Uitspraak 200308871/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AP2055
- Datum uitspraak
- 2 juni 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant sub 2 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200308871/1.
Datum uitspraak: 2 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met gedeeltelijke toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op de hoger beroepen van:
1. de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en,
2. [appellant sub 2],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 1 december 2003 in het geding tussen:
appellant sub 2
en
appellant sub 1.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant sub 2 (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 1 december 2003, verzonden op 2 december 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant sub 1 (hierna: de minister) opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 december 2003, en de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 januari 2004 heeft de minister een reactie ingediend op het hoger beroep van de vreemdeling. Vervolgens is het onderzoek in de zaak van het hoger beroep van de vreemdeling gesloten.
Bij brief van 13 januari 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
De Afdeling heeft het hoger beroep van de minister op 13 april 2004 ter zitting behandeld, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. W.J.C. Robben, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep van de vreemdeling.
2.2. Ingevolge artikel 1 (A), onder 2, van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag), geldt voor de toepassing van dit verdrag als "vluchteling": elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
Ingevolge artikel 1 (F) zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
2.3. Volgens pararaaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is het aan de minister om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 (F) valt.
Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F), wordt de 'personal and knowing participation test' toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven ('knowing participation') én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation'). Onder persoonlijke deelname wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van de misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf of de misdrijven en dat het misdrijf of de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou of zouden hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf of de misdrijven te voorkomen.
Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1 (F) worden tegengeworpen. De 'personal and knowing participation test' is in lijn met het bepaalde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc 2000.
2.4. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte aan het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 meer waarde heeft gehecht dan aan het individuele ambtsbericht van 30 november 1999, hoewel de staatssecretaris in het voornemen tot het besluit dit individuele ambtsbericht heeft ingebracht, aldus de vreemdeling.
2.4.1. In paragraaf 2.7 van het algemene ambtsbericht van 29 februari 2000 over veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan wordt geconcludeerd dat alle onder-officieren en officieren van de KhAD en de WAD werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen. Ten opzichte van het individuele ambtsbericht, dat van oudere datum is, is dit een aanscherping, aangezien daarin nog werd geconcludeerd dat vrijwel alle KhAD/WAD onder-officieren en officieren daarbij persoonlijk betrokken zijn geweest. Deze aanscherping is gebaseerd op nader onderzoek.
In hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris geen aanknopingspunten heeft hoeven zien om aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000 te twijfelen en dat hij zich daarop heeft mogen baseren ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van 'knowing en personal participation'.
2.5. Onder grief 3 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank het oordeel van de staatssecretaris, dat hij niet kan worden gevolgd in zijn verklaring dat hij een uitzonderlijke positie binnen de KhAD/WAD innam, namelijk dat zijn functie slechts van technische aard was, ten onrechte terughoudend heeft getoetst.
2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 januari 2003 in zaak nr. 200206297/1, JV 2003/103), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. Dit is niet anders waar het gaat om de vraag of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de betrokken vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag.
2.6. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat hij in de macabere afdelingen van de KhAD/WAD heeft gewerkt, aangezien de staatssecretaris de verklaringen over zijn KhAD/WAD verleden geloofwaardig heeft geacht. Volgens die verklaringen heeft de vreemdeling geen militair opleidingstraject gevolgd, hoefde hij niet te rouleren en heeft hij tijdens zijn werkzaamheden geen mensenrechten geschonden. Ook heeft de rechtbank miskend dat hij zich door zijn zeer bijzondere door de staatssecretaris niet in twijfel getrokken expertise (bouwkunde), kon onttrekken aan het roulatiesysteem. Het individuele ambtsbericht van 30 november 1999 biedt daarvoor ruimte, nu daarin niet staat dat alle officieren betrokken waren bij schendingen van mensenrechten, aldus de vreemdeling.
2.6.1. In het voornemen tot het besluit van 24 mei 2002 heeft de staatssecretaris, naar aanleiding van hetgeen de vreemdeling in zijn asielrelaas heeft verklaard, geloofwaardig geacht dat de vreemdeling voor de KhAD/WAD werkzaam is geweest, een officiersrang had en bevorderd is en dat zijn laatste promotie tot junior kapitein niet is doorgegaan vanwege de val van het regime Najibullah. De staatssecretaris heeft echter ongeloofwaardig geacht dat de vreemdeling zou hebben bedongen dat hij niet aan arrestaties en martelingen behoefde deel te nemen.
2.6.2. In het ambtsbericht van 29 februari 2000 van de minister van Buitenlandse Zaken staat onder andere het volgende vermeld:
"De loyaliteit van de medewerkers van de KhAD en de WAD werd voortdurend op de proef gesteld. Indien ook maar de geringste twijfel bestond over de toewijding van een medewerker aan de communistische zaak, dan werd hij (of zij) zonder meer uit de gelederen van de KhAD of de WAD verwijderd. Veelal betekende dit de dood van de betrokken medewerker.
(...)
