Uitspraak 200401637/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AQ7417
- Datum uitspraak
- 2 augustus 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200401637/1.
Datum uitspraak: 2 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1],
2. de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 23 januari 2004 in het geding tussen:
appellant sub 1
en
appellant sub 2.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant sub 1 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 23 januari 2004, verzonden op 26 januari 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant sub 2 (hierna: de minister) opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 februari 2004, en de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 februari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brieven van 11 maart 2004 hebben de vreemdeling en de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep van de vreemdeling.
2.2. Ingevolge artikel 1 (A), onder 2, van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag), geldt voor de toepassing van dit verdrag als "vluchteling": elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
Ingevolge artikel 1 (F) zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
2.3. Volgens pararaaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is het aan de minister om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 (F) valt.
Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F), wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Onder persoonlijke deelname wordt volgens die passage niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van de misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf of de misdrijven en dat het misdrijf of de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou of zouden hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf of de misdrijven te voorkomen.
Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1 (F) worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is in lijn met het bepaalde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc 2000.
2.4. In de grieven klaagt de vreemdeling dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte de door hem verrichte werkzaamheden heeft aangemerkt als direct faciliteren van schendingen van mensenrechten door medewerkers van de KhAD en de WAD. In de eerste grief betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangegeven, op welke pagina’s van het ambtsbericht zij zich daarbij heeft gebaseerd. Verder klaagt de vreemdeling dat de rechtbank zich op dat ambtsbericht baseert, hoewel zij eerder heeft overwogen dat de staatssecretaris niet van de juistheid ervan heeft mogen uitgaan, omdat het niet op inzichtelijke wijze informatie verschaft en niet concreet de werkzaamheden aanduidt, die gepaard gingen met het opsporen van staatsgevaarlijke elementen. In de tweede grief betoogt de vreemdeling dat de rechtbank, nu niet blijkt dat de selectie van brieven door hem direct heeft geleid tot arrestaties en executies, ten onrechte directe facilitering van schending van mensenrechten heeft aangenomen. Verder stelt hij dat hij geen wezenlijke bijdrage aan schending van mensenrechten heeft geleverd, omdat tussen de door hem verrichte werkzaamheden en de door de operationele directies van de KhAD en de WAD gepleegde misdrijven slechts een ver verwijderd verband bestaat. Zijn werkzaamheden waren slechts ondersteunend van aard. Voorts heeft hij aangevoerd dat van facilitering geen sprake kan zijn, omdat hij bij het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden geen leidinggevende functie binnen de KhAD/WAD vervulde. Ook betoogt hij dat de zogenoemde ‘personal participation test’ een beoordeling van de werkelijk verrichte werkzaamheden verlangt en dat de uitslag van die test niet mag afhangen van de rang die iemand heeft.
2.4.1. In het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 dat betrekking heeft op veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan is onder meer het volgende vermeld:
"Het communistische bewind in Afghanistan onderscheidde externe en interne vijanden. Tot de eerste groep behoorden politieke tegenstanders van buiten de DVPA, zoals opposanten van linkse signatuur, islamisten, onafhankelijke intellectuelen en Mudjahedin- strijders. Tot de tweede groep behoorden politieke tegenstanders binnen de DVPA, zoals deloyale en afvallige leden. In de praktijk was het geringste teken van deloyaal gedrag of verzet reeds aanleiding om als vijand te worden aangemerkt."
(…)
"Zoals reeds in paragraaf 2.2 is uiteengezet, beschikten de KhAD en de WAD over bijkans onbeperkte volmachten bij de opsporing van vijanden van het communistisch bewind. Aangezien de KhAD en de WAD ook daadwerkelijk van deze volmachten gebruik maakten, werden zij door de bevolking van Afghanistan bijzonder gevreesd. Deze angst werd mede aangewakkerd door de zeer ruime interpretatie van het begrip ‘vijand van het communistisch bewind’ dat de KhAD en de WAD hanteerden. Veelal was een vage verdenking dat iemand anti-regeringsgezinde opvattingen koesterde of anti-regeringsgezinde activiteiten ontplooide reeds voldoende om tot zijn (of haar) arrestatie over te gaan."
