Uitspraak 200806839/1


Volledige tekst

200806839/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2009.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2008 in zaken nrs. 07/1440, 07/1432, 08/492 en 08/131 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1], wonend te Sint Odiliënberg, gemeente Ambt Montfort
2. [wederpartij sub 2], wonend te Melick, gemeente Roerdalen
3. [wederpartij sub 3], wonend te Nederweert en
4. [wederpartij sub 4], wonend te Heythuysen

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3] en [wederpartij sub 4] (hierna: [wederpartijen]) tegen het niet tijdig nemen van een besluit gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de verzoeken om vergoeding van de door hen gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand afgewezen.

Bij uitspraak van 1 augustus 2008, verzonden op 1 augustus 2008, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank), voor zover van belang, de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, voor zover daarbij de verzoeken om kostenvergoeding zijn afgewezen, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en de minister veroordeeld in de proceskosten in bezwaar. Voorts heeft de rechtbank de minister veroordeeld in de proceskosten in beroep. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 oktober 2008.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend. Bij brief van
26 november 2008 hebben [wederpartijen] nadere stukken ingediend

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.IJ. Ruiter en
mr. drs. J.C.M. Robbers, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het derde lid wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op bezwaar.

Ingevolge het vierde lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, voor zover thans van belang, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar als volgt vastgesteld:

a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge het derde lid kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, worden samenhangende zaken voor toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, als één zaak beschouwd.

Ingevolge het tweede lid wordt onder samenhangende zaken verstaan, gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Ingevolge de eerste volzin van de bijlage bij het Besluit wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C).

2.2. De minister komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat aan [wederpartijen] een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend in verband met de in bezwaar gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De minister betoogt dat de rechtbank hiermee in strijd met de geest en strekking van het Besluit heeft gehandeld, nu niet is gebleken van daadwerkelijk gemaakte kosten, zodat reeds op die grond geen vergoeding behoefde te worden toegekend. De minister vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 augustus 2008 in de zaken nrs. 06/1163 en 06/4515 (LJN BE8918), waarin geen grond voor proceskostenvergoeding aanwezig werd geacht, omdat de door de betrokkene ingeschakelde rechtsbijstandverlener hem geen kosten in rekening had gebracht. De minister beroept zich op artikel 2, derde lid, van het Besluit. Gelet op de parlementaire geschiedenis en de toelichting op dit artikel doet zich volgens hem in dit geval een uitzonderlijke situatie voor, op grond waarvan strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken. [wederpartij sub 1] e.a hebben immers, zo stelt hij, niet door middel van feitelijk bewijs aangetoond daadwerkelijke en redelijke kosten op grond van het forfaitaire stelsel voor de inschakeling van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te hebben gemaakt. Volgens de minister mochten de vergoedingen derhalve tot nihil worden teruggebracht, oftewel worden geweigerd.

Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat de namens [wederpartijen] afzonderlijk ingediende bezwaarschriften niet meer zijn dan gestandaardiseerde stukken die automatisch zijn ingediend. Volgens de minister is het onwaarschijnlijk dat de wetgever bedoeld heeft dergelijke stukken als een voor proceskostenvergoeding in aanmerking komend bezwaarschrift aan te merken.

Tot slot komt de minister op tegen het oordeel van de rechtbank dat 1 punt per eiser wordt toegekend voor het indienen van het beroepschrift. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank gelet op artikel 3 van het Besluit tot het oordeel had moeten komen dat zich in dit geval samenhangende en identieke beroepszaken voordeden.

2.3. Vaststaat dat de door [wederpartijen] ingeschakelde rechtsbijstandverlener namens hen bezwaarschriften heeft ingediend, zodat in de bezwaarfasen proceshandelingen als bedoeld in de bijlage bij het Besluit zijn verricht door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in uitspraak van 23 juli 2008 in zaak nr. 200708379/1), is uitgangspunt van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel en van de jurisprudentie dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. In dit geval bestaat geen aanleiding om aan dit uitgangspunt afbreuk te doen. Anders dan in de door de minister aangehaalde uitspraak het geval was, brengt de door [wederpartijen] ingeschakelde rechtsbijstandverlener in het geval van een procedure die tot succes leidt, zoals in deze gevallen, aan zijn cliënt een bedrag in rekening. Dat de rechtsbijstandverlener de hoogte van dit bedrag gelijkstelt aan het bedrag van een eventuele proceskostenvergoeding, staat aan toekenning van een proceskostenvergoeding niet in de weg. Gezien het forfaitaire stelsel is voorts de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant. Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat [wederpartijen] in de bezwaarfasen proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding door het bestuursorgaan in aanmerking komen.