Medewerkers van de KhAD en de WAD rouleerden regelmatig om te voorkomen dat zij binnen een bepaalde afdeling een te grote machtsbasis opbouwden. Soms werden medewerkers verscheidene malen per jaar overgeplaatst. Iemand die langer dan een jaar bij de KhAD of de WAD in dienst was, had tenminste op twee afdelingen gewerkt. Een plaatsing op een afdeling of directie waar de werkzaamheden een meer administratief of technisch karakter hadden lag slechts in het verschiet als een onder-officier of officier zich voldoende had bewezen tijdens een eerste plaatsing of plaatsingen.
(...)
Elke officier die tijdens zijn diensttijd is bevorderd is derhalve betrokken geweest bij arrestaties, ondervragingen, martelingen of zelfs executies.
(...)
Uit het bovenstaande volgt dat alle onder-officieren en officieren werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen."
2.6.3. In hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank, mede gelet op hetgeen door de vreemdeling is verklaard, bezien in het licht van voornoemd ambtsbericht, ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de vreemdeling op de macabere afdelingen van de KhAD/WAD heeft gewerkt. De grief treft geen doel.
2.7. In de laatste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van 'personal participation' omdat de staatssecretaris de directe facilitering als bedoeld in onderdeel C1/5.13.3.3 van de Vc 2000 niet aannemelijk heeft gemaakt. De vreemdeling betoogt dat hij slechts heeft vertaald en getolkt voor bepaalde afdelingen van de KhAD en de WAD en dat dat slechts betrekking had op technische aangelegenheden.
2.7.1. In het voornemen tot het besluit van 24 mei 2002 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ook in zijn hoedanigheid van tolk-vertaler mede verantwoordelijkheid draagt voor de vele schendingen van mensenrechten en met zijn vertaalwerk de voortgang en bestendiging van die schendingen en de terreur waarmee die gepaard gingen, heeft gefaciliteerd. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat dit vertaalwerk op hoog niveau plaatsvond en dat daarmee het geven van opdrachten, aanwijzingen en adviezen door Russische adviseurs aan de KhAD/WAD mede mogelijk is gemaakt. Het belang van Russische adviseurs voor de KhAD/WAD kan moeilijk worden onderschat, aldus de staatssecretaris.
2.7.2. In hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich, gelet op het niveau waarop de vreemdeling tolkte, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling ook met zijn vertaalwerkzaamheden de schendingen van mensenrechten heeft gefaciliteerd. De grief treft geen doel.
2.8. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond.
2.9. Het hoger beroep van de minister.
2.10. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 onder meer worden verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is;
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;
c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;
d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.
Ingevolge artikel 45, eerste lid, voorzover thans van belang, heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat:
a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;
b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
c. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn.
Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Wet.
Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
2.11. De minister klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit het besluit van 24 mei 2002 niet kan worden afgeleid of de staatssecretaris, met het oog op de uit de afwijzing van de asielaanvraag voortvloeiende bevoegdheid tot uitzetting van de vreemdeling, heeft onderzocht of die uitzetting niet in strijd met artikel 3 van het EVRM zou komen.
2.11.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 24 mei 2002 op het standpunt gesteld dat op de vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en dat hij in verband daarmee niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, noch, ingevolge artikel 3.107 Vb 2000, voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Hoewel bij uitzetting artikel 3 EVRM mogelijk wordt geschonden, laat dit volgens hem onverlet dat de vreemdeling Nederland zelfstandig dient te verlaten.
2.11.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, AB 2001, 266), is de beslissing tot uitzetting geen zelfstandig deelbesluit binnen de meeromvattende beschikking op de aanvraag om een verblijfsvergunning, maar is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van die aanvraag en is die bevoegdheid niet discretionair van aard. Dat als gevolg van die afwijzing de bevoegdheid tot uitzetting ontstaat, dient bij het nemen van de beslissing op de aanvraag te worden betrokken.
2.11.3. Dit vindt bevestiging in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, ingevolge welke bepaling de vreemdeling Nederland eigener beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan deze kan worden uitgezet.
Uit de toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 35 en 65) valt op te maken dat met de woorden "kan worden uitgezet" niet beoogd is naast de toepassing in de meeromvattende beschikking van de wettelijke toelatingscriteria en nadat is geconstateerd dat daaraan niet is voldaan, ruimte te scheppen voor discretie wat betreft een mogelijke uitzetting ter invulling waarvan afzonderlijke besluitvorming zou moeten plaatsvinden. De bevoegdheid tot uitzetten wordt aangemerkt als het gevolg van het niet toelaten. Het niet mogen uitzetten wordt opgevat als een omstandigheid die de rechtmatigheid van de afwijzende beslissing aantast. Zo wordt vermeld dat de rechter kan oordelen dat de afwijzing van de aanvraag redelijkerwijs niet in stand kan blijven, indien de uitzetting van de vreemdeling tot schending van een verdragsverplichting zou leiden en dat de rechter in het oordeel over de afwijzing van de aanvraag zal betrekken dat de afwijzing de uitzetting betekent.
