Uitspraak 200300506/1


Volledige tekst

200300506/1.
Datum uitspraak: 24 april 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 17 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 december 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, (hierna: de voorzieningenrechter) voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 januari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 januari 2003 heeft de minister een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.M. Walls, advocaat te Dordrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E. Brakke, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen. Tevens is verschenen [tolk], tolk in de Koreaanse taal.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.1.1. Indien een aanvraag, als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb, wordt ingediend, ertoe strekkende dat de minister terugkomt van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, berust bij de minister de bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, bij de aanwending waarvan artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 mede wordt betrokken. Komt de minister tot het oordeel dat er geen termen zijn het verzoek in te willigen, dan verzet het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000, zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen dat besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Het door appellant ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit van 1 december 2001 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2002 in zaak nr. 200200237/1, gepubliceerd in JV 2002/125, NAV 2002/129 en AB 2002, 169), moet de vreemdeling die om bescherming vraagt in de regel voldoen aan de in het nationale recht neergelegde procedure-regels, waaronder artikel 4:6 van de Awb, welke er toe dienen de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan de noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen.

2.2. Grief 1 richt zich tegen de overweging dat in de eerste procedure in rechte is komen vast te staan dat ook toen een door appellant ingediende aanvraag voorlag, omdat alleen sprake kan zijn van een beroepsprocedure tegen een afwijzing van een aanvraag, wanneer ook een dergelijke aanvraag is ingediend. Wanneer de minister er ten onrechte vanuit gaat dat een aanvraag is ingediend, dan is het voeren van een beroepsprocedure de enige manier daar in rechte tegen op te komen, aldus appellant.

2.2.1. De grief faalt. In de eerdere procedure is de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) er vanuit gegaan dat appellant op 20 oktober 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. In die procedure, waarin appellant is bijgestaan door een rechtshulpverlener, is bij gelegenheid van het indienen van een zienswijze, noch bij gelegenheid van het beroep bij de rechtbank, betwist dat zo een aanvraag was ingediend. Nu de uitspraak op evenbedoeld beroep in rechte onaantastbaar is geworden, heeft de voorzieningenrechter met juistheid de op 23 december 2002 ingediende aanvraag aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

2.3. In grief 2 betoogt appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte hetgeen hij aan die aanvraag ten grondslag heeft gelegd, niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van die bepaling heeft aangemerkt.

2.3.1. Ook die grief faalt, reeds omdat appellant in zijn eerste gehoor naar aanleiding van de aanvraag zelf heeft gezegd dat daaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag lagen.

2.4. In grief 3 betoogt appellant, met verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2002, dat - samengevat weergegeven - de voorzieningenrechter niet motiveert, waarom de door hem gestelde feiten en omstandigheden geen aanleiding geven af te wijken van die bepaling.

2.4.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat:

h. de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen niet nakomt;

i. de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten tot hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden, en

j. de vreemdeling elders een verblijfsalternatief heeft omdat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, voorzover thans van belang, heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, gepubliceerd in AB 2001, 266, JB 2001/190, JV 2001/166 en RV 2001, 65), is de beslissing om tot uitzetting over te gaan geen zelfstandig deelbesluit binnen de meeromvattende beschikking, is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van een verzoek om toelating en is die bevoegdheid niet discretionair van aard. Het ontstaan, door de afwijzende beschikking, van de bevoegdheid tot uitzetting, dient bij het geven van de beschikking te worden betrokken.

2.4.3. Het eerdere besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 genoemde gronden. Deze afwijzing is niet gebaseerd op het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en h tot en met j, van de Vw 2000 en had, gelet op artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet tot gevolg dat appellant Nederland onmiddellijk diende te verlaten, bij gebreke waarvan hij kon worden uitgezet.

2.4.4. Aan zijn op 23 december 2002 ingediende aanvraag heeft appellant onder meer ten grondslag gelegd dat hij van Noord-Koreaanse nationaliteit is en bij uitzetting naar dat land een risico loopt, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

2.4.5. In de overwegingen in het op die aanvraag genomen besluit is alsnog betrokken de in de eerste procedure niet gebleken Noord-Koreaanse nationaliteit van appellant. Blijkens het besluit en het verhandelde ter zitting van de Afdeling is die nationaliteit door de minister als vaststaand aanvaard en derhalve tussen partijen niet meer in geschil. Daarenboven is blijkens het ter zitting van de Afdeling door de minister ingenomen standpunt tussen partijen evenmin in geschil dat appellant bij terugkeer naar Noord-Korea het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde risico loopt en deswege daarheen niet kan terugkeren.

Niettemin strekt het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag met toepassing van het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, derhalve onder verwijzing naar het eerdere besluit en dus ook zonder inroepen van het tweede lid, aanhef en onder h tot en met j, van artikel 31 van de Vw 2000. Afgaande op dat besluit, bezien in het licht van het eerste lid van artikel 45 van de Vw 2000, dient appellant derhalve terug te keren - en kan hij bij gebreke daarvan worden uitgezet - naar Noord-Korea, alwaar hij, naar niet in geschil is, het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 omschreven risico loopt. Door die verwijzing biedt het nu bestreden besluit geen grondslag aan de stelling van de minister ter zitting van de Afdeling dat appellant, die blijkens zijn verklaringen eerder in de Russische Federatie en China zou hebben verbleven, naar één van die landen zou moeten terugkeren en bij gebreke daarvan zou kunnen worden uitgezet. Omdat het besluit aldus geen uitsluitsel biedt over een derde land, waar afdoende bescherming zou kunnen worden verkregen, strookt het ook niet met de uitleg die in de hiervoor onder 2.4.2. vermelde uitspraak is gegeven aan artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000.

2.4.6. Onder deze omstandigheden kon de voorzieningenrechter niet volstaan met de ongegrondverklaring van het beroep tegen dat besluit wegens het ontbreken aan de aanvraag van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, aangezien hij daarmee voorbij gaat aan het tussen partijen vaststaande gegeven dat appellant in Noord-Korea, waarheen hij ingevolge het bestreden besluit wegens het ontbreken van een alternatief moet terugkeren en kan worden uitgezet, het risico loopt op een behandeling als verboden in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.4.7. De conclusie is dat de grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister van 26 december 2002 gegrond verklaren en dat besluit in verband met het ontbreken van een draagkrachtige motivering vernietigen. De minister zal opnieuw op de aanvraag moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen van 17 januari 2003 in zaak nr. AWB 02/95696;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 26 december 2002, kenmerk 0212-23-8020;

V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Kallan
Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2003

15-345.