(…)
"Personen die door de KhAD of de WAD waren gearresteerd, werden na hun aanhouding doorgaans eerst naar een van de ondervragingscentra van de KhAD of de WAD gebracht. Tijdens hun verblijf in deze ondervragingscentra werden de arrestanten verhoord. Als het vermoeden bestond dat een arrestant tijdens het verhoor informatie achterhield, dreigden de agenten van de KhAD of de WAD hem (of haar) met het gebruik van geweld. Als deze dreiging niet het gewenste effect sorteerde, werden de arrestanten gemarteld teneinde de gewenste informatie alsnog te verkrijgen. Marteling maakte aldus integraal onderdeel uit van de ondervragingsmethodes die de KhAD en de WAD ter beschikking stonden. De KhAD en de WAD maakten systematisch gebruik van de mogelijkheid om met behulp van marteling arrestanten bekentenissen af te dwingen."
(…)
"De KhAD en de WAD hadden als taak het voortbestaan van het communistisch bewind op korte en lange termijn te waarborgen. In de praktijk betekende dit dat de KhAD en WAD de vijanden van dit bewind dienden op te sporen en uit te schakelen. Bij de uitvoering van hun taak beschikten de KhAD en WAD over bijna onbeperkte volmachten, waar zij ruim gebruik van maakten. Een vage verdenking tegen iemand was reeds voldoende om tot zijn of haar arrestatie over te gaan. Op deze wijze creëerden de KhAD en de WAD een klimaat van terreur dat tot doel had elk verzet onder de burgervolking bij voorbaat in de kiem te smoren. Vanwege hun verantwoordelijke taak waren de KhAD en de WAD elite-onderdelen binnen het communistische staatsapparaat."
2.4.2. Uit het verslag van het nader gehoor van de vreemdeling en de aanvullingen en correcties daarop blijkt dat hij heeft verklaard dat hij van 1986 tot 1988 werkzaam is geweest in een speciale sectie, afdeling 4 van directie 105, van de KhAD. Zijn werkzaamheden zouden volgens zijn verklaringen hebben bestaan in het controleren van brieven die door Afghanen per gewone post naar het buitenland werden verzonden of daaruit afkomstig waren. Hij opende deze brieven en las deze met het oogmerk te voorkomen dat mensen naar het buitenland zouden vluchten, op de hoogte te komen van geheime bijeenkomsten, er achter te komen, welke de mening van de burgers over de Afghaanse overheid was en te voorkomen dat aanslagen werden gepleegd. Indien hij las dat een familie wilde vluchten of een geheime bijeenkomst zou worden belegd, noteerde hij de desbetreffende passage uit de brief met personalia van de betrokken afzender en/of ontvanger van de brief. De door de vreemdeling genoteerde gegevens werden op de afdeling cartotheek van directie 105 geregistreerd. Vervolgens werd de brief naar de afdeling analyse doorgeleid. Daar werd uitgemaakt, naar welke directie van de KhAD/WAD de brief ter verdere behandeling zou worden gezonden, aldus de verklaringen van de vreemdeling.
2.4.3. In het voornemen tot het besluit van 9 april 2002, dat daarvan deel uitmaakt, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit informatie van Amnesty International en het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan naar voren komt, welke wrede werkwijze directies van de KhAD en WAD hadden ten opzichte van als verdacht aangemerkte personen.
De rechtbank heeft in de aangevallen overwegingen de door de vreemdeling verrichte werkzaamheden voor afdeling 4 van directie 105 van de KhAD gerelateerd aan informatie uit voornoemd ambtsbericht over de werkwijze van de KhAD en WAD. Nu de rechtbank dit heeft gedaan om te onderzoeken of de staatssecretaris de desbetreffende werkzaamheden als facilitering van misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft mogen aanmerken, begrijpt de Afdeling die overwegingen aldus, dat zij het oog heeft gehad op de werkwijze van de KhAD en de WAD ten opzichte van als verdacht aangemerkte personen. Dat zij daarbij niet uitdrukkelijk de passage en de pagina uit het ambtsbericht heeft vermeld, waarop zij haar oordeel heeft gebaseerd, levert onder die omstandigheden geen reden op om de grief gegrond te bevinden.
Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris, wat betreft de werkwijze van de KhAD en WAD ten opzichte van verdachte personen, niet van de juistheid van voornoemd ambtsbericht heeft mogen uitgaan. De overweging dat de staatssecretaris niet van de juistheid van het ambtsbericht heeft mogen uitgaan, omdat het niet op inzichtelijke wijze informatie verschaft, ziet uitsluitend op de conclusie dat iedere (onder-)officier van de KhAD/WAD actief heeft deelgenomen aan de schending van mensenrechten. De eerste grief treft geen doel.
2.4.4. De staatssecretaris heeft zich in het voornemen tot het besluit van 9 april 2002, dat daarvan deel uitmaakt, op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat de vreemdeling direct schending van mensenrechten heeft gefaciliteerd, als bedoeld in paragraaf C1/5.13.3.3.1 van de Vc 2000. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat op basis van door de vreemdeling uit geopende brieven verzamelde informatie andere onderdelen van de KhAD en WAD vervolgacties ondernamen en de wreedheid van die acties bekend is uit bronnen van algemene bekendheid, waaronder het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.
De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het standpunt van de staatssecretaris dat aldus sprake is van directe facilitering in evenbedoelde zin rechtens onjuist is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdeling werkzaam was voor een veiligheidsdienst en in het bijzonder die informatie uit geopende brieven verzamelde, die in de ogen van het bewind, waarvoor de veiligheidsdienst werkzaam was, blijk gaf van het bewind onwelgevallige activiteiten. De staatssecretaris heeft dan ook aannemelijk mogen achten dat jegens de afzender, dan wel ontvanger van brieven, waarvan de vreemdeling op basis van de inhoud daarvan de hier bedoelde informatie had genoteerd, als gevolg daarvan verdenking ontstond dat sprake was van mogelijke anti-regeringsgezinde opvattingen of activiteiten. De staatssecretaris mocht aannemelijk achten dat, door de genoteerde informatie binnen de KhAD verder te leiden, het handelen van de vreemdeling feitelijk effect heeft gehad op het begaan van de schending van mensenrechten. Dat de door de vreemdeling verstrekte informatie, naar deze heeft verklaard, eerst moest worden doorgeleid naar de afdeling analyse, maakt dat niet anders, nu de door de vreemdeling verzamelde informatie aldus het vertrekpunt vormde om tot verdere vervolgacties over te kunnen gaan.
De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de omstandigheid dat de staatssecretaris geen concreet geval heeft vermeld van een persoon die ten gevolge van een registratie door de vreemdeling is mishandeld of vermoord daaraan niet afdoet, nu de vreemdeling door zijn handelwijze personen in een positie heeft gebracht, waarin zij tenminste de aanmerkelijke kans liepen bloot te worden gesteld aan mishandeling, dan wel marteling.
Dat de vreemdeling, naar hij heeft verklaard, bij de werkzaamheden geen leidinggevende functie heeft vervuld, hoefde de rechtbank evenmin tot het oordeel te leiden dat de staatssecretaris geen directe facilitering van schending van mensenrechten in evenbedoelde zin heeft mogen aannemen, aangezien de vreemdeling zelfstandig de geopende brieven beoordeelde en informatie daaruit verzamelde. Gelet hierop, bestaat geen grond voor het oordeel dat niet de daadwerkelijke door de vreemdeling verrichte werkzaamheden zijn beoordeeld. De tweede grief treft geen doel.
2.5. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond.
2.6. Het hoger beroep van de minister.
2.7. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, onder meer worden verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is;
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;
c. van wie naar het oordeel van de minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;
d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van de minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.
Ingevolge artikel 45, eerste lid, voorzover thans van belang, heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat:
a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;
b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
c. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn.
Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Wet.
Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Volgens pararaaf C1/5.13.3.3.1 van de Vc 2000 en meer in het bijzonder onder sub 4 bij ‘personal participation’ is daarvan sprake indien betrokkene behoorde tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de Staatssecretaris van Justitie op basis van informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken of andere hiertoe geëigende instanties heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie en die een verblijfsvergunning aanvragen in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.