2.5. Het beroep op artikel 2, derde lid, van het Besluit kan niet leiden tot een ander oordeel hieromtrent. Van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel, waaraan in de aangevallen uitspraak toepassing is gegeven, kan, indien zich een bijzondere omstandigheid voordoet, op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit worden afgeweken. De volgens de bijlage bij het Besluit berekende vergoeding kan worden verlaagd of verhoogd, zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. Van een dergelijk uitzonderlijk geval, dat tot afwijking van het forfaitaire vergoedingsstelsel noopt, is hier niet gebleken. Hetgeen door de minister hiertoe ter zitting naar voren is gebracht, maakt dit niet anders. Het betoog van de minister dat [wederpartijen] geen belang hadden bij de verzoeken om stukken in het kader van de Wet openbaarheid bestuur (hierna: de Wob) die aan dit geschil ten grondslag liggen, doet immers niet ter zake, nu een verzoeker ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob bij zijn verzoek geen belang hoeft te stellen. Gelet op het feit dat [wederpartijen] de heer mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts hebben gemachtigd namens hen op te treden, kan het betoog dat zij geen weet hadden van de namens hen gevoerde procedures en dat de gemachtigde enkel procedures voert om van te kunnen leven, evenmin leiden tot de conclusie dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet, dat tot afwijking van het forfaitaire vergoedingsstelsel noopt. Ditzelfde geldt voor het door de minister aan de orde gestelde uitgangspunt van 'no cure, no pay' op basis waarvan de gemachtigde werkt, nu dit geen onaanvaardbare wijze van het vaststellen van een verschuldigde vergoeding betreft.

2.6. Voor het oordeel dat [wederpartijen] niet voor een proceskostenvergoeding in bezwaar in aanmerking dienen te komen, aangezien de bezwaarschriften gestandaardiseerde stukken betreffen, bestaat bovendien geen grond. Met het feit dat bij de gemaakte bezwaren geen materiele beoordeling van het geschil behoefde plaats te vinden, is immers reeds rekening gehouden door aan de zaak een zeer licht gewicht van 0,25 toe te kennen.

2.7. Uit artikel 3, eerste lid, van het Besluit en de daarbij behorende toelichting volgt dat zaken als samenhangend worden beschouwd indien jegens meer belanghebbenden vrijwel identieke besluiten zijn genomen waartegen zij, bijgestaan door één gemeenschappelijke rechtsbijstandverlener, min of meer tegelijkertijd vrijwel identieke beroepschriften hebben ingediend. In dergelijke samenhangende zaken omvat een kostenveroordeling voor rechtsbijstand slechts het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. Dit bedrag wordt dan verdeeld over alle 'samenhangende' partijen. De werking van dit artikel wordt bij vier of meer zaken verzacht door toepassing van de wegingsfactor 1,5. De Afdeling stelt vast dat in beroep sprake was van samenhangende zaken. De rechtbank had de door [wederpartijen] in beroep gemaakte proceskosten, in plaats van op € 1288,00 (1 punt per opgesteld beroepschrift) dienen te begroten op € 483,00 (1,5 punt voor het opstellen van alle vier de beroepschriften).

Voor het oordeel dat aan deze samenhangende zaken een zeer licht gewicht dient te worden toegekend, en aldus een wegingsfactor van 0,25 punt toekomt, hetgeen door de minister ter zitting naar voren is gebracht, bestaat geen grond.

2.8. Vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij een proceskostenvergoeding voor de behandeling van het beroep is vastgesteld op € 1288,00. De Afdeling voorziet in zoverre zelf in de zaak.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij een proceskostenvergoeding voor de behandeling van het beroep is vastgesteld op € 1288,00;

III. veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan [wederpartijen] onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover bestreden voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Klein
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009.

176-597