december 2008 in zaak nr. 07/772, voor zover daarbij het door [vennoot A] tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 februari 2007, kenmerk DWJZ-2703797/14, ingestelde beroep gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd, de minister is opgedragen een nieuw besluit te nemen, deze tot vergoeding van proceskosten is veroordeeld en de Staat der Nederlanden tot vergoeding van griffierecht is gelast;
III. verklaart het door [vennoot A] tegen het besluit van 13 februari 2007 ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Klein
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.
176-582.