2.8. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan op onderdelen niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag liggende stukken. Subsidiair heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, voorzover de conclusie in het ambtsbericht dat alle officieren zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van mensenrechten te absoluut zou zijn, de rechtbank heeft miskend dat dat nog niet betekent dat de inhoud van het ambtsbericht niet ten grondslag mag worden gelegd aan het beleid dat vreemdelingen, die behoren tot een categorie van personen binnen een organisatie, waarvan de minister op basis van informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie, in de regel artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen, tenzij de desbetreffende vreemdeling kan aantonen dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering. De rechtbank heeft volgens de minister ten onrechte overwogen dat hij het ambtsbericht niet aan het hiervoor vermelde beleid ten grondslag heeft mogen leggen.
2.8.1. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank om de aan de paragrafen 2.4 en 2.7 van het algemene ambtsbericht van 29 februari 2000 ten grondslag liggende stukken aan haar toe te zenden, opdat zij zich een oordeel zou kunnen vormen over de feitelijke grondslag van dat bericht, nu de inhoud daarvan door de vreemdeling is betwist. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de inzending vergezeld doen gaan van het verzoek goed te vinden dat, wegens gewichtige redenen, slechts de rechtbank van bepaalde passages van een aantal stukken zal mogen kennisnemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat gewichtige redenen zulke beperkte kennisneming rechtvaardigen.
Partijen hebben de rechtbank vervolgens toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen. De rechtbank heeft overwogen dat de absolute conclusie in het ambtsbericht dat alle officieren van de KhAD en WAD zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van mensenrechten niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde stukken. In zijn eerste grief richt de minister zich tegen dat oordeel.
2.8.2. De Afdeling heeft er van afgezien de Minister van Buitenlandse Zaken te verzoeken de aan de desbetreffende paragrafen van het algemene ambtsbericht ten grondslag liggende stukken aan haar toe te zenden, opdat zij zich een oordeel zou kunnen vormen over de feitelijke grondslag van dat ambtsbericht, aangezien de vreemdeling in zijn reactie in appel te kennen heeft gegeven geen toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te zullen verlenen.
Aannemelijk is dat, indien de Afdeling om toezending van de desbetreffende stukken zou hebben verzocht, de Minister van Buitenlandse Zaken, evenals in eerste aanleg, zou verzoeken goed te vinden dat wegens gewichtige redenen slechts de Afdeling van bepaalde passages uit die stukken kennis zou mogen nemen en dat de Afdeling, nu de rechtbank de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd heeft geacht, ook tot dat oordeel zou zijn gekomen. Dat zou betekenen dat partijen toestemming zouden moeten verlenen om mede op basis van de onderliggende stukken uitspraak te kunnen doen.
2.8.3. De vreemdeling heeft, door op voorhand te weigeren zodanige toestemming te verlenen, de Afdeling de mogelijkheid ontnomen te onderzoeken of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de conclusie in het ambtsbericht van 29 februari 2000 niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag liggende stukken en daarmee de mogelijkheid een oordeel te geven over de eerste grief van de minister.
2.8.4. Het staat de vreemdeling vrij op voorhand toestemming te weigeren. De vreemdeling kan daarmee de minister evenwel niet de mogelijkheid ontnemen om zijn grief in hoger beroep beoordeeld te krijgen. De gevolgen van het op voorhand weigeren van toestemming moeten dan ook op na te melden wijze voor risico van de vreemdeling komen.
Nu de vreemdeling de Afdeling op voorhand toestemming heeft geweigerd om kennis te nemen van de aan het ambtsbericht van 29 februari 2000 ten grondslag liggende stukken, zal de Afdeling het oordeel van de rechtbank terzijde laten en uitgaan van de inhoud van dat ambtsbericht, zoals dat voorligt. In beginsel dient van de juistheid daarvan te worden uitgegaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan.