Met de woorden "kan worden uitgezet" is slechts beoogd een voorbehoud te maken ter zake van de feitelijke noodzaak tot uitzetting en de feitelijke uitvoerbaarheid van een voorgenomen uitzetting. Zo kan de vreemdeling eigener beweging vertrekken, zich aan de macht van het bestuur onttrekken of noodzakelijke medewerking vooralsnog weigeren. Voorts kan zich een tijdelijke verhindering voordoen, als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. Dergelijke feitelijke belemmeringen doen niet af aan het voornemen van het bestuur om, zodra ze zijn opgeheven, tot uitzetting over te gaan.
2.11.4. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in een uitspraak van 15 november 1996 (NJ 1997, 301) overwogen dat, zodra er reden is om aan te nemen dat een reëel risico bestaat dat iemand aan een behandeling zal worden onderworpen die in strijd is met artikel 3 EVRM indien hij naar een andere staat wordt uitgezet, op de lidstaat de verantwoordelijkheid rust hem daarvoor te behoeden en dat het gedrag van de persoon in kwestie, hoe ongewenst of gevaarlijk ook, niet bij de besluitvorming kan worden meegewogen.
2.11.5. Het besluit van 24 mei 2002 strekt tot afwijzing van de asielaanvraag van de vreemdeling. Aan dat besluit zijn van rechtswege de in artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 opgesomde gevolgen verbonden, onder meer inhoudende dat de vreemdeling uit eigen beweging het land dient te verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet.
In voornoemd besluit heeft de staatssecretaris voormelde rechtsgevolgen van de afwijzing van de aanvraag op geen enkele wijze betrokken, hoewel hij in dat besluit wel heeft aangegeven dat bij uitzetting artikel 3 EVRM mogelijk wordt geschonden.
2.11.6. In het hoger-beroepschrift betoogt de minister dat artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, wegens de discretie die hem in de aanhef van deze wettelijke bepaling is toegekend, toelaat dat ook in gevallen, waarin mogelijk is voldaan aan een van de daarin vermelde gronden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, deze niettemin wordt geweigerd en dat aan artikel 45 Vw 2000 niet een zodanige uitleg mag worden gegeven, dat die mogelijkheid alsnog ongedaan wordt gemaakt.
2.11.7. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 (in het bijzonder het nader rapport, Kamerstukken II, 1998-1999, 26 732, A, p. 9 en de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 127) kan evenbedoelde discretie worden aangewend, teneinde een verblijfsvergunning asiel te kunnen weigeren in de gevallen, waarin artikel 1 (F) Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, ook indien uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM zou komen. Daarbij is onder ogen gezien dat in die situatie de betrokken vreemdeling niet wordt toegelaten, maar evenmin wordt uitgezet. De wetgever heeft met de keuze voor een facultatieve formulering van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 aan de minister dan ook enige ruimte willen laten om ook in een dergelijke situatie een verblijfsvergunning asiel te weigeren. In zoverre wijkt die bepaling af van het in artikel 45 van de Vw 2000 neergelegde uitgangspunt, met hetwelk kennelijk beoogd is te voorkomen dat in Nederland vreemdelingen verblijven zonder titel en - behoudens het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000 - zonder rechten, in welk verblijf niettemin wordt berust.
2.11.8. De verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 brengt niettemin met zich dat de minister de beoordeling van de asielaanvraag van de betrokken vreemdeling op zodanige wijze dient in te richten en af te bakenen, dat zo enigszins mogelijk wordt voorkomen dat de vreemdeling in de zojuist bedoelde situatie geraakt, teneinde de groep vreemdelingen die komt te verkeren in die door de wetgever kennelijk ongewenst geachte situatie, zoveel mogelijk te beperken.
Daartoe moet het besluit er blijk van geven dat door de minister is onderzocht of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst, waartoe de bevoegdheid voortvloeit uit een afwijzende meeromvattende beschikking, en dient hij overeenkomstig het dwingend bepaalde in artikel 30 aanhef en onder c en d, en artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h tot en met j de daar genoemde omstandigheden in zijn oordeel te betrekken. Voorts staat het de minister vrij te beoordelen of sprake is van vluchtelingschap alvorens artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag in te roepen en zal hij in voorkomende gevallen moeten bezien of daartoe aanleiding bestaat. In de gevallen waarin uit genoegzaam onderzoek is gebleken dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet en daarenboven voorts sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de vreemdeling zich bevindt, kan van de minister voorts worden gevergd dat hij beoordeelt of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is. De toepassing van artikel 3.107 Vb 2000 mag niet in de weg staan aan het verrichten van het onderzoek dat ingevolge het stelsel van de wet is vereist.
2.11.9. Het besluit van 24 mei 2002 impliceert het voornemen tot uitzetting van de vreemdeling naar zijn land van herkomst. Het geeft er geen blijk van dat daaraan het blijkens het vorenoverwogene vereiste onderzoek ten grondslag ligt. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit niet tot stand is gekomen op basis van een zorgvuldig onderzoek. De grief treft geen doel.
2.12. Het hoger beroep van de minister is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met aanvulling van de gronden, te worden bevestigd.
2.13. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister in de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep van de minister gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de vreemdeling.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Graat
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2004
307.