In hetgeen de vreemdeling ten aanzien van het ambtsbericht heeft aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Dit betekent dat de staatssecretaris dit ambtsbericht aan zijn beleid en het besluit van 9 april 2002 ten grondslag heeft mogen leggen. De vreemdeling heeft verklaard dat hij gedurende 6 jaar voor de KhAD heeft gewerkt, laatstelijk in de rang van kapitein. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van hem sprake is van redenen om een uitzondering op de regel aannemelijk te achten, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de vreemdeling zich mede schuldig heeft gemaakt aan schendingen van mensenrechten. De grief is terecht voorgedragen maar kan, gelet op het volgende, niet tot het ermee beoogde resultaat leiden.
2.9. In grief 2 klaagt de minister onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het wettelijk stelsel uitsluit dat een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, zonder dat inhoudelijk beoordeeld wordt of de aanvrager, die een daartoe strekkende stelling inneemt, in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en dat de afwijzing van de aanvraag niet louter op artikel 3.107 van het Vb 2000 mag zijn gebaseerd. In dat verband voert de minister aan dat artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, wegens de discretie die hem in de aanhef van deze wettelijke bepaling is toegekend, toelaat dat ook in gevallen, waarin mogelijk is voldaan aan een van de daarin vermelde gronden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, deze niettemin wordt geweigerd en dat aan artikel 45 van de Vw 2000 geen zodanige uitleg mag worden gegeven, dat die mogelijkheid alsnog ongedaan wordt gemaakt. Voorts voert hij aan dat er geen rechtsregel is die voorschrijft in de afwijzing van de asielaanvraag aan te geven, naar welk land de vreemdeling eventueel zal worden verwijderd.
2.9.1. In het besluit van 9 april 2002 en het voornemen daartoe heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling van toepassing is en hij in verband daarmee noch in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, noch, ingevolge artikel 3.107 van het Vb 2000, voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op een van de andere in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 vermelde gronden. Ook heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat artikel 3 EVRM niet tot verlening van enige verblijfstitel noopt.
In hoger beroep heeft de minister te kennen gegeven dat dat besluit berust op de veronderstelling dat uitzetting van de vreemdeling naar Afghanistan in strijd met artikel 3 EVRM zou zijn.
2.9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, AB 2001, 266), is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning en is die bevoegdheid niet discretionair van aard. Dat als gevolg van die afwijzing de bevoegdheid tot uitzetting ontstaat, dient bij het nemen van de beslissing op de aanvraag te worden betrokken.
2.9.3. Aan het besluit van 9 april 2002 zijn van rechtswege de in artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 vermelde gevolgen verbonden, onder meer dat de vreemdeling eigener beweging het land dient te verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet, ook naar Afghanistan.
In dat besluit heeft de staatssecretaris voormelde rechtsgevolgen van de afwijzing van de aanvraag niet betrokken, hoewel de vreemdeling in zijn zienswijze heeft gesteld dat hij bij eventuele terugkeer naar Afghanistan heeft te vrezen voor een behandeling, verboden door artikel 3 EVRM.
2.9.4. Zoals de Afdeling ook eerder (uitspraak van 9 juni 2004 in zaak nr. 200308511/1) heeft overwogen, brengt de verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 met zich dat de minister de aanvraag van de betrokken vreemdeling op zodanige, in voormelde uitspraak nader omschreven wijze, dient in te richten en af te bakenen, dat zo mogelijk wordt voorkomen dat de desbetreffende vreemdeling in de situatie komt te verkeren dat hij niet wordt toegelaten, maar evenmin wordt uitgezet.
2.9.5. Het besluit van 9 april 2002 geeft er geen blijk van dat daaraan het blijkens voormelde uitspraak vereiste onderzoek ten grondslag ligt. Zo heeft de staatssecretaris niet onderzocht of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst of een derde land verzet. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank het besluit van 9 april 2002 terecht vernietigd en kan grief 2 geen doel treffen.
2.10. Hetgeen in de tweede grief voor het overige naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
2.11. Nu deze zaak in belangrijke mate samenhangt met de zaken, geregistreerd onder de nrs. 200308845/1 en 200308871/1, die ter zitting van de Afdeling zijn behandeld en die hebben geleid tot de uitspraken van 2 juni 2004 (www.raadvanstate.nl), kan thans worden geconcludeerd tot kennelijke ongegrondheid van het hoger beroep van de minister. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Schuurman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2004